Foto: de Volkskrant, 11 april 2018.

‘Inspectie slaat alarm: onderwijs glijdt af.’

‘Vooral lezen en rekenen punten van zorg in onderwijs.’

‘Het onderwijs in Nederland holt al twintig jaar achteruit. Inmiddels komen er jaarlijks 3.500 leerlingen van de basisschool af die – na acht jaar les – niet goed kunnen lezen. Die scholieren zijn laaggeletterd; een stapje boven analfabeet.’

‘Op het gebied van lezen is er een sterke achteruitgang te zien. Dat hangt deels samen met matige betrokkenheid die leerlingen voelen bij de leesles.’

‘Een verklaring voor de sterke daling heeft de inspectie niet. “We dachten eerst bijvoorbeeld dat de groep laaggeletterden asielzoekerskinderen waren, maar die zijn buiten beschouwing gelaten in dit onderzoek,” stelt een woordvoerder.’

Een greep uit Volkskrant, Nu.nl, AD en Trouw deze week. Zo zie je maar, let je even niet op, loopt het meteen uit de klauwen.

Die twintigjarige neerwaartse spiraal krijg je niet weg met zuchten, zuren en hoofdschudden. Want of je kind nou op school zit of op een zeilboot buiten de vaderlandse territoriale wateren vaart, of je thuisonderwijs geeft in een Hollandse stadswijk of in ruraal Friesland, we weten allemaal allang wat we moeten doen. Lezen, lezen, lezen en voorlezen.

Weet u het nog? Een kwartiertje lezen per dag, zorgt voor duizend nieuwe, extra woorden per jaar.

Dat is geen punt van discussie en het is ook geen goedbewaard geheim; iedereen is het erover eens en iedereen weet het: als je wilt dat mensen kunnen lezen, moet er gelezen en voorgelezen worden. Daar is geen innovatieve onderwijsmethode of kunst- en vliegwerk bij nodig, want dat resulteert alleen maar in die ‘matige betrokkenheid die leerlingen voelen bij de leesles’. Het enige wat ervoor nodig is, is: tijd om samen door te brengen en mooie boeken.

Ik heb uit mijn geheugen en halfvergane conceptstukjes wat titels opgeduikeld, om ideeën op te doen. Er zitten heel oude boeken bij en heel nieuwe, voor jonge kinderen en oudere, maar alle boeken hebben gemeen dat wij ze mooi vonden. Ik heb getwijfeld of ik ze zou sorteren op ‘nog leverbaar’ en ‘wordt schandalig genoeg niet meer uitgegeven’, maar uiteindelijk ben ik gegaan voor een indeling op ongeveer-leeftijd. En wat betreft alle uitverkochte exemplaren wil ik maar zeggen: lang leve de bibliotheek.

We beginnen met de kleintjes. Deze zag ik in de bak met prentenboeken in de bibliotheek en ik vroeg me af: waar was Mo Willems al die tijd? Blijkt dat hij er al jaren is, maar me niet was opgevallen tussen de vierhonderdduizend beertjesboeken met variaties op hetzelfde thema.

Stuur die duif op tijd naar bed! is een voorleesboek in het interactieve genre – de voorgelezene functioneert als babysitter van een eigenwijze duif. De duif moet naar bed, maar verzint allerlei uitvluchten om niet te hoeven slapen. Aan de lezer om de poot stijf te houden – succes verzekerd.

De duif-reeks bestaat uit een stuk of negen deeltjes, maar in het Nederlands is alleen nog vertaald: Laat die duif niet achter het stuur! waarbij een buschauffeur vraagt of je op zijn wagen wil letten, terwijl de duif je probeert over te halen om even te mogen rijden.

Het verbaast me dat er niet meer van Mo Willems in het Nederlands taalgebied is genesteld. The Pigeon Needs a Bath en The Pigeon Wants a Puppy lijken me bijvoorbeeld net zo leuk.

Het wordt dus uitwijken naar de originele versies van Willems. Ze zijn trouwens ook kort genoeg om al lezende te vertalen. En alleen al vanwege de titel wil ik deze dan ook lezen: Edwina, The Dinosaur Who Didn’t Know She Was Extinct.

Dan Het boek zonder tekeningen van B.J. Novak. Na drie jaar sudderen in mijn conceptenmap is de bekendheid van het boek allang tot grote hoogten gestegen, maar als je het nog niet kent: blader ‘m voor het lezen eerst zelf door, zodat je weet wat er van je verwacht wordt. Het boek drijft namelijk op de voorlezer. Bij Victoria (destijds 4) was het een hit. Inmiddels hebben wij hem zo vaak gelezen dat zelfs mijn puikste Toon Hermans-timing nauwelijks nog effect sorteert, maar de kleuterziel indachtig zal ik er over een paar maanden vast opnieuw een poelifinario mee in de wacht slepen.

Och, deze is zo leuk: De kat van Saar van Emily Gravett. Ik zeg er verder niks over, maar de tekst en tekeningen zijn, zoals het een goed prentenboek betaamt, een echte eenheid.

Ssst! We hebben een plan van Chris Haughton. Favoriet van Jakob (2). We kenden Haughton natuurlijk al van Mama kwijt en dit is in dezelfde repeterende stijl. De ene keer werkt het beter dan de andere (Stoute hond! en Welterusten allemaal vind ik minder geslaagd), maar deze is heerlijk. Prachtige platen ook.

Nog meer mooie tekeningen in Hoera, er is post! van Marianne Dubuc. Victoria (toen 4) raakte niet uitgekeken en wij voorlezers gingen er graag nog eens voor zitten. De tekst had weggelaten mogen worden, al is die niet storend; maar de prenten doen het echte werk. Postbode Muis brengt de post rond; niks geen e-mails, maar heuse brieven en pakketjes aan de deur (postbode Slak was nog leuker geweest voor de snailmail, bedenk ik nu) en wij mogen meekijken in de huizen van de geadresseerden.

Het konijn heeft een daktuintje, waardoor de worteltjes en radijzen uit het plafond groeien, de ekster verschuilt zich in de boomkruin boven zijn eigen ‘Gezocht!’-poster en de vlieg woont in een drol.

Nu we het toch over Dubuc hebben, De leeuw en het vogeltje is natuurlijk ook prachtig. Het thema is zo oud als de weg naar Rome: vriendschap, afscheid en hoop, maar dan met tekeningen waar je naar blijft kijken. Een verstilde, lieve schoonheid.

Het volgende prentenboek lazen we al met Jetje (momenteel een heuse Jet van 16), maar blijft tijdloos: Jamela’s jurk van Niki Daly. Onbegrijpelijk dat sommige boeken niet blijvend in druk zijn. Het heeft alles: een echt kind, een herkenbare gebeurtenis, veel blijheid en goede wil, een klein crisismoment, groot verdriet, troost, een oplossing, uitbundige verzoening en opnieuw blijheid. En dat allemaal in illustraties en kleuren die zo van de bladzijde je hart in glijden.


Mollenstad van Torben Kuhlman. Z’n andere boeken zijn even adembenemend geïllustreerd, maar deze spreekt hier het meeste aan. Vooral mijn esthetisch-poëtische achttienjarige is gecharmeerd van de beeldende geschiedenis: het prille begin op een grasveld in de lentezon, daaronder de eenvoudig gelukkige, vredige mollengemeenschap die langzaam uitgroeit, via industrialisatie en voortschrijdende technologie, tot een bureaucratische moloch van individualistische wezens die aan zichzelf zijn overgeleverd. Maar gewoon aangeklede molletjes bekijken met je vierjarige is ook leuk.

Vast van Oliver Jeffers (hij van de tekeningen bij De krijtjes staken). De vlieger van Fred zit vast in de boom. Fred gooit zijn schoen om de vlieger los te krijgen, maar de schoen blijft ook steken. Dan gooit Fred de kat naar boven.

Jeffers heeft meer parels: Once Upon An Alphabet en gelukkig ook eindelijk vertaalde Die eland is van mij en Het hart in de fles (die laatste is lief bij groot en klein verdriet). Maar Vast is gezellig voor iedereen vanaf een jaar of drie. Zoals de schrijver zelf zegt: ‘Het boek gaat over het oplossen van een groeiend probleem door er dingen naartoe te gooien.’ Wie herkent het niet?

Niet brullen in de bieb van Michelle Knudsen en Kevin Hawkes (ill.). Een instant-klassieker. In mijn beleving was het boek al vijftig jaar oud, ben ik er zelf mee opgegroeid en lezen we het sinds mensenheugenis voor, maar ik zag dat laatst dat ie pas uit 2007 was. Zo’n boek dus.

Deze is ook zoet: Sidewalk Flowers van JonArno Lawson en Sydney Smith (ill.). De maatschappijkritiek ligt er als een laag geraffineerde kristalsuiker bovenop, maar dat geeft niks. Het blijft een lief verhaal over een meisje dat met haar vader door de stad wandelt.

De vader loopt routineus, schijnbaar uit gewoonte, is in gedachten of praat door zijn telefoon. Beetje gedateerd inmiddels, want wie praat er nog in de telefoon als je ook lekker vrijblijvend kunt appen, maar dat wisten ze in 2015 nog niet. De vader heeft weinig gerichte aandacht voor zijn dochter, maar houdt haar wel bij de hand en wacht als zij ergens blijft hangen. Een doordeweeks wandelingetje van school naar huis, een automatisme. Het meisje plukt ondertussen overal bloemetjes langs het trottoir. Zoals dat gaat met kleine kinderen: ze heeft oog voor het kleine, de schoonheid tussen de tegels.

Het boek is woordloos, dus het maakt niet uit of je de originele of de vertaalde versie neemt. Zelf vind ik de Nederlandse titel Blommetjes minder goed passen, omdat het de associatie oproept van ome Piet die een ruiker haalt voor tante Sjaan bij bloemboetiek ‘De Lelie’, maar dat is vast persoonlijk. Sidewalk Flowers dekt de lading in ieder geval zeker.

Nu we weer een voorleesbaar jongetje in huis hebben, is het zaak om boeken in huis te halen met grondverzetmachines, vrachtwagens en 112-voertuigen. Als je een combinatie daarvan treft, een verhaal op een bouwerf met én een hijskraan én een politieauto, dan weet je vrij zeker dat het in de roos is. Mooi tegenwicht voor de bloemetjes, muisjes, leeuwtjes en Jamela’s jurkjes: Kom uit die kraan!! van Tjibbe Veldkamp en Alice Hoogstad.

Geen lijstje compleet zonder Sylvia Vanden Heede. Deze keer met illustraties van Benjamin Leroy: Een afspraakje in het bos. Ik citeer gewoon het begin, dan weet je genoeg.

‘Ik heb een afspraakje’, fluisterde de vleermuis. 
Ze hing boven de tak waarop de ijsvogel zat. En ze bloosde een beetje.
De ijsvogel keek misprijzend naar omhoog.
‘Alweer? Laat me raden. Deze keer is het de koperwiek. Of nee, de tapuit of misschien de roerdomp wel. Waarom blijf je niet bij je eigen soort?’
‘Maar dat doe ik ook!’ piepte de vleermuis en ze bloosde nog dieper. Wat had ze ooit in de ijsvogel gezien?

En vers van de pers meteen ook deze maar, het Feestboek van Vos en Haas.

Een beetje dezelfde thematiek als Sidewalk Flowers hierboven, maar dan op de onnavolgbare wijze van de grande dame van het eenlettergrepige woord. Er is feest in het bos, want Piep, Tok en Iek zijn op visite.

Iedereen lacht en praat en heeft plezier.
Maar Iek niet.
Iek zit onder een boom met draadjes in zijn oren.
Hij kijkt naar een ding dat ‘ping’ zegt.
‘Dat is zijn smartfoon’, legt Tok uit.
‘Daarmee zit hij op zijn feesboek.’
Uil vindt het maar gek.
Op een boek zit je niet.
Daar heb je stoelen voor! 

De kinderen van Bolderburen van Astrid Lindgren. Behoeft geen aanbeveling, maar ik zet hem erbij als herinnering. Voor een verhaaltje tussendoor. Of een verhaaltje op een zomeravond. Verhaaltje op een druilerige middag. Verhaaltje om te lachen. Verhaaltje voor het slapengaan. Ook handig met logees, zodat ze niet halverwege in het vaste voorleesboek vallen. En natuurlijk ook geschikt als zelfleesboek: Cato (11) heeft hem pas nog in anderhalve dag uitgelezen.

Non-fictie van de bovenste plank: Onder de grond, onder water van Aleksandra en Daniel Mizielinscy. Atlas was al zo mooi, maar deze is nog beter. Van zoet water en zout water, van vulkanen en mierenhopen, aardgas en riolering, diepzeevissen en boorplatformen – zonder dat het een inhoudsloos samenraapsel is. Als je een kind een maand naar een onbewoond eiland stuurt met alleen dit boek, dan heb je de helft van alle kerndoelen basisonderwijs in de tas.

En dan Toon Tellegen. Ach, Toon Tellegen. Al die herfstochtenden met de Eekhoorn en de Mier. Al die autoritten naar de geitenboerderij en het zoveelste uitje met thuisonderwijskinderen, met een klein Philipje op de achterbank, terwijl we samen de heen- en terugreis lang luisterden naar de stem van Tellegen zelf:

‘Ik heb een keer mijn reuk gebroken’, zei de krekel.
‘Je reuk? Hoe kan je die nou breken?’ vroeg de eekhoorn.
‘Alles kan breken’, zei de krekel. ‘De grond, de golven, de stilte, je voet, je stem. Dus ook je reuk.

Toon Tellegen is goed voor iedere gelegenheid. En nu is er Op een ochtend, vroeg in de zomer, met een traktatie aan tekeningen van Sylvia Weve. Ik moet er eerlijkheidshalve bij zeggen dat Philip (nu 18) meteen ook m’n énige kind is dat Toon Tellegen op waarde weet te schatten. De rest zit hem min of meer uit. Beleefdheidshalve luisteren ze naar twee verhalen. Drie als ik er thee en koekjes tegenaan gooi. Dan is hun eekhoorn-everzwijn-olifant-aardvarken-taks bereikt en kan ik het rollen der ogen niet langer negeren. Maar het is de moeite waard.

De allerbeste combinatie met illustrator Jean-Jacques Sempé blijft natuurlijk Goscinny, want dan krijg je een kleine Nicolaas, maar deze mag er ook zijn: De kleine ballerina van Sempé met Patrick Modiano. Een prentenboek voor grotere kinderen (vanaf een jaar of negen) en volwassenen, met weemoedige tekeningen van een voorbij Parijs uit de jaren vijftig van de vorige eeuw.

Brendon Chase, drie jongens overleven in het bos van B.B. (pseudoniem van Denys Watkins-Pitchford). Een onvervalst avontuur, na zeventig jaar eindelijk vertaald in het Nederlands. Het boek werd in Engeland uitgegeven in 1944, maar het verhaal van de drie broers (15, 13 en 12 jaar) speelt zich eerder af, in een niet nader genoemd jaar – waakzame lezers denken dat het 1922 moet zijn, want in het boek komt een brief voor die geschreven is op een vrijdag, en gedateerd wordt op 20 oktober. Kwestie van opzoeken. Brendon Chase stamt in ieder geval uit de tijd waarin jongens nog in bossen rondstruinden, wegliepen van oude tantes, hutten bouwden in oude eikenbomen en kleren maakten van dierenpelzen, overlevend op zelfgevangen wild en vis.

Jef Aerts, Vissen smelten niet. Ik heb getwijfeld of ik deze zou noemen, want Jette vond het een vervelend boek. Maar ja, tegenover ieder anekdotisch bewijs kun je een tegenbewijs zetten, en ik vond het boek wel mooi, dus ik noem hem toch. Beetje surrealistisch (het landschap), beetje verdrietig (een depressieve vader), beetje ongeloofwaardig (de clou) en toch een mooi, ontroerend verhaal over familie, vriendschap, moed en ach, die grootste aller dingen: de liefde.

Deze vond Jet dan weer wel mooi: Lieve Langbeen van Jean Webster. Hartstikke oud, maar niet stoffig. Een klassieker dus – op alle internationale leeslijsten te vinden als Daddy Longlegs. Voor dromerige meisjes vanaf een jaar of 13, 14, 17, 25.

Shel Silverstein, Lafcadio, de leeuw die terugschoot. Ik dacht dat mijn herinneringen aan dit boek vooral gekleurd waren door een heerlijke kampeervakantie in Limburg twee jaar geleden, maar toen ik laatst aan hen vroeg wat zij ook alweer zo leuk vonden aan het boek, waren ze nog steeds allemaal onverminderd enthousiast: het is vooral zo grappig. En dat is het ook. Dat ik het verhaal onmiddellijk associeer met zoele, harmonieuze zomeravonden, rode wijn, doorlezen onder de luifel boven het geraas van regen uit terwijl een juli-onweersbui de lucht klaart, en ontbijten met broodjes uit het campingwinkeltje, dat is maar bijzaak. Silverstein is een rasverteller en Lafcadio is daar een vrucht van.

Geen week zonder gedichten en met deze kun je maanden vooruit: Rond vierkant vierkant rond van Ted van Lieshout. Zo veel poëzie dat je vanzelf alles gaat zien in trocheeën, jamben en anapesten. Cato, Philip en Jet (destijds respectievelijk 9, 17 en 14 jaar) pakten het boek onafhankelijk van elkaar uit de stapel bibliotheekboeken. Zo handig, vonden ze alledrie, die uitleg over dichtvormen en versvoeten. Fascinerend om de dichter al schrappend en verbeterend aan het werk te zien. En het geeft de burger moed, want zo zie je dat je niet als Vasalis geboren hoeft te worden en de gedichten poef, kant en klaar te voorschijn komen. Het is vakmanschap. En vakmanschap kun je leren. Leg er wat Annie M.G. bij, wat Bette Westera en een bloemlezing met een beetje Elsschot, Nijhoff, Bloem en Beets, en Ted van Lieshout laat zien hoe het komt dat je zo verrast of ontroerd wordt, of waarom je moet lachen. Een dichter wil dat je ‘de woorden proeft alsof je ze nooit eerder gezien hebt.’

Meer inspiratie nodig? Pak dan Het boekenboek van Mirjam Noorduijn en Veerle Vanden Bosch. Half internet in één boek. Nou ja, bijna het halve internet. Een beetje Amazons Listmania in boekvorm. Heel veel jeugdboekentips, waarbij je van de ene favoriet naar de andere vergeten klassieker linkt. Hier kun je 24 pagina’s in pdf bekijken.

Zo is de eerste trede in de opwaartse spiraal al in de tas: mooie boeken. Nu alleen nog die tijd samen doorbrengen.

De aanslag

22 november 2016

Bron: @JasperMooren

Naar school in Naturalis

25 november 2015

We hadden een vogel gevonden. Als u net zo veel van vogels weet als ik, dan kon hij het best omschreven worden als een kleine vogel. Oranje-bruin en zwart, met een witte buik. En hij was dood, zoveel was duidelijk.

Maar in plaats van koketteren met mijn gebrek aan vogelkennis kan ik beter vertellen wat we gedaan hebben om er slimmer van te worden. Je kunt namelijk twee dingen doen als je een dood vogeltje vindt. Nou ja, je kunt natuurlijk heel veel dingen doen als je een dood vogeltje vindt, maar laat ik me beperken: je kunt hem laten liggen of je kunt hem meenemen. En als je een herfstwandeling maakt met vijf kinderen en je vindt een klein, ongeschonden, beeldschoon vogeltje, dan wordt de keus automatisch voor je gemaakt. Dan neem je zo’n dotje mee naar huis. Want die vijf kinderen komen regelmatig in Naturalis en weten dat dat museum heel blij is met dode dieren.

We maakten foto’s, stuurden die op naar de afdeling Collectiebeheer en kregen per ommegaande bericht: ‘What a cutie, we would love to have it!’ Hij had ook een soortnaam, begrepen we. Het was een keep. Via welkevogelisdit.nl waren we zelf al een eind in de richting gekomen, maar verder dan ‘iets van een vink’ durfden we niet te gaan. Een keep dus.

Maar waarom was ie nou dood? Hij was nog zo prachtig, helemaal niet aangevreten of gerafeld. Gebrek aan adem, zou mijn oma gezegd hebben. Toch wilden we graag een wat specifiekere verklaring. En we hadden al een vingerwijzing: in z’n nekje zaten een paar dikke bulten.

Onze innerlijke forensisch onderzoeker neeg naar een duidelijke diagnose: dat moest kanker zijn. Zonneklaar. We legden de keep in de vriezer en wachtten tot de officiële autopsie.

En zo wandelden we twee weken later Naturalis binnen met een bevroren vogel in een tupperwaredoosje. We ontmoetten Becky, met wie we al gezellig gemaild hadden. Ze zou ’s morgens eerst een holenduif prepareren voor het publiek en daarna met onze keep aan de slag gaan, mits ie op tijd ontdooid was.

Becky was geweldig. Buiten dat ze erg mooie haren had, was ze ook nog eens vriendelijk, grappig, geduldig en deskundig. Omdat ze wist van ons thuisonderwijs, had ze een handout gemaakt van de vogelanatomie. Becky komt uit de Verenigde Staten en had daar al met thuisonderwijskinderen gewerkt, dus ze vond het helemaal niet vreemd dat wij op een maandagochtend een praktijkles taxidermie combineerden met het voederen van knuffeldieren, om maar eens iets te noemen.

Victoria (3) brengt dwangvoeding toe bij een mol.

De keep bleek voldoende ontdooid. Becky nodigde ons uit om vanuit het amfitheater bij de snijtafel te komen staan. Zo konden we goed meekijken bij het prepareren. Hersentjes eruit, hartje, ingewanden, alles puntgaaf. Ze liet het maagje zien en sneed het open: het zat nog tjokvol eten. Onze keep was dus geen hongerdood gestorven.

Ze had al meteen gezien wat de doodsoorzaak was. Wij bleken het ziektebeeld niet helemaal correct te hebben ingeschat. Wat we hadden aangezien voor tumoren, bleken in werkelijkheid…

… teken. Eén teek zou hij wel overleefd hebben, maar drie was te veel. Drie joekels van parasieten waren ons keepje fataal geweest.

Becky haalde geroutineerd de vogel leeg, waste hem en vulde het donzen vogelhuidje weer op. Daarna naaide ze hem dicht. Een tikkie grof, dat wel. De keep zou namelijk niet publiekelijk tentoongesteld worden, maar in de wetenschappelijke collectie terechtkomen. Achter gesloten deuren, ergens in de catacomben van het museum – het hoefde dus geen onzichtbaar ritssluitinkje te worden. Becky vertelde dat ze eens een stagiaire had gehad, een student Diergeneeskunde, die bij zijn studie had geleerd om heel netjes te hechten, met piepkleine steekjes. Het duurde eeuwen voordat hij de geprepareerde dieren bij Naturalis dichtgenaaid had. Becky was zo klaar. Maar onze keep zag er prachtig uit. Ze aaide nog eens over zijn veertjes. We lieten hem met een gerust hart achter.

En dat is ze-he-ven

19 november 2015

Kom ik gisteren thuis van college geven op een randstedelijke hogeschool (naast mijn eigen kinderen leer ik zo nu en dan ook andermans kinderen wat taal), klap ik m’n laptop open, heb ik dit aan mijn kar hangen:

‘Dekker stelt eisen aan thuisonderwijs’

Of zoals sommige kranten schreven: ‘Het kabinet wil paal en perk stellen aan thuisonderwijs’. Het begint een beetje op een Oudhollands liedje te lijken. Telt u mee?

En dat is één
We schrijven 2007. Het jaar waarin Slovenië mee ging doen met de euro, België de eerste zwarte wethouder kreeg en Nederland het burgerservicenummer invoerde. Jan Wolkers liep nog in zijn blote kont op Texel naar spuugbeestjes te zoeken.

‘Recordaantal vrijstellingen leerplicht om religie’, kopte Trouw. Als je heel goed zoekt, kun je het nog vinden in de archiefkelder van het internet: Trouw, 6 juli 2007. ‘Zelden zijn zoveel jongeren vrijgesteld van de leerplicht […] als vorig jaar. De teller reikte tot 170, het hoogste aantal in tien jaar.’

Saillant detail: dat ‘hoogste aantal in tien jaar’ kwam omdat thuisonderwijzers nooit geregistreerd werden door gemeenten – vond de overheid niet nodig. Nu besloten de gemeenten ze eens te tellen, en ja, dan kom je algauw van nul geregistreerden naar ‘een explosief aantal’. Staatssecretaris Dijksma was in opperste verwarring. Alarmbellen, noodklok, televisieopnames. Hier zou snel paal en perk aan gesteld worden.

En dat is twee
2009. Het jaar waarin Obama president werd en onze cavia Dirk het loodje legde. Het jaar waarin de minister van Onderwijs wetenschappelijk onderzoek liet doen naar thuisonderwijs in Nederland. Uitkomst: klasse, alles appiekim en voor elkaar. Thuisonderwijs doet het prima, ouders zijn betrokken en deskundig, besparen de overheid een hoop geld en thuisonderwezen kinderen zijn uiterst sociaal: Thuisonderwijs in Nederland.

En dat is drie
2011. Het jaar waarin de trekschuit en paardentram het verloren van de gemotoriseerde wagen. De mannen droegen nog een hoed en de vrouwen een voorschoot en alle winters waren koud. Het was ook het jaar waarin dat onderzoek over thuisonderwijs uit 2009 voor de kat z’n staart uitgevoerd bleek te zijn. Er was namelijk een nieuw kabinet, met een nieuwe staatssecretaris, en die ging nou eens paal en perk stellen aan die explosief groeiende groep thuisonderwijzers. Aangezien de groep bestond uit zegge en schrijve 150 gezinnen, waren er niet zo veel prominenten die op de bres sprongen om te laten zien dat thuisonderwijs een prima alternatief kan zijn. Dus sprongen we er zelf op. 2011 was het jaar waarin Jet haar entree maakte op het Binnenhof.

‘Geachte afgevaardigden…’

Met al haar negen jaren, opgedoft in haar mooiste rok met een nieuwe maillot, overhandigde Jet een petitie en stond politici te woord. En met al haar negen jaren kwam ze erachter dat politici soms vriendelijk doen in je gezicht, maar je achter je rug om verraden.

En dat is vier
2012. Het jaar waarin bekend werd dat de explosief groeiende groep thuisonderwijzers magertjes afstak tegen de groep thuiszitters. Dat bleken er namelijk 16.000 te zijn. 16.000 kinderen die wel naar school willen, maar die niet mogen. Bijvoorbeeld omdat ze te druk zijn, te ingewikkeld, of omdat ze de schoolresultaten naar beneden trekken. 2012 was het jaar waarin twee thuiszittende broers buiten de Nederlandse territoriale wateren zeilden, omdat dat de enige manier was waarop ze les konden krijgen.

En dat is vijf
2013. Het jaar waarin een nieuwe staatssecretaris OCW van zich liet horen. Staatssecretaris Dekker, die zich had voorgenomen dat, wat er verder in de wereld ook mocht gebeuren, hij in ieder geval een flinke voetafdruk in Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wilde achterlaten. Zo voerde hij de rekentoets in, verspreidde privégegevens van basisschoolkinderen, plande een hervorming van het NWO én ging paal en perk stellen aan thuisonderwijs.

En dat is zes
2014. Het jaar waarin Philip een pak aantrok om plaats te nemen op de publieke tribune van de Groen van Prinstererzaal in de Tweede Kamer.

Samen met andere thuisonderwijsjongeren, ouders en sympathisanten zat hij het hele notaoverleg uit, zeven uur lang. De uitkomst van het overleg was duidelijk. De Onderwijscommissie was het oneens met staatssecretaris Dekker: de Tweede Kamer wilde géén verbod op thuisonderwijs.

Ik moet oppassen dat ik er niet baldadig van word. Want het is natuurlijk best belangrijk. Ook als de wereld in brand staat, mensen huis en haard verlaten om hun geloof te mogen belijden en hun kinderen in veiligheid te brengen, ook als veertig miljoen Amerikanen moeten leven van voedselbonnen en terreur rondraast als een briesende leeuw. Ook dan is het belangrijk om de vrijheid van opvoeding en onderwijs te verdedigen. En het houdt je van de straat, hè. Maar als u het niet erg vindt, wou ik nu even verdergaan met lesgeven.

Philip (16) en Cato (8)

Flashmob

4 december 2013

Alsof u er zelf bij was.

Jet voelt zich een beetje verraden. Weet u nog dat zij in maart op het Binnenhof was, namens alle thuisonderwezen kinderen van Nederland? (Hier het verslag vanaf de barricaden.) Ze heeft toen uitgebreid gesproken met een aantal leden van de Tweede Kamer, waaronder Jasper van Dijk van de SP.

Jasper was een van de mensen die extra lang bij Jet bleef staan. Hij deed heel vriendelijk en geïnteresseerd tegen haar. En die dag, 31 maart 2011, besloot de commissie Onderwijs dat zij vond dat thuisonderwijs in Nederland mogelijk moest blijven. Net zoals in Groot-Brittanië, België, Frankrijk en zo’n beetje alle andere landen van de wereld.

Maar nu heeft Jasper van Dijk een motie ingediend om het beroep op vrijstelling tóch uit de wet te schrappen. Om thuisonderwijs helemaal te verbieden. In maart had Jasper alle tijd om zijn zorgen en twijfels aan Jet te toetsen. Hij kon haar alles vragen wat hij wilde. Maar dat deed hij niet. Hij deed net of hij best begreep dat thuisonderwijs goed was. Het enige was hij vroeg was: ‘Heb je vriendjes?’ en hij gaf haar een som op, om te kijken of Jet wel goed kon rekenen.

Tussen maart en december had Jasper ook de tijd om wat wetenschappelijk onderzoek door te nemen. Daarin wordt telkens weer aangetoond dat thuisonderwijs leidt tot ‘goed burgerschap’ en een uitstekende academische vorming.

Jasper had niet alle onderzoeken hoeven lezen, hoor, eentje was genoeg geweest. Maar hij heeft het niet gedaan. Want vorige week zei hij nog in de Tweede Kamer dat hij bang was dat een ‘brabbelend Marokkaans ouderpaar’ alleen les zou geven in ‘het stenigen van vrouwen en homo’s van flatgebouwen gooien’. En dan is er natuurlijk de angst dat thuisonderwijs een ‘aanzuigende werking’ zou hebben. 

Angst is een slechte raadgever. Na één onderzoekje had Jasper al gerustgesteld kunnen worden. Dan had hij gelezen dat thuisonderwijs een uitstekende zelfregulerende werking heeft. Ook in landen waar het heel gewoon is, kiest toch maar 1-3 procent van de bevolking ervoor.

In Nederland gaat het om 300 kinderen. Bij lange na geen
1 procent. Maar áls 1 procent hier thuisonderwijs zou krijgen, dan was in één klap het hele Nederlandse lerarentekort opgelost. Dat heeft een onderzoeker van de UvA berekend, zie de Volkskrant, tweede alinea van onder. En dat zou weer goed nieuws zijn voor het passend onderwijs, waar de minister vorige week nog een ontslag van 5000 leraren aankondigde. Toen Philip, Jet en Cato op bezoek waren bij een tyltylschool, hebben ze gezien hoe belangrijk die juffen en meesters zijn.

Morgen stemt de Tweede Kamer over de motie tegen de vrijheid van onderwijs die de SP heeft ingediend. Jet vindt het onaardig van Jasper van Dijk. Hij had er toch gewoon met haar over kunnen praten?

Zelf ben ik een beetje klaar met praten. Ik wil graag mijn kinderen laten leren. Ik wil iedere dag opnieuw laten zien hoe leuk het is om nieuwe dingen te ontdekken, om te leren van de mensen om je heen. Van je buurman, je opa, je vriendinnetje en zelfs van je drie weken oude zusje. Daarom nog een keer de link naar het stukje dat ik in februari postte. Daarmee heb ik alles gezegd.

Deze toespraak deed wat stof opwaaien in Amerika. Het is de afscheidsrede van Bob Chanin, voorzitter van de lerarenvakbond.

Voor wie beter Engels leest dan luistert de uitgeschreven versie:

‘Despite what some among us would like to believe it is not because of our creative ideas. It is not because of the merit of our positions. It is not because we care about children and it is not because we have a vision of a great public school for every child. NEA and its affiliates are effective advocates because we have power.’

‘And we have power because there are more than 3.2 million people who are willing to pay us hundreds of millions of dollars in dues each year, because they believe that we are the unions that can most effectively represent them, the unions that can protect their rights and advance their interests as education employees.’

‘This is not to say that the concern of NEA and its affiliates with closing achievement gaps, reducing dropout rates, improving teacher quality and the like are unimportant or inappropriate. To the contrary. These are the goals that guide the work we do. But they need not and must not be achieved at the expense of due process, employee rights and collective bargaining. That simply is too high a price to pay.’

Met andere woorden, zoals iemand als lezerscommentaar gaf: eerst de vakbond, dan de leraren en de kinderen krijgen de restjes.

Maar gelukkig is dat Amerika, hè? Amerika is ver weg.

Verder wil ik natuurlijk helemaal niemand beïnvloeden, maar ik wou even melden dat D66 als enige partij het thuisonderwijs volkomen wil verbieden. Wat zeg ik: wat haar betreft dient de hele vrijheid van onderwijs te verdwijnen.

Het was de eerste partij die mijn roodgekleurde vakje kreeg, toen ik de stemgerechtigde leeftijd had, nadat ik alle partijprogramma’s had opgevraagd. Dat goede onderwijs waar zij ondanks alle big and fluffy words niets van waarmaakten. Nu ik het zelf ter hand genomen heb, wil D66 iedere scholingsvrijheid, thuisonderwijs of bijzonder, ontnemen. A bloody shame.

—–