Ontvangen

28 april 2018

Philip (18) en Jakob (2)

Laatst sprak ik iemand die zei: ‘Ik ga niemand tot last zijn. Dan liever euthanasie.’ Hij was ernstig ziek, dat wel, maar in zijn bewegingsvrijheid was er nog weinig veranderd ten opzichte van z’n niet-zieke leven. Het was vooral de angst en het reëele vooruitzicht dat het erger ging worden; het innerlijk verval dat uiterlijk zichtbaar zou worden, en dan de mogelijkheid dat anderen hem zouden gaan zien als een last, een storende factor in hun dagelijkse bezigheden.

Maar wat is een last? Ik zei tegen de zieke dat het er ook van afhing wat de mensen in zijn omgeving ervaren als lastig. Wat nou als de biedende partij het niet erg vindt om de last op zich te nemen? En dan nog. Wat is precies een last? Alles wat je comfortabele leven, je ritueeltjes, de planning in je hoofd verstoort, kan lastig zijn. Als mijn dochter is uitgenodigd voor een verjaarspartijtje, vind ik dat knap lastig. Cadeautje uitzoeken, wegbrengen, ophalen op een onhandig tijdstip. En een vriendin bellen die zeurt, ook lastig. Of een peuter met een buikgriepje dat vooral ’s nachts de kop op steekt. Kinderen sowieso trouwens: altijd gesodemieter. Pseudokroep, consultatiebureaus, een verzwikte enkel vlak voordat je op vakantie gaat, leren fietsen, plakhanden, kostelijk eten laten staan.

Zelf ben ik ook veel mensen tot last. De hoeveelheid tijd, geld, aandacht, hulp en zorg die in me gestoken wordt, kan ik nooit terugbetalen. En net als de zieke hierboven vind ik het buitengewoon vervelend om tot last te zijn. Dat wil ik niet. Dat wil niemand. Ik wil dat het me voor de wind gaat, fysiek, mentaal, financieel, emotioneel. Dan heb ik iets te bieden, kan ik uitdelen, geven.

Een poosje geleden las ik een motiverend bedoeld blog waarin werd opgeroepen om ‘gevend te leven’. Niet hebbenhebbenhebben, maar een houding van geven, liefhebben, een overvloedig bestaan door overvloedig te schenken. ‘Niet je eigen beker willen vullen, maar uitgieten’. Tuurlijk, dacht ik, heel goed. Maar weet je wat ik pas echt lastig vind? Ontvangen.

Ik had het er vorige week nog over met Cato (11). Haar vriendin had haar al drie keer getrakteerd op warme chocomel bij hun vaste lunchroom, en Cato had pas één keer teruggetrakteerd. ‘Het is echt mijn beurt weer’, zei ze, ‘maar ze laat me steeds niet betalen, mam.’ We hadden het over geven en krijgen. Cato vond het juist zo leuk om te geven. Ik zei dat haar vriendin dat dus ook vond – zonder dat die er iets voor terug wilde hebben. Zoals wanneer Cato mij een tekening geeft of een cadeautje dat ze zomaar voor me gekocht heeft om me te verrassen. ‘Hoe zou je het vinden als ik dan steeds onmiddellijk iets terug zou geven?’ vroeg ik.

Mensen vinden het fijn om te geven zonder directe compensatie. Gewoon geven om het geven. Natuurlijk zit er een wederkerigheid in, maar die zit ‘m niet in evenredige vergoeding. Als ik om half drie a.m. Jakobs ondergekotste pyjama verschoon, denk ik niet: straks wordt de boel wel vereffend. We vegen billen, kopen verjaarscadeautjes, helpen grootouders bij een vastgelopen computer, doen lastige dingen voor anderen omdat er houden-van in ons is. Agape.

Het is niet makkelijk om aan de ontvangende kant te staan. En dan bedoel ik niet de nemende kant. Dat is een wezenlijk verschil. Iemand die neemt, houdt zelf de controle, of probeert die in ieder geval te houden. Iemand die neemt, is de baas. Die pakt, kiest zelf. Maar iemand die ontvangt, is in zekere zin weerloos. Dan moet je afwachten wat je ten deel valt. Zoals een kind waarbij het besef van tijd en ruimte nog niet gegroeid is. Soms krijg je een appel terwijl je snoep verwachtte. Soms krijg je een cadeautje, soms ook niet. Dat is leven in afhankelijkheid, in het vertrouwen dat degene die voor je zorgt, weet wat het beste is.

Als je geeft, heb je iets te bieden. Ontvangen betekent altijd afhankelijkheid. Als gever kun je de eer aan jezelf houden en zeggen: ‘Och, het was niets’, maar als ontvanger heb je die luxe van fierheid niet. Oppervlakkig bezien lijkt de gever de onderdanige partij, maar echte nederigheid wordt pas gevraagd van de ontvanger. En dat ligt ons van nature slecht, nederigheid. Laat ik persoonlijk blijven: dat ligt mij van nature slecht. Ik wil de eer aan mezelf houden, bewaken, in de hand houden, geven – waarbij ik zelf beslis hoeveel ik geef en aan wie.

En toch: om te geven moet je eerst ontvangen. Zo werken relaties nou eenmaal. De enige manier om wezenlijk contact te hebben, is te ontvangen. Tijd ontvangen, en die samen doorbrengen zonder dat je de agenda in je hoofd laat meepraten. Zorg ontvangen, en de ander in de gelegenheid stellen om te geven, terwijl je zelf niets anders hebt dan lege handen of een ziek lichaam. Geld ontvangen, en niet uitrekenen wanneer je kunt restitueren. Hulp ontvangen, en je ijdelheid, jaloezie, egoïsme en zelfverwijt opzijzetten. Aandacht ontvangen, en verder niets. De wederkerigheid zit ’m in wie je bent, ook als je dat zelf niet ziet. Liefde ontvangen om niet, zodat je ook kunt geven zonder bijbedoeling.

Of je een ander tot last bent, is helemaal geen criterium – dan kun je net zo goed meteen bij de geboorte de gifspuit erin zetten. Waar het om gaat, is of je durft te ontvangen, of je wilt ontvangen. Met alle risico’s vandien. Want pijn en verdriet zijn onvermijdelijk als ontvanger; het verdriet van afwijzing, van niet krijgen waar je op hoopte, het verdriet van verlies. En dat schept een nieuwe gelegenheid om weer te ontvangen: troost, aandacht, liefde. Zodat je opnieuw kunt geven. Dan ben je kwetsbaar, ja, maar dat maakt ons tot mensen die kunnen liefhebben. Dat is toch waar het uiteindelijk om gaat? Had ik de liefde niet, ik zou niets zijn.

*) Alle foto’s heb ik ontvangen van de prachtige Malaika van sanddoller.wordpress.com.

Het is een boodschap die je niet vaak genoeg kunt horen, sommige seizoenen nog een beetje vaker dan andere. Dr. Seuss schreef het al in 1973 en Bette Westera maakte er een magnifieke vertaling van, met volledig nieuw rijmschema en seussiaans idioom, weergaloos vloeiend en vindingrijk: heb jij wel door hoe gelukkig je bent? En o, open deur, de boodschap is meer dan ooit van toepassing op welvarende Westerse kindertjes en volwassenen.

Het boek begint zo:

Voel je je zielig? Zit alles tegen?
Voel je je miezerig, voel je je moe?
Zie je alleen nog maar wolken en regen?
Spreek dan jezelf ogenblikkelijk toe:

Maak je niet druk Ukkie.
Spreek van geluk, Ukkie.
Spreek van geluk en wees blij.
Sommige mensen zijn minder gelukkig,
meer nog dan min of meer zeer ongelukkig,
veel minder gelukkig dan jij!

Dan volgt een stroom pechvogels die het pas echt slecht hebben.

Knapperdammer knooppunt.

Wees blij dat je niet vaststaat op het Knapperdammer knooppunt,
gezeten op een muilkameel, of in een knoets, of lopend.
Of ergens in Verweggis woont (alleen al het idee!),
met hier de kamer waar je slaapt en ginder de wc

(waarbij slaapkamer en wc gescheiden zijn door een stelsel van torens en trappen waar Esscher jaloers op zou zijn).

Nou ja, zo kennen we natuurlijk allemaal een Knapperdammer knooppunt waarmee we ons troosten. Wie heeft zijn kind nooit gewezen op mensen die het zoveel minder hebben? Deze blijft natuurlijk geweldig:

Maar wat nou als je toevallig wel iemand bent die vaststaat in de Knapperdamse file? Of als maïspap voor jou een feestmaal is? Dan kun je iemand vinden die het nog slechter heeft – die nog verder in de file staat of helemaal geen maïspap heeft, en je daar dan aan optrekken. Maar hoe waar de boodschap van Seuss ook is, als je het alleen moet hebben van de vergelijking met anderen, ben je al snel de sjaak. Want er zijn natuurlijk ook een hoop mensen die het zoveel béter hebben dan jij. Die wel naar Thailand op vakantie kunnen. Die überhaupt op vakantie kunnen. Die wel merkluiers kunnen kopen. Die wel een baan hebben. Die wel een kind hebben dat luistert.

En dan blijft er niks meer over van een blij rijmschema met opbeurende woorden. Dan krijg je het gevoel dat jij ook recht hebt op vakantie. Dat je recht hebt op dat plasmascherm. En dan krijg je dit, zoals afgelopen week op Black Friday, die altijd vreugdevolle start van het feestseizoen:

Ziet u daar mensen die doorhebben hoe gelukkig zij zijn?

Je kunt ook een andere insteek kiezen. Je kunt ook proberen dankbaar te zijn onafhankelijk van je omstandigheden. Onafhankelijk van wat andere mensen bezitten, onafhankelijk van waar jij denkt recht op te hebben. Dat is niet gemakkelijk, hoor, vind ik. Maar het is gewoon de enige manier.

Afgelopen donderdag was het Dankbaarheidsdag, zo leerde ik uit de nieuwsbrief van Blendle. Ik wist natuurlijk dat het in Amerika Thanksgiving was, Dankzéggingsdag. Maar van een Nederlandse dankbaarheidsdag had ik nog nooit gehoord. Het was een initiatief van het tijdschrift Psychologie, want het is al lang bekend dat dankbaar zijn een hele goede keuze is. Als je je blik goed richt, is er serieus altijd iets om dankbaar voor te zijn. Voor een rustig moment in een drukke dag. Voor zonlicht dat door het raam naar binnen schijnt. Voor de mogelijkheid om je geduld te oefenen.

Laatst vroeg Cato (9) of zij eens voor de schoencadeaus mocht zorgen. Ze had mij horen klagen over druk-druk-druk en ‘o man, dan moet ik ook nog wat verzinnen voor in die schoen’ – een ware geest van dankbaarheid, zeg maar. Nou is Cato sinds jaar en dag kampioen Cadeautjes en Attenties, dus voor het vullen van zeven schoenen draait ze haar hand niet om. Daarbij had ze geld van oma gekregen en vindt ze pinnen met haar eigen pas zo’n beetje het stoerste wat er is: één en één is twee.

En zo stonden er de volgende morgen zeven werken van barmhartigheid voor de haard: glitterhaarspeldjes voor de vierjarige zus die steeds langere lokken krijgt, een kookwekker voor de veertienjarige zus die zo van bakken houdt – voor iedereen iets specifieks. Zelf kreeg Cato een zakmes, Philips oude mes. Het übercoole Zwitserse mes in camouflagekleuren met dertien onderdelen, waaronder schaar, zaag én tandenstoker, waar Cato al jaren op aast. Toen Philip (17) hoorde dat zijn zusje de schoenen zou vullen, vond hij dit het moment om zijn zakmes door te geven. Als Seuss nog geleefd had, zou hij er een wijze les aan verbonden hebben. Ik vond het genoeg om in te zien hoe gelukkig we zijn.

Het lied der dwaze bijen

25 september 2014

Martinus Nijhoff wist het al: ‘Niemand kan van nature zijn hartstocht onderbreken’. Daar heb je bovennatuurlijke kracht bij nodig. Maar soms is het niet nodig om je hartstocht te onderbreken, dan kun je hem delen. Zoals deze imker. Als er iemand hartstocht heeft voor zijn hobby, dan is hij het wel.

We waren uitgenodigd door een groep thuisonderwijzers uit de buurt van Utrecht. Of we wilden meedoen aan een imkerproject: een hele middag tussen de bijen. Leren over bijenvolken, honing, het verband tussen bomen, bloemen, vruchten en bijen. En dan niet uit een boekje, maar hups, mee de bijenstal in. Daar hoefden we niet lang over na te denken.

We gingen in groepjes op bezoek bij de koningin. De kinderen die nog even op het staatsbezoek moesten wachten, deden ondertussen opdrachten in het leslokaal.

Op iedere tafel stonden attributen en aanwijzingen. Er was een grote, werkende honingslinger, waar iedereen een raat mocht uitslingeren. Een anatomisch model van een bloem: hoe heten alle delen ook alweer? Meeldraad, vruchtbeginsel, kelkbladeren… Hoe verloopt de levenscylus van een bij? Hoe smaken stuifmeelkorrels precies? Wat is het verschil tussen de angel van een wesp en die van een bij? En hoe ziet zo’n angel er van dichtbij nou precies uit?

Maar de imker zelf was het allermooist. ‘Ik heb nog nooit een imker meegemaakt die niet goed kon vertellen’, zei de juffrouw die de les coördineerde. ‘Dus: veel plezier!’

Ze had gelijk. Zelden zoveel in een middag geleerd. Over de diverse volken, over de verschillende bijendansen waarmee ze elkaar vertellen waar volop bloemen te vinden zijn, over koninginnen die op bruidsvlucht gaan. Over imkers die om elf uur ’s avonds hun volk oppakken om ze vijftig kilometer verderop te laten grazen, omdat daar een weide met volle bloemen is. Dat moet ’s avonds, want dan pas komen de bijen thuis en kun je ze met kast en al meenemen. Dan ben je dus wel pas om twee uur ’s nachts weer thuis. Maar dat geeft niet, als je bezig bent met je hartstocht.

En wat krijg je als iemand zijn passie deelt? Mensen die staan te dringen om het te mogen horen.

Mensen van alle leeftijden, die er met hun neus bovenop willen staan om te zien hoe een larve eruit ziet. Om het dekseltje op iedere cel in de raat van heel dichtbij te bekijken. Om goed te zien hoe elke cel precies het juiste formaat heeft: een beetje groter voor een dar, een beetje kleiner voor een werkbij.

En om honing te proeven, zo uit de raat.

Wist je trouwens dat een mannetjesbij niet kan steken? Philip, Jet, Cato en Victoria hebben het zelf gezien. Je kunt ze zo over je hand laten lopen. Heel schattig.

’t Is dat we nog een familie zoetwatermosselen met een compleet ecosysteem op het dressoir hadden staan, anders voorzag ik een nieuwe huisdierenfase.

De les liep erg uit. Maar dat gaf niet, zei de coördinatiejuffrouw, dat gebeurde altijd met de imker. We bedankten hem heel hartelijk. En we beloofden dat we hem onmiddellijk zouden bellen als we ergens een bijenvolk in een boom zagen hangen. Dat schijnt nog wel eens voor te komen.

Terwijl de kinderen op het erf speelden en de koningin en haar hofhouding hun poëzie voortzetten, aten wij onze meegebrachte boterhammen aan picknicktafels naast het honingraatpaleis. We zeiden tegen elkaar wat een wonder dat toch was, zo’n bijenvolk. En hoe mooi het is om je hartstocht te kunnen delen.

To op de skelter

***
Met dank aan Gerdine en Shelso voor alle foto’s!

The glamorous life

2 juli 2014

Dames en heren,

Het moment waarnaar u heeft uitgekeken,

hier lag u voor in de rij,

hier bent u voor naar het theater gekomen.

Ik presenteer,

de ster van de voorstelling,

vedette by default,

prima ballerina

(dankzij een lange lijn volmaakt geschakelde dna-structuren)

hier is ze:

Jet!

Ach, u had geen kaarten? Dat is jammer. Dan ziet u hier Jet na vier shows, acht slopende uren, vierduizend betalende bezoekers, zes kostuumwisselingen, twintig schuifspeldjes en een klein maandsalaris aan mascara, oogschaduw en wenkbrauwpotlood (‘Geen zwart, mam. Het moet donkerblond zijn.’), aan het eind van haar Latijn, achter een bordje pasta al sugo met dagverse snijbiet. Onaangeroerd.

Hoewel Jettes make-up anders doet vermoeden, betrof het geen benefietvoorstelling ter bescherming van de reuzenpanda. Het thema van de balletschool was dit jaar ‘Aap, noot, Mies’. En iedereen weet wat er na aap, noot, mies komt. Wim, zus en … ? Precies.

Pardon, niet alleen Jet natuurlijk. Ook Juf Jet.

En niet alleen prima ballerina, ook streetdancer.

Maar na 48 uur onderdompeling in the glamorous life zie je ook de betrekkelijkheid er wel van in. Money only pays the rent.

Aan het eind van zo’n weekend weet je, net als in het liedje van Sheila E., waar het eigenlijk om draait. Na drie hapjes pasta, een bakje yoghurt en een etmaal slaap wil je gewoon weer kletsen en lachen en jezelf zijn.

Without love, it ain’t much.

Mocht je nog eens iets leuks willen doen, dan moet je schelpen gaan zoeken in hartje stad. Hoog Catharijne ligt er bezaaid mee, maar wij gingen kijken in Amsterdam.

Het was in het kader van onze Leonardo Da Vincifase. We waren op bezoek geweest in Rotterdam, bij ‘Da Vinci, the Genius’, de rondreizende tentoonstelling die nu ergens tussen Neurenberg en Singapore opgebouwd staat.

De expositie gaf een overzicht van werk en leven van de oude meester. We hadden een rondleiding geboekt.

Je denkt misschien dat Da Vinci alleen een beetje kon kleuren

Mona Lisa 3.5

en knutselen,

Trommelwagen voor op het slagveld.

maar niks hoor. Naast schilder, beeldhouwer, ingenieur, architect en uitvinder was het ook een heel verdienstelijk bioloog en paleontoloog. En omdat hij thuisonderwijs kreeg -als onwettig kind mocht hij niet naar school- straalt dat ook een beetje op ons af natuurlijk. Allemaal kleine genieën (wisten wij allang).

Da Vinci werd tot zijn vijftiende voornamelijk opgeleid door zijn oom, die een fervent natuurliefhebber was. Samen maakten ze lange wandelingen en dat heeft waarschijnlijk de kiem gelegd voor Leonardo’s fascinatie voor stenen en fossielen – op zichzelf geen algemene interesse in Renaissancistisch Italië.

Omdat we ervan houden om onderwerpen met elkaar te verbinden, gingen ook wij op fossielenjacht. Het was een ongebruikelijke plek: middenin het centrum van Amsterdam, maar de gids verzekerde ons dat we ze echt zouden vinden.

We gingen op de natste dag van het jaar. Denk moesson, denk wolkbreuk, en dat maal vier. Een dag lang. Zo nat was het.

Maar, dat zul je altijd zien, bij het zoeken naar fossielen is het juist goed als het regent. Dan zie je ze beter. De standaarduitrusting van de gids bevat dan ook altijd een paar plantenspuiten om de fossielen beter zichtbaar te maken. Die waren nu niet nodig.

Het was een openbaring. Vlekken waarvan we altijd gedacht hadden dat het kauwgom was, gemorste verf of iets anders triviaals, bleken zomaar brachiopoden. Meegenomen in kalksteen uit Ierland, om de Amsterdamse stoepen en grachtenpanden op te sieren.

Vanwege het weer kon het ingeroosterde onderdeel ‘Teken enkele fossielen na in je werkboekje’ nu niet doorgaan. Daar hadden mijn kinderen geen bezwaar tegen. De enige meegebrachte paraplu, in dit soort omstandigheden doorgaans een bron van huilbuien en vechtpartijen, werd gul aangeboden aan `mensen die hem beter konden gebruiken’, uit vrees dat de gids een droge plek zou bespeuren waar ze alsnog met houtskool aan de slag zouden moeten.

Wie overigens denkt dat de plantenspuiten nu in de tas konden blijven, heeft het mis. Er is altijd een reden om een plantenspuit te gebruiken.

Ook om bij plekjes te kunnen die onder een afdakje staan.

Sindsdien lopen we nooit meer met nonchalance over het plaveisel. Altijd kijken we even omlaag naar de stoeprand en opzij naar de grijze gevels. Het gaat vanzelf, je kunt er niet meer omheen als je het eenmaal weet. Kijk, zeggen we dan tegen elkaar, een zeelelie. En kijk daar, koraal.

Versteend struikkoraal.

Ik vond een filmpje van Vroege vogels waarin emeritus professor Bert Boekschoten je door de stad wandelt en fossiele schatten aanwijst. Maar eigenlijk moet je natuurlijk even in het echt gaan kijken.

 

Geknecht

27 maart 2014

Sommige projecten duren een halve dag, sommige een paar jaar. Slavernij was een onderwerp dat al een poosje liep, vanaf de zomer ongeveer. Geen uitgesproken knutselproject (tot opluchting van Philip en Jet en tot verdriet van Cato), maar veel boeken, media en veel praten.

Voordat ik verderga, wil ik eerst dit laten zien.

Daar was iedereen even stil van. Ook Cato, met haar zes jaar, zag wat er gebeurde. Ze snapte niet waarom, maar ze wist net als deze kinderen dat er iets niet klopte. En dan heb je genoeg gespreksstof voor een mensenleven.

Waarom kiezen kinderen die ene pop?

Hoe zorgen schijnbaar onbelangrijke dingen ervoor dat jij anders over jezelf gaat denken? Plaatjes in tijdschriften, lessen in geschiedenisboeken, berichten in de ene of juist andere krant?

Hoe belangrijk is het om, naast je woordkeus, erop te letten hoe je iets tegen iemand zegt?

Gelden die verborgen boodschappen alleen voor huidskleur, of ook voor je dom of slim voelen?

En waarom is het belangrijk om naar de hammam te gaan?

Iedereen weet hoe gemakkelijk het is om van het ene onderwerp in het andere te rollen. Dat is de kunst voor mij: om het te laten gebeuren. Ik vind het geweldig, maar het gebeurt alleen als je er de ruimte voor neemt. Vijftig procent van het onderwijs bestaat uit routinewerk, lessen die moeten gebeuren, sommen die gemaakt worden.

Die andere vijftig procent, daar gaat het om. Gesprekken voeren, associaties laten vloeien, zorgen dat de kinderen zich vrij voelen om hun meningen en ideeën naar voren te brengen – ook al zijn die volslagen politiek-incorrect of ondoordacht. Als je alles kunt zeggen in de beschutting van mensen die van je houden zoals je bent, doe je zelfvertrouwen op. Dan vind je het ook makkelijker om anderen in hun waarde te laten.

Terug naar de slavernij. In augustus luisterden we het audioboek van De hut van oom Tom, de klassieker van Harriet Beecher Stowe. Nog niks voor Cato (zelf hield ik het al niet droog), maar Jet vond het prachtig en Philip vermande zich bij de verdrietige scènes.

Er zijn veel boeken over slavernij geschreven, maar naast Oom Tom is er een die er voor mij met kop en schouders bovenuit steekt: Slaaf kindje slaaf van Dolf Verroen.

Het lijkt een boekje van niks, dun, met grote letters, maar het heeft de impact van een tiendelige televisieserie. Dat komt door het perspectief. Het verhaal wordt verteld door het witte, verwende meisje Maria dat voor haar twaalfde verjaardag een eigen slaafje krijgt. Met een zweepje erbij. Maria vindt het heerlijk. Eindelijk groot! Eindelijk iets om te compenseren dat ze nog geen borsten heeft. Samen met haar nieuwe handtas en lakschoenen maakt het haar heel volwassen. Door de ogen van Maria krijg je zicht op de verhoudingen tussen de volwassenen onderling, de slaven, het sadisme en de waanzin van het systeem – alles op de terloopse, vanzelfsprekende manier van het plantagemeisje.

Ik liet de kinderen deze fantastische brief uit 1865 lezen, van Jourdon Anderson, voormalig slaaf. Jourdon was al enige tijd een vrij man, toen zijn oude meester hem een brief stuurde, waarin hij hem vroeg bij hem terug te komen, met de belofte ‘beter voor hem te zullen zorgen dan iemand anders ooit zou kunnen.’ Het antwoord dat Jourdon per ommegaande verstuurt, is meesterlijk. Tot het einde lezen.

Klik voor de brief (1865) van Jourdon Anderson aan zijn vroegere meester.

Je verwacht het niet, maar van het een komt het ander. Samen met de thuisonderwijsgroep kregen Philip en Jet een rondleiding door ‘De zwarte bladzijde’, een tentoonstelling in het Scheepvaartmuseum over het slavenschip Leusden, dat in 1738 bij Suriname verging.

Het bovendek van de tentoonstelling ‘De zwarte bladzijde’ in het Scheepvaartmuseum, Amsterdam.

Met dezelfde thuisonderwijsjongeren bezochten ze een muziekvoorstelling in het Bimhuis over de invloed van de slavernij op muziek.

DoReMixMax

DoReMixMax

En natuurlijk was er een gedicht. Deze keer uit de mooie bundel Classic Poetry: An Illustrated Collection, samengesteld door Michael Rosen (hij van Berenjacht) met illustraties van Paul Howard.

Henry Wadsworth Longfellow - The Slave's Dream

‘The Slave’s Dream’ (1842) van Henry Wadsworth Longfellow.

Maar geschiedenis is nooit alleen maar vroegâh. Als je erover leest en filmpjes kijkt en ‘Swing low sweet chariot’ beluistert op youtube -in de versie van The Plantation Singers én in die van Johnny Cash-  en je praat erover, dan wordt het deel van je referentiekader. Dat is anders dan wanneer ik Philip en Jet vraag een werkstuk te maken en wat teksten van wikipedia bij elkaar te grabbelen.

Op deze manier ga je geschiedenis ook toepassen in actualiteit. We spraken over moderne slavernij. De kinderen woonden een lezing bij van iemand die alles wist over de herkomst van chocola, die plantages had bezocht, de leefomstandigheden van de cacaoboeren kende en zich inzette voor duurzame handel.

En toen we over het Oudekerksplein liepen en Victoria gezellig zwaaide naar de mevrouwen die daar onder een roze lampje in hun onderbroek zaten te wachten op klandizie, hadden we het over vormen van verborgen slavernij.

Wanneer is iets je eigen keus en wanneer niet?

Wat doet dat met het beeld dat je van jezelf hebt? Als je te min denkt over jezelf, ben je sneller geneigd mensen te geloven die verkeerde bedoelingen met je hebben.

Zo kwamen we terug bij het filmpje van de zwarte kinderen die kozen voor een blanke pop. Want geschiedenis gaat altijd door.

  • Het Clark-experiment is een fragment uit de korte film van Kiri Davis, A Girl Like Me (2005), overal op het net te vinden. Deze poppentest van Kenneth en Mamie Clark (1939), zorgde er mede voor dat het Amerikaanse hooggerechtshof in 1954 besloot dat de toen nog gangbare ‘separate but equal’-scholen met alleen zwarte of blanke kinderen, in de praktijk geen ‘gelijkheid’ waarborgden, en dus verboden moesten worden. In 2005 deed de zeventienjarige scholiere Kiri Davis het experiment nog eens over, om te zien wat er veranderd was sinds 1939. De test van zowel Clark als Davis werd gedaan onder een kleine groep kinderen, maar al zijn het er maar twee die op deze manier hun zelfbeeld opdoen, dan zijn het er twee te veel.
  • Wat er na zijn beroemde brief van Jourdon Anderson is geworden, kun je hier lezen.
  • Tentoonstelling ‘De zwarte bladzijde’ is tot 31 augustus 2014 te zien in het Scheepvaartmuseum. De rondleidingen staan hier.
  • De muziekvoorstelling was onderdeel van het lesprogramma DoReMixMax. Kosten voor het lespakket waren 50 euro, die we als thuisonderwijsgroep afgenomen hebben – particulier zou ik het niet gedaan hebben. Persoonlijk vind ik het nogal prijzig voor het gebodene.
  • De NTR-serie De slavernij is ook de moeite waard. Ik vind hem, ook voor kinderen, beter dan de jeugdvariant (De slavernij junior). Het geeft een wat evenwichtiger beeld dan ‘de blanken’ hebben ‘de zwarten’ in slavernij gevoerd, omdat het laat zien dat Afrikaanse volkeren elkaar onderling ook verhandelden. Critici hekelden de serie omdat het een al te relativerend beeld zou geven, maar voor mij is dat juist de kracht ervan.

De geboorte van 2014

2 januari 2014

Sandro Botticelli, De geboorte van Venus

Het is jammer voor Botticelli, maar hij is veel te vroeg geboren. Als hij had geweten wat er in 2014 uit het schuim van de zee geboren zou worden, was dat hele schilderij zo veel beter geweest.

Philip en D.

Niet dat gelikte en gestileerde met zo’n pastelkleurige zee. Meer aards.

Ik denk dat Botticelli de aarzeling er ook goed in verwerkt zou hebben. Dat je je op oudjaarsavond in bravoure en baldadigheid iets hebt voorgenomen en dat je ’s morgens denkt: waarom ook alweer?

Aarzeling

Maar ja, je bent veertien, vijftien en dan is die prefrontale kwab nog zo fris en nieuw. Het knopje ‘bedachtzaam’ ligt vlak naast het knopje ‘doodsverachting’ en de kleur rood staat nog niet voor gevaar, maar voor een algehele sensatie van onsterfelijkheid. Helemaal als je met z’n tweeën bent.

Aanloop

Alle foto’s door huisfotograaf Louwrents R.

De omstandigheden moeten verder zo’n beetje hetzelfde geweest zijn als bij de geboorte van Venus, vermoed ik. Zo veel had Botticelli niet eens hoeven veranden. De goden Zephyr (aka ‘westenwind’) en Aura (‘koele morgenbries’) had hij prima kunnen laten staan daar links. Maar ik weet zeker dat hij ze anders afgebeeld zou hebben.

Meer ‘wind’ in westenwind.

Zephyr

En een zachter morgenbriesje.

Ik wens je een prachtig, nieuw, versgeboren 2014.