Foto: de Volkskrant, 11 april 2018.

‘Inspectie slaat alarm: onderwijs glijdt af.’

‘Vooral lezen en rekenen punten van zorg in onderwijs.’

‘Het onderwijs in Nederland holt al twintig jaar achteruit. Inmiddels komen er jaarlijks 3.500 leerlingen van de basisschool af die – na acht jaar les – niet goed kunnen lezen. Die scholieren zijn laaggeletterd; een stapje boven analfabeet.’

‘Op het gebied van lezen is er een sterke achteruitgang te zien. Dat hangt deels samen met matige betrokkenheid die leerlingen voelen bij de leesles.’

‘Een verklaring voor de sterke daling heeft de inspectie niet. “We dachten eerst bijvoorbeeld dat de groep laaggeletterden asielzoekerskinderen waren, maar die zijn buiten beschouwing gelaten in dit onderzoek,” stelt een woordvoerder.’

Een greep uit Volkskrant, Nu.nl, AD en Trouw deze week. Zo zie je maar, let je even niet op, loopt het meteen uit de klauwen.

Die twintigjarige neerwaartse spiraal krijg je niet weg met zuchten, zuren en hoofdschudden. Want of je kind nou op school zit of op een zeilboot buiten de vaderlandse territoriale wateren vaart, of je thuisonderwijs geeft in een Hollandse stadswijk of in ruraal Friesland, we weten allemaal allang wat we moeten doen. Lezen, lezen, lezen en voorlezen.

Weet u het nog? Een kwartiertje lezen per dag, zorgt voor duizend nieuwe, extra woorden per jaar.

Dat is geen punt van discussie en het is ook geen goedbewaard geheim; iedereen is het erover eens en iedereen weet het: als je wilt dat mensen kunnen lezen, moet er gelezen en voorgelezen worden. Daar is geen innovatieve onderwijsmethode of kunst- en vliegwerk bij nodig, want dat resulteert alleen maar in die ‘matige betrokkenheid die leerlingen voelen bij de leesles’. Het enige wat ervoor nodig is, is: tijd om samen door te brengen en mooie boeken.

Ik heb uit mijn geheugen en halfvergane conceptstukjes wat titels opgeduikeld, om ideeën op te doen. Er zitten heel oude boeken bij en heel nieuwe, voor jonge kinderen en oudere, maar alle boeken hebben gemeen dat wij ze mooi vonden. Ik heb getwijfeld of ik ze zou sorteren op ‘nog leverbaar’ en ‘wordt schandalig genoeg niet meer uitgegeven’, maar uiteindelijk ben ik gegaan voor een indeling op ongeveer-leeftijd. En wat betreft alle uitverkochte exemplaren wil ik maar zeggen: lang leve de bibliotheek.

We beginnen met de kleintjes. Deze zag ik in de bak met prentenboeken in de bibliotheek en ik vroeg me af: waar was Mo Willems al die tijd? Blijkt dat hij er al jaren is, maar me niet was opgevallen tussen de vierhonderdduizend beertjesboeken met variaties op hetzelfde thema.

Stuur die duif op tijd naar bed! is een voorleesboek in het interactieve genre – de voorgelezene functioneert als babysitter van een eigenwijze duif. De duif moet naar bed, maar verzint allerlei uitvluchten om niet te hoeven slapen. Aan de lezer om de poot stijf te houden – succes verzekerd.

De duif-reeks bestaat uit een stuk of negen deeltjes, maar in het Nederlands is alleen nog vertaald: Laat die duif niet achter het stuur! waarbij een buschauffeur vraagt of je op zijn wagen wil letten, terwijl de duif je probeert over te halen om even te mogen rijden.

Het verbaast me dat er niet meer van Mo Willems in het Nederlands taalgebied is genesteld. The Pigeon Needs a Bath en The Pigeon Wants a Puppy lijken me bijvoorbeeld net zo leuk.

Het wordt dus uitwijken naar de originele versies van Willems. Ze zijn trouwens ook kort genoeg om al lezende te vertalen. En alleen al vanwege de titel wil ik deze dan ook lezen: Edwina, The Dinosaur Who Didn’t Know She Was Extinct.

Dan Het boek zonder tekeningen van B.J. Novak. Na drie jaar sudderen in mijn conceptenmap is de bekendheid van het boek allang tot grote hoogten gestegen, maar als je het nog niet kent: blader ‘m voor het lezen eerst zelf door, zodat je weet wat er van je verwacht wordt. Het boek drijft namelijk op de voorlezer. Bij Victoria (destijds 4) was het een hit. Inmiddels hebben wij hem zo vaak gelezen dat zelfs mijn puikste Toon Hermans-timing nauwelijks nog effect sorteert, maar de kleuterziel indachtig zal ik er over een paar maanden vast opnieuw een poelifinario mee in de wacht slepen.

Och, deze is zo leuk: De kat van Saar van Emily Gravett. Ik zeg er verder niks over, maar de tekst en tekeningen zijn, zoals het een goed prentenboek betaamt, een echte eenheid.

Ssst! We hebben een plan van Chris Haughton. Favoriet van Jakob (2). We kenden Haughton natuurlijk al van Mama kwijt en dit is in dezelfde repeterende stijl. De ene keer werkt het beter dan de andere (Stoute hond! en Welterusten allemaal vind ik minder geslaagd), maar deze is heerlijk. Prachtige platen ook.

Nog meer mooie tekeningen in Hoera, er is post! van Marianne Dubuc. Victoria (toen 4) raakte niet uitgekeken en wij voorlezers gingen er graag nog eens voor zitten. De tekst had weggelaten mogen worden, al is die niet storend; maar de prenten doen het echte werk. Postbode Muis brengt de post rond; niks geen e-mails, maar heuse brieven en pakketjes aan de deur (postbode Slak was nog leuker geweest voor de snailmail, bedenk ik nu) en wij mogen meekijken in de huizen van de geadresseerden.

Het konijn heeft een daktuintje, waardoor de worteltjes en radijzen uit het plafond groeien, de ekster verschuilt zich in de boomkruin boven zijn eigen ‘Gezocht!’-poster en de vlieg woont in een drol.

Nu we het toch over Dubuc hebben, De leeuw en het vogeltje is natuurlijk ook prachtig. Het thema is zo oud als de weg naar Rome: vriendschap, afscheid en hoop, maar dan met tekeningen waar je naar blijft kijken. Een verstilde, lieve schoonheid.

Het volgende prentenboek lazen we al met Jetje (momenteel een heuse Jet van 16), maar blijft tijdloos: Jamela’s jurk van Niki Daly. Onbegrijpelijk dat sommige boeken niet blijvend in druk zijn. Het heeft alles: een echt kind, een herkenbare gebeurtenis, veel blijheid en goede wil, een klein crisismoment, groot verdriet, troost, een oplossing, uitbundige verzoening en opnieuw blijheid. En dat allemaal in illustraties en kleuren die zo van de bladzijde je hart in glijden.


Mollenstad van Torben Kuhlman. Z’n andere boeken zijn even adembenemend geïllustreerd, maar deze spreekt hier het meeste aan. Vooral mijn esthetisch-poëtische achttienjarige is gecharmeerd van de beeldende geschiedenis: het prille begin op een grasveld in de lentezon, daaronder de eenvoudig gelukkige, vredige mollengemeenschap die langzaam uitgroeit, via industrialisatie en voortschrijdende technologie, tot een bureaucratische moloch van individualistische wezens die aan zichzelf zijn overgeleverd. Maar gewoon aangeklede molletjes bekijken met je vierjarige is ook leuk.

Vast van Oliver Jeffers (hij van de tekeningen bij De krijtjes staken). De vlieger van Fred zit vast in de boom. Fred gooit zijn schoen om de vlieger los te krijgen, maar de schoen blijft ook steken. Dan gooit Fred de kat naar boven.

Jeffers heeft meer parels: Once Upon An Alphabet en gelukkig ook eindelijk vertaalde Die eland is van mij en Het hart in de fles (die laatste is lief bij groot en klein verdriet). Maar Vast is gezellig voor iedereen vanaf een jaar of drie. Zoals de schrijver zelf zegt: ‘Het boek gaat over het oplossen van een groeiend probleem door er dingen naartoe te gooien.’ Wie herkent het niet?

Niet brullen in de bieb van Michelle Knudsen en Kevin Hawkes (ill.). Een instant-klassieker. In mijn beleving was het boek al vijftig jaar oud, ben ik er zelf mee opgegroeid en lezen we het sinds mensenheugenis voor, maar ik zag dat laatst dat ie pas uit 2007 was. Zo’n boek dus.

Deze is ook zoet: Sidewalk Flowers van JonArno Lawson en Sydney Smith (ill.). De maatschappijkritiek ligt er als een laag geraffineerde kristalsuiker bovenop, maar dat geeft niks. Het blijft een lief verhaal over een meisje dat met haar vader door de stad wandelt.

De vader loopt routineus, schijnbaar uit gewoonte, is in gedachten of praat door zijn telefoon. Beetje gedateerd inmiddels, want wie praat er nog in de telefoon als je ook lekker vrijblijvend kunt appen, maar dat wisten ze in 2015 nog niet. De vader heeft weinig gerichte aandacht voor zijn dochter, maar houdt haar wel bij de hand en wacht als zij ergens blijft hangen. Een doordeweeks wandelingetje van school naar huis, een automatisme. Het meisje plukt ondertussen overal bloemetjes langs het trottoir. Zoals dat gaat met kleine kinderen: ze heeft oog voor het kleine, de schoonheid tussen de tegels.

Het boek is woordloos, dus het maakt niet uit of je de originele of de vertaalde versie neemt. Zelf vind ik de Nederlandse titel Blommetjes minder goed passen, omdat het de associatie oproept van ome Piet die een ruiker haalt voor tante Sjaan bij bloemboetiek ‘De Lelie’, maar dat is vast persoonlijk. Sidewalk Flowers dekt de lading in ieder geval zeker.

Nu we weer een voorleesbaar jongetje in huis hebben, is het zaak om boeken in huis te halen met grondverzetmachines, vrachtwagens en 112-voertuigen. Als je een combinatie daarvan treft, een verhaal op een bouwerf met én een hijskraan én een politieauto, dan weet je vrij zeker dat het in de roos is. Mooi tegenwicht voor de bloemetjes, muisjes, leeuwtjes en Jamela’s jurkjes: Kom uit die kraan!! van Tjibbe Veldkamp en Alice Hoogstad.

Geen lijstje compleet zonder Sylvia Vanden Heede. Deze keer met illustraties van Benjamin Leroy: Een afspraakje in het bos. Ik citeer gewoon het begin, dan weet je genoeg.

‘Ik heb een afspraakje’, fluisterde de vleermuis. 
Ze hing boven de tak waarop de ijsvogel zat. En ze bloosde een beetje.
De ijsvogel keek misprijzend naar omhoog.
‘Alweer? Laat me raden. Deze keer is het de koperwiek. Of nee, de tapuit of misschien de roerdomp wel. Waarom blijf je niet bij je eigen soort?’
‘Maar dat doe ik ook!’ piepte de vleermuis en ze bloosde nog dieper. Wat had ze ooit in de ijsvogel gezien?

En vers van de pers meteen ook deze maar, het Feestboek van Vos en Haas.

Een beetje dezelfde thematiek als Sidewalk Flowers hierboven, maar dan op de onnavolgbare wijze van de grande dame van het eenlettergrepige woord. Er is feest in het bos, want Piep, Tok en Iek zijn op visite.

Iedereen lacht en praat en heeft plezier.
Maar Iek niet.
Iek zit onder een boom met draadjes in zijn oren.
Hij kijkt naar een ding dat ‘ping’ zegt.
‘Dat is zijn smartfoon’, legt Tok uit.
‘Daarmee zit hij op zijn feesboek.’
Uil vindt het maar gek.
Op een boek zit je niet.
Daar heb je stoelen voor! 

De kinderen van Bolderburen van Astrid Lindgren. Behoeft geen aanbeveling, maar ik zet hem erbij als herinnering. Voor een verhaaltje tussendoor. Of een verhaaltje op een zomeravond. Verhaaltje op een druilerige middag. Verhaaltje om te lachen. Verhaaltje voor het slapengaan. Ook handig met logees, zodat ze niet halverwege in het vaste voorleesboek vallen. En natuurlijk ook geschikt als zelfleesboek: Cato (11) heeft hem pas nog in anderhalve dag uitgelezen.

Non-fictie van de bovenste plank: Onder de grond, onder water van Aleksandra en Daniel Mizielinscy. Atlas was al zo mooi, maar deze is nog beter. Van zoet water en zout water, van vulkanen en mierenhopen, aardgas en riolering, diepzeevissen en boorplatformen – zonder dat het een inhoudsloos samenraapsel is. Als je een kind een maand naar een onbewoond eiland stuurt met alleen dit boek, dan heb je de helft van alle kerndoelen basisonderwijs in de tas.

En dan Toon Tellegen. Ach, Toon Tellegen. Al die herfstochtenden met de Eekhoorn en de Mier. Al die autoritten naar de geitenboerderij en het zoveelste uitje met thuisonderwijskinderen, met een klein Philipje op de achterbank, terwijl we samen de heen- en terugreis lang luisterden naar de stem van Tellegen zelf:

‘Ik heb een keer mijn reuk gebroken’, zei de krekel.
‘Je reuk? Hoe kan je die nou breken?’ vroeg de eekhoorn.
‘Alles kan breken’, zei de krekel. ‘De grond, de golven, de stilte, je voet, je stem. Dus ook je reuk.

Toon Tellegen is goed voor iedere gelegenheid. En nu is er Op een ochtend, vroeg in de zomer, met een traktatie aan tekeningen van Sylvia Weve. Ik moet er eerlijkheidshalve bij zeggen dat Philip (nu 18) meteen ook m’n énige kind is dat Toon Tellegen op waarde weet te schatten. De rest zit hem min of meer uit. Beleefdheidshalve luisteren ze naar twee verhalen. Drie als ik er thee en koekjes tegenaan gooi. Dan is hun eekhoorn-everzwijn-olifant-aardvarken-taks bereikt en kan ik het rollen der ogen niet langer negeren. Maar het is de moeite waard.

De allerbeste combinatie met illustrator Jean-Jacques Sempé blijft natuurlijk Goscinny, want dan krijg je een kleine Nicolaas, maar deze mag er ook zijn: De kleine ballerina van Sempé met Patrick Modiano. Een prentenboek voor grotere kinderen (vanaf een jaar of negen) en volwassenen, met weemoedige tekeningen van een voorbij Parijs uit de jaren vijftig van de vorige eeuw.

Brendon Chase, drie jongens overleven in het bos van B.B. (pseudoniem van Denys Watkins-Pitchford). Een onvervalst avontuur, na zeventig jaar eindelijk vertaald in het Nederlands. Het boek werd in Engeland uitgegeven in 1944, maar het verhaal van de drie broers (15, 13 en 12 jaar) speelt zich eerder af, in een niet nader genoemd jaar – waakzame lezers denken dat het 1922 moet zijn, want in het boek komt een brief voor die geschreven is op een vrijdag, en gedateerd wordt op 20 oktober. Kwestie van opzoeken. Brendon Chase stamt in ieder geval uit de tijd waarin jongens nog in bossen rondstruinden, wegliepen van oude tantes, hutten bouwden in oude eikenbomen en kleren maakten van dierenpelzen, overlevend op zelfgevangen wild en vis.

Jef Aerts, Vissen smelten niet. Ik heb getwijfeld of ik deze zou noemen, want Jette vond het een vervelend boek. Maar ja, tegenover ieder anekdotisch bewijs kun je een tegenbewijs zetten, en ik vond het boek wel mooi, dus ik noem hem toch. Beetje surrealistisch (het landschap), beetje verdrietig (een depressieve vader), beetje ongeloofwaardig (de clou) en toch een mooi, ontroerend verhaal over familie, vriendschap, moed en ach, die grootste aller dingen: de liefde.

Deze vond Jet dan weer wel mooi: Lieve Langbeen van Jean Webster. Hartstikke oud, maar niet stoffig. Een klassieker dus – op alle internationale leeslijsten te vinden als Daddy Longlegs. Voor dromerige meisjes vanaf een jaar of 13, 14, 17, 25.

Shel Silverstein, Lafcadio, de leeuw die terugschoot. Ik dacht dat mijn herinneringen aan dit boek vooral gekleurd waren door een heerlijke kampeervakantie in Limburg twee jaar geleden, maar toen ik laatst aan hen vroeg wat zij ook alweer zo leuk vonden aan het boek, waren ze nog steeds allemaal onverminderd enthousiast: het is vooral zo grappig. En dat is het ook. Dat ik het verhaal onmiddellijk associeer met zoele, harmonieuze zomeravonden, rode wijn, doorlezen onder de luifel boven het geraas van regen uit terwijl een juli-onweersbui de lucht klaart, en ontbijten met broodjes uit het campingwinkeltje, dat is maar bijzaak. Silverstein is een rasverteller en Lafcadio is daar een vrucht van.

Geen week zonder gedichten en met deze kun je maanden vooruit: Rond vierkant vierkant rond van Ted van Lieshout. Zo veel poëzie dat je vanzelf alles gaat zien in trocheeën, jamben en anapesten. Cato, Philip en Jet (destijds respectievelijk 9, 17 en 14 jaar) pakten het boek onafhankelijk van elkaar uit de stapel bibliotheekboeken. Zo handig, vonden ze alledrie, die uitleg over dichtvormen en versvoeten. Fascinerend om de dichter al schrappend en verbeterend aan het werk te zien. En het geeft de burger moed, want zo zie je dat je niet als Vasalis geboren hoeft te worden en de gedichten poef, kant en klaar te voorschijn komen. Het is vakmanschap. En vakmanschap kun je leren. Leg er wat Annie M.G. bij, wat Bette Westera en een bloemlezing met een beetje Elsschot, Nijhoff, Bloem en Beets, en Ted van Lieshout laat zien hoe het komt dat je zo verrast of ontroerd wordt, of waarom je moet lachen. Een dichter wil dat je ‘de woorden proeft alsof je ze nooit eerder gezien hebt.’

Meer inspiratie nodig? Pak dan Het boekenboek van Mirjam Noorduijn en Veerle Vanden Bosch. Half internet in één boek. Nou ja, bijna het halve internet. Een beetje Amazons Listmania in boekvorm. Heel veel jeugdboekentips, waarbij je van de ene favoriet naar de andere vergeten klassieker linkt. Hier kun je 24 pagina’s in pdf bekijken.

Zo is de eerste trede in de opwaartse spiraal al in de tas: mooie boeken. Nu alleen nog die tijd samen doorbrengen.

Storm na de stilte

27 september 2014


Terwijl ik bezig was met het nakijken van de 8000 woorden die naar de Tweede Kamer zouden gaan voor het debat van aanstaande maandag, bedacht ik hoe bizar het allemaal is.

De wereld staat in brand, hele volkeren weten niet waar ze het zoeken moeten, Nederland moet alle zeilen bijzetten, en waar wordt aanstaande maandag door onze regering zeven uur lang over gedebatteerd? Of 400 kinderen met toegewijde ouders het onderwijs mogen krijgen waarop zij floreren.

De hete aardappel van het onderwijsbeleid die wordt doorgegeven om je vooral niet druk te hoeven maken over grotere dingen. En waarom is het een hete aardappel? Omdat iedereen, ook alle leden van de vaste Kamercommissie van OCW, wel weet dat thuisonderwijs prima is. Iedere keer stelt iemand weer een onderzoek voor, om het nou eens écht zeker te weten, en iedere keer blijkt, jawel, dat het inderdaad uitstekend gaat. Goed onderwijs, betrokken ouders, groot netwerk, maatschappelijk betrokken kinderen, sociaal-emotioneel prima.


Weet u nog dat Jet in de Tweede Kamer was? En hoe ze zich later verraden voelde door de SP? Dat was 2011. De minister besloot, nadat zij uitgebreid onderzoek had laten doen, dat thuisonderwijs goed was en dat het beter geregeld moest worden. Maar ja, toen kwam er een nieuwe regering. En toen werd het 2013 en begon het hele circus opnieuw.

Weer brieven, weer een petitie, weer een onderzoek. Twee dertienjarige meisjes die eindexamen gymnasium deden schreven staatssecretaris Dekker en mevrouw Straus van de VVD, om te vertellen wat thuisonderwijs voor hen betekent. Zes prominente wetenschappers op het gebied van Onderwijs- en Opvoedkunde schreven een brandbrief om te pleiten voor thuisonderwijs.

Er werden werkbezoeken georganiseerd om politici te laten kennismaken met thuisonderwijsgezinnen en een dagje mee te lopen. Het feit dat sommigen daar tijd voor vrijmaakten


en PvdA en VVD er niets van wilden weten, was veelzeggend.

Ondertussen emigreerden gezinnen naar Engeland, Frankrijk en België, zoals dit gezin uit Assen, dat gewoon goed onderwijs wilde voor haar dyslectische zoon. En gezinnen met ‘lastige’ kinderen zijn niet de enige die zullen emigreren.

‘Verbied thuisonderwijs niet, het jaagt waardevolle gezinnen weg’

Gisteren verscheen in NRC een paginagroot artikel van Daniel Erasmus, een succesvolle expat die zich ook zorgen maakt over een dreigend verbod.  Hij schrijft over de expats die Nederland hebben uitgekozen vanwege het klimaat van tolerantie én de mogelijkheid om thuisonderwijs te geven: ‘Laten we de traditie voortzetten en zeker stellen dat Nederland de beste optie blijft voor deze waardevolle gezinnen om zich hier te komen vestigen.’

Erasmus noemt het voorbeeld van grote namen uit Silicon Valley die iedere school ter wereld kunnen betalen en er toch voor kiezen om thuisonderwijs te geven:

‘Waarom zou Jeff Bezos [oprichter van Amazon] met zijn twintig miljard dollar zijn kinderen thuisonderwijs geven? Wat weten hij en zijn vrouw Mackenzie wat u niet weet? Zij weten dat de toekomst van het onderwijs ligt in de som van ontdekkingen die thuis gedaan worden –niet in de hagelwitte papieren van het overheidsbeleid.’

Mocht je toevallig dit weekend op het hockeyveld Loes Ypma tegen het lijf lopen, of Sander Dekker, Ton Elias of Karin Straus in de concertzaal, wil je ze dan over ons vertellen? Er is een grote kans dat er maandag korte metten gemaakt gaat worden met de hete aardappel. Ondanks de openheid, ondanks de positieve onderzoeken, ondanks bezorgde expats, ondanks politici van CDA, PVDD, PVV, SGP en CU die bereid waren om zich in te lezen en op bezoek te komen en ondanks hoogleraren Onderwijs- en Opvoedkunde die zich zorgen maken over de teloorgang van de vrijheid van onderwijs.

  • ‘Verbied thuisonderwijs niet, het jaagt waardevolle gezinnen weg’ door Daniel Erasmus verscheen op 26 september 2014 in NRC Handelsblad. Te lezen via de NRC-site (betaalmuurtje van 29 cent) of hier via blendle.nl. Als je je aanmeldt bij Blendle krijg je 2,50 euro om artikelen te lezen.
  • Zie ook ‘Een week uit het leven van …’ voor een ieder die niet op werkbezoek is geweest maar toch wil zien hoe een weekje thuisonderwijs in zijn werk gaat.

Ondertussen

25 november 2013

Voor je het weet ben je zomaar drie weken en tien jaar verder. Wat is er allemaal gebeurd?

Best veel. Jette is twee hoofdstukken opgeschoten in haar wiskundeboek, Victoria heeft vijftig nieuwe woorden geleerd, waaronder ‘Sinterklaasjournaal’ en ‘flashmob’ (uitspraak nog niet helemaal vlekkeloos), Philip heeft de nominativus en accusativus tot zich genomen en Cato heeft alle boekjes uit de thrillerserie van Juf Fiep gelezen (waarmee we naast Sylvia Vanden Heede officieel Corien Oranje aan de ultrakorte whitelist van leuke AVI-schrijvers hebben kunnen toevoegen).

O ja, en dan was er nog de Toestand. Eigenlijk ben ik er wel klaar mee. Maar ja, je kunt geen blog over thuisonderwijs in stand houden zonder thuisonderwijs. En als je een klein groepje bent (250 gezinnen met zo’n 400 kinderen in totaal) dan zul je het voor jezelf moeten opnemen. Dat is geen zieligdoenerij, dat is gewoon de consequentie van een minderheid zijn; een onbekende, niet al te sexy minderheid. Als je jezelf niet verdedigt, zal niemand anders het doen.

Dus hebben we het de afgelopen weken wat luider voor onszelf opgenomen (als ooit nog iemand zegt dat ik met thuisonderwijs te veel in mijn comfortzone blijf zitten, bijt ik hem in zijn oor).

We brachten bezoekjes aan politieke partijen, praatten mee in radioprogramma’s en ontvingen journalisten en fotografen thuis.

Foto: Werry Crone

Een werkgroep thuisonderwijzers besloot een flashmob te organiseren. Actievoeren is niet mijn ding, maar als er gedanst wordt, heb ik gezinsleden die daar geen weerstand aan kunnen bieden.

Klappen met een sjaal in je hand vergt oefening. Jet blauwe sjaal, Cato rechtsonder met roze. Foto: ikkrijgthuisonderwijs.nl

Dus werd er gerepeteerd. Nog eens en nog eens en nog eens.

Foto: ikkrijgthuisonderwijs.nl

Totdat de choreografe zag dat het goed was. Toen mochten ze dansen. Eerst bij het Binnenhof en later op station Den Haag Centraal.

Foto: Cathelijne X

Hier een filmpje van de flashmob in vijf minuten. Wat ik verbazingwekkend vond, was dat zo’n kleine groep thuisonderwijzers zo’n verscheidenheid aan beroepen in zich herbergt. Ik kende al psychiaters, biologen, pedagogen, pabo’ers, economen, scheikundigen, jeugdwelzijnswerkers, een raketgeleerde van ESA en een cassière van Albert Heijn, maar ik wist niet dat er ook professionele dansers bij zaten, en grafisch vormgevers. En beveiligingsagenten in spe.

Samen met jongens uit zijn thuisonderwijsgroep maakte Philip deel uit van de security tijdens de flashmob.
Foto: Michelle vdB

Ik zei dan wel dat wij onszelf alleen verdedigen, maar dat is niet helemaal waar. De laatste weken waren er veel mensen die niets met thuisonderwijs hebben en zich toch belangeloos inzetten, omdat zij vonden dat het onderwerp dit piepkleine groepje overstijgt en de algemene vrijheid van onderwijs en opvoeding raakt. Mensen die brieven stuurden naar kranten en politici, vrije dagen namen om te helpen bij de flashmob, mensen zoals jullie, die de moeite namen om de petitie voor ons in te vullen. Die petitie werd trouwens op 14 november overhandigd. 3501 handtekeningen waarvoor, om met de Wilde Ganzen te spreken, onze hartelijke dank.

Ten slotte was er nog een bijzonder gezelschap dat het voor ons opnam. Het waren zes Nederlandse wetenschappers, onder wie hoogleraren Opvoedkunde, Onderwijsrecht en Onderwijskunde die een verklaring opstelden tegen het voornemen van de staatssecretaris om thuisonderwijs af te schaffen. Een soort brandbrief: ‘Thuisonderwijs heeft ook in Nederland recht van bestaan’.

Klik voor pdf

In de brief weerleggen zij punt voor punt alle bezwaren van de staatssecretaris en leggen zij, ook aan sceptici, uit waarom thuisonderwijs niet verkeerd is en waarom het nooit om grote aantallen zal gaan.

Bijzonder hè? Het is een beetje alsof de Bond van Slagers het opneemt voor een groepje vegetariërs dat gedwongen gaat worden vlees te eten. Zes deskundigen die er niets bij te winnen hebben om hun nek uit te steken, die niet betaald worden door lobbyisten of multinationals en zich zomaar uitspreken voor een onderwijsgroep waar nogal wat misverstanden over bestaan. Niet iets waar je als wetenschapper aanzien mee verwerft. Dat zullen zij alleen doen als zij ervan overtuigd zijn dat er echt iets verloren gaat met het verbieden van thuisonderwijs.

  • De Tweede Kamer gaat zich in januari buigen over het onderwerp en zal dan beslissen of thuisonderwijs mag blijven bestaan in Nederland. Het ziet er slecht uit: een meerderheid in zowel Tweede als Eerste Kamer wil een verbod – een wetswijziging kan er dus snel doorheen zijn. Dit komt doordat de VVD, die twee jaar geleden uitgesproken vóór thuisonderwijs was en de vrijheid van onderwijs hoog in het vaandel droeg, zonder opgaaf van reden van mening veranderd is.

‘Ieder kind het beste uit zichzelf laten halen. Dat is de kern van het onderwijs,’ schreef staatssecretaris Dekker vorige maand in de Volkskrant. Het onderwijs moet flexibeler, meer aan het kind aangepast. Daar zal geen juf of meester het mee oneens zijn. Maar als je de touwtjes aan elkaar moet knopen met rugzakbandjes en je kostbare tijd moet verdelen tussen 32 kinderen én mijnheer Cito die van dag tot dag wil weten of je de leerlijn er al ingemasseerd hebt, dan is het soms lastig om flexibel te zijn.

Zelf vind ik thuisonderwijs bij uitstek geschikt voor kinderen die moeite hebben met de reguliere lesstof. Maar voor kinderen die veel méér kunnen, kan het ook een goede optie zijn. Deze brief kreeg ik van twee veertienjarige, Nederlandse meisjes die in het buitenland wonen. Ze hebben hem al aan staatssecretaris Dekker en Karin Straus van de VVD gestuurd, maar ik mocht hem hier ook plaatsen. Dank jullie wel, Anne-Sophie en Rosamond!

Geachte staatssecretaris Dekker,

Wij zijn twee leerlingen in de zesde klas van het gymnasium en krijgen al bijna vier jaar thuisonderwijs. Hier hebben wij en onze ouders om verschillende redenen voor gekozen. Ten eerste hebben wij op onze openbare basisschool allebei twee groepen overgeslagen, omdat we voor liepen op onze leeftijdsgenoten. Op de middelbare school begon het werk alweer minder uitdagend te worden, maar we wilden niet nogmaals versnellen om in de klas te komen bij leerlingen van drie à vier jaar ouder dan wij. Thuisonderwijs was hiervoor de perfecte oplossing. Daarnaast zijn wij meerdere malen internationaal verhuisd sinds we op de middelbare school zitten. Omdat we uiteindelijk een Nederlands diploma wilden behalen, kozen we er toen voor om Nederlands onderwijs te blijven volgen via de Wereldschool. We volgden met de Wereldschool afstandsonderwijs voor een aantal vakken, maar voor andere vakken kozen we voor thuisonderwijs. Zo hadden we voor Latijn en Frans privéleraren en kregen we voor wiskunde, Engels en Duits les van onze moeder. Deze combinatie van afstands- en thuisonderwijs gebruiken wij nog steeds.

Thuisonderwijs heeft het voor ons mogelijk gemaakt om meer te doen en beter te presteren dan wanneer we op school zouden zitten. Zo hebben we op dertienjarige leeftijd met goede resultaat het staatsexamen biologie kunnen maken en het jaar daarna de examens Engels, ANW, scheikunde en geschiedenis. Als we aan het eind van dit schooljaar onze diploma behalen, zullen we vijftien zijn. Verder hebben we allebei een driedubbel profiel kunnen kiezen, terwijl dit op de meeste scholen niet kan in verband met roosters en lestijden. Doordat we niet aan een schoolrooster gebonden zijn, maar onze tijd zelf kunnen indelen, hebben we bovendien tijd om op wedstrijdniveau te roeien, ieder twee muziekinstrumenten te beoefenen en in twee verschillende koren te zingen. Het zou niet mogelijk zijn om dit allemaal te doen als we op school zaten.

Het recht op thuisonderwijs is in Nederland al zeer beperkt vergeleken met andere landen. Sinds 1969 is het geven van thuisonderwijs alleen mogelijk bij een vrijstelling van de leerplicht op grond van richtingsbezwaren tegen scholen in de omgeving. Nu zijn er plannen om dit recht nog sterker in te perken en thuisonderwijs zelfs illegaal te maken. In uw brief aan de Tweede Kamer van 13 juli 2013 schrijft u dat u de vrijstelling op grond van richtingsbezwaren wil laten vervallen en hiertoe een wetsvoorstel zal voorbereiden. Wij vinden dat het recht op thuisonderwijs een belangrijk aspect van de onderwijsvrijheid is dat niet afgenomen mag worden.

Helaas heeft de ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geen waardering voor deze vorm van onderwijs. In uw brief voert u twee hoofdbezwaren ertegen aan. Ten eerste zou het nadelig zijn voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van een kind en ten tweede zou er geen duidelijkheid zijn over de kwaliteit van het onderwijs. Toezicht van de overheid op het thuisonderwijs vindt u geen goede oplossing voor dit tweede bezwaar.

U bent naar eigen zeggen ervan overtuigd dat ‘de dagelijkse gang naar school essentieel is voor de brede sociaal-emotionele ontwikkeling van ieder kind’. U meent dat kinderen op school leren omgaan met anderen en leren dat zij onderdeel uitmaken van een brede maatschappij. Bij thuisonderwijs zou het kind ‘de kans op een brede sociaal-emotionele ontwikkeling die kenmerkend is voor het schoolonderwijs [worden] onthouden’. Schoolgang is echter lang niet de enige of de beste manier om zich sociaal-emotioneel te ontwikkelen. Contact met anderen kan ook buiten school plaatsvinden, bijvoorbeeld bij sportverenigingen of koor- of orkestrepetities. Een kind kan zich sociaal-emotioneel ontwikkelen en ontplooien zonder de invloed van een school. Bovendien is de klas geen weerspiegeling van de maatschappij. Op school zit een kind elke dag samen met dezelfde groep van 25 leeftijdsgenoten en dezelfde volwassenen. Op de middelbare school bestaat deze groep ook nog uitsluitend uit mensen die een ongeveer gelijke academische capaciteit hebben. Op school hebben kinderen dus vooral contact met een beperkte groep, die op henzelf lijkt wat betreft leeftijd en schoolniveau. Een thuis onderwezen kind dat dagelijks omgaat met buren, teamgenoten, vrienden en anderen in zijn omgeving zal niet minder sociaal-emotionele stimulatie krijgen dan een leeftijdsgenoot die naar school gaat. Uit een onderzoek uit 1997 naar thuis onderwezen kinderen in de Verenigde Staten is gebleken dat deze kinderen regelmatig deelnemen aan gemiddeld 5,2 activiteiten die buitenshuis plaatsvinden, zoals sport of vrijwilligerswerk1). 98% van thuis onderwezen kinderen nam regelmatig deel aan twee of meer activiteiten. Wij hebben zelf dagelijks contact met vrienden en anderen door onze muzikale en sportieve activiteiten.

Verder heeft u bezwaar tegen de onduidelijkheid omtrent de kwaliteit van het onderwijs bij vrijstelling van de leerplicht. U wijst erop dat ouders bij vrijstelling niet verplicht zijn om voor vervangend onderwijs te zorgen. Ook als zij dat wel doen, is er geen toezicht op de kwaliteit van dit onderwijs. De Onderwijsraad adviseert de overheid om kwaliteitseisen aan en inspectietoezicht op het thuisonderwijs in te voeren. U vindt dit voorstel onwenselijk, omdat de overheid in dat geval verantwoordelijkheid zou moeten nemen voor de kwaliteit van thuisonderwijs en omdat u verwacht dat overheidstoezicht op thuisonderwijs moeilijk uitvoerbaar zou zijn.

Onzekerheid over de kwaliteit van het thuisonderwijs is geheel onnodig. Keer op keer blijkt dat thuis onderwezen kinderen bovengemiddeld presteren vergeleken met kinderen die naar school gaan. In het eerder genoemd onderzoek uit 1997 scoorden kinderen die thuisonderwijs kregen gemiddeld tussen het 80e en het 87e percentiel op nationale toetsen, terwijl het 50e percentiel de norm is op scholen. Volgens een onderzoek uit 2009 haalden thuis onderwezen kinderen scores van het 84e tot het 89e percentiel2). Factoren zoals het inkomen of opleidingsniveau van de ouders hadden weinig invloed op deze hoge scores. De kwaliteit van thuisonderwijs is over het algemeen dus juist beter dan die van schoolonderwijs.

Bovendien blijkt overheidstoezicht op het thuisonderwijs helemaal geen invloed te hebben op de kwaliteit. In het hierboven genoemd onderzoek uit 2009 vergeleken onderzoekers testresultaten van thuis onderwezen kinderen uit deelstaten die veel of juist weinig toezicht houden op thuisonderwijs. De scores bleken onafhankelijk te zijn van de mate van overheidstoezicht. Het is dus niet nodig om toezicht te houden op de kwaliteit van het onderwijs. Als toezicht op thuisonderwijs toch gewenst is, dan hoeft dit niet zo moeilijk uitvoerbaar te zijn als u verwacht. Alle thuisonderwijzers van Nederland zijn al bekend bij de overheid. Het is niet moeilijk om te eisen dat alle kinderen vóór hun negentiende een diploma moeten behalen door het staatsexamen af te leggen. Een andere oplossing zou zijn om gezinnen die voor thuisonderwijs kiezen te verplichten tot een jaarlijks gesprek met een leerplichtambtenaar, waarbij de ouders een portfolio met het recente werk van de kinderen laten zien en overleggen over een planning voor het komend jaar.

Het is duidelijk dat thuisonderwijs een succesvolle onderwijsvorm is die past in een samenleving waar de kwaliteit van het onderwijs een prioriteit is. Wij vinden dat het recht op thuisonderwijs niet alleen behouden, maar zelfs uitgebreid moet worden. Iedereen zou moeten kunnen kiezen voor een vorm van onderwijs die goede academische resultaten oplevert en zoveel mogelijk ruimte laat voor het ontplooien van eigen talenten. Wij hopen dan ook dat de VVD het recht op thuisonderwijs zal steunen.

Hoogachtend,
Anne-Sophie en Rosamond

———————-

1) Strengths of Their Own—Home Schoolers Across America: Academic Achievement, Family Characteristics, and Longitudinal Traits, Dr. Brian D. Ray, 1997

Terug

2) Progress Report 2009: Homeschool Academic Achievement and Demographics, Dr. Brian D. Ray, 2009.

Terug

Thuisonderwijs

14 februari 2011

Eigenlijk hè, eigenlijk wil ik gewoon laten zien wat we doen. Hoe thuisonderwijs kan zijn. Eigenlijk wil ik helemaal niet praten over onderzoek zus en bewijs zo.

Maar dan lees ik dagbladen, luister radiointerviews en zie politici ins Blaue hinein twitteren: ‘Thuisonderwijs slecht plan: slechte kwaliteit’ of  ‘Thuisonderwijs afschaffen, kinderen eerst’. En dan weet ik weer dat het niet genoeg is om alleen maar een huis-tuin-en-keukenonderwijsblog bij te houden.

Ik snap ze wel hoor, de vooroordelen. Ik heb ze zelf toch ook gehad? Ik ben toch ook gewoon naar school geweest? Ik heb toch ook gedacht: ‘Wat raar!’ toen ik voor het eerst over thuisonderwijs hoorde? Zou ik door al die moeite, kosten en kritiek gaan als ik dacht: ‘We gaan er eens lekker op los experimenteren’? Nee toch?

Nee, inderdaad. Toen ik dacht: ‘Wat raar!’, ben ik erover gaan nadenken. Toen ik dacht: ‘Die kinderen worden toch nooit sociaal?’ heb ik boeken gelezen en onderzoeken. Daaruit bleek dat die kinderen uitstekend socialiseren, zich uitstekend ontwikkelen en uitstekend presteren op cognitieve tests.

Weet je, je hoeft niet pro-thuisonderwijs te zijn. Ik wil alleen dat mensen eerlijk voorgelicht worden.

Er is geen enkel onderzoek waaruit blijkt dat de kwaliteit van thuisonderwijs slecht is. Er zijn wel onderzoeken waaruit blijkt dat de kwaliteit van thuisonderwijs zeer goed is. Ik heb voor de gelegenheid een pagina gemaakt met alle Veelgestelde Vragen op een rij en links naar die onderzoeken.

Een paar weken geleden was er een bijeenkomst in een speeltuin in Utrecht. Daar waren 90 kinderen en 45 volwassenen, alle leeftijden door elkaar. Grote kinderen hielpen kleintjes op de glijbaan, durfals gingen met angsthazen in de botsauto’s. Er waren humanisten, joden, moslims, boeddhisten, christenen, holisten en hindoes. Er waren ‘zorgleerlingen’, hoogbegaafde en gemiddelde leerlingen. Er waren kinderen van Nederlandse ouders en van buitenlandse afkomst. Uit kleine dorpen en grote steden. Creatieve kinderen, boekenwurmen, spring-in-‘t-velds en sterrenkenners. Er waren kinderen die aan alles wilden meedoen en kinderen die zich even wilden terugtrekken bij hun vader op schoot. Er waren Catootjes, Philips en Jettes. En niemand maakte daar een punt van.

Soms hè, soms ben ik zo klaar met al die vooroordelen. Want eigenlijk wil ik gewoon thuisonderwijs geven.

Dialoog (2)

5 mei 2010

Okee, voort met de vragen. Hier de vorige post voor wie hem gemist heeft. Of je klikt op de categorie ‘veelgestelde vragen’ in de onderwerpenwolk in de kantlijn.

‘Wat doe je na de basisschoolleeftijd? Je kunt een kind niet eeuwig blijven thuisonderwijzen.’

Ja hoor, dat kan prima. Sterker nog, in veel landen doen kinderen juist het voorgezet onderwijs thuis, nadat ze niet zulke blije ervaringen gehad hebben op de basisschool.

‘Hoe werkt dat dan? Ga jij je kinderen alle vakken van de middelbare school bijbrengen?’

Nee, gelukkig hoeft dat niet. Er zijn verschillende opties. In Nederland is de meest gangbare op dit moment: staatsexamens. Als je drie vakken per jaar doet, ben je in vier jaar klaar met je vwo. Kun je op je twaalfde beginnen en op je zestiende naar de universiteit. Of je begint op je veertiende en gaat op je achttiende studeren. Of je bereidt je voor op een mbo-opleiding. Alles afhankelijk van de persoonlijkheid en capaciteiten van het kind.

Een staatsexamen kun je voorbereiden via LOI, NTI of NHA; dan krijg je al je boeken en word je begeleid door een privéleraar op afstand. Je begint met de vakken waar je goed in bent en kiest ieder jaar nieuwe.

Er zijn ook educatieve uitgeverijen als Noordhoff die digitaal lesmateriaal aanbieden voor een schappelijke prijs. Een licentie voor een jaar en digitale werk- en tekstboeken. Zo’n werkboek kijkt zichzelf na en bevat geluidsfragmenten en videobestanden. Hier een demo voor het vak Frans, methode Grandes Lignes. De methodes van uitgeverij EPN staan hier. Klik op de methode die je wilt inzien, vervolgens bovenaan op ‘Over de methode’ en daaronder op ‘Digitaal lesmateriaal’. De ePacks van uitgeverij Malmberg vind je hier. Per methode kun je linksonder klikken op ‘Demo van het ePack’.

Verder is er de mogelijkheid van schoolonderwijs thuis. Daarbij schrijf je je in op een school die afstandsonderwijs aanbiedt, zoals Clonlara. Zij werken met credit hours, het aantal uur dat je aan een vak besteedt, en maandelijkse rapportages. Aan het eind van de rit heeft je kind een volwaardig high school diploma waarmee het naar een hbo of wo kan.

In Amerika is het ook vrij gangbaar om op basis van een portfolio te worden toegelaten tot een universiteit of college. Met een portfolio laat je zien wat je de afgelopen jaren hebt gedaan: welke boeken je hebt gelezen, de werkstukken en excursies die je hebt gemaakt, workshops die je hebt gevolgd. Wie weet kan dat hier over een aantal jaar ook.

‘Als je kind ooit een baan wil, moet het toch schoolonderwijs genoten hebben? Zonder opleiding kom je tegenwoordig nergens. Is zo’n kind niet totaal ontvreemd? Waarom zou hij nu ineens wel onderwijs aankunnen?’

Zie de vorige vraag. Je kunt gewoon een middelbare schooldiploma halen terwijl je thuisonderwijs geeft. En thuisonderwijskinderen redden zich uitstekend op een vervolgopleiding.

In de VS is meer onderzoek gedaan naar deze groep, omdat daar a) meer kinderen zijn die thuisonderwijs krijgen (ongeveer twee miljoen) en b) het fenomeen al langer bestaat. Daar zijn thuisgeschoolde kinderen van harte welkom op Ivy League-instituten als Harvard, Brown en Yale. Er zijn ook universiteiten die juist thuisonderwijskinderen werven, omdat deze studenten naar hun mening erg gemotiveerd zijn en goed zelfstandig kunnen werken.

Een paar links:

Daarbij, een hbo of universitaire opleiding is iets heel anders dan een middelbare school. Je hebt weinig ‘ruis’ van vakken die je helemaal niet liggen en die je nooit nodig zult hebben. Je hebt specifiek iets gekozen wat je leuk vindt.

Niet onbelangrijk ook: je bent volwassener, je hersenen zijn gerijpt en je weet dus beter wat je wil. Uit onderzoek is gebleken dat het deel van de hersenen waarmee je keuzes maakt en gevolgen kunt overzien (de prefrontale cortex, voor de triviantverzamelaars onder ons) pas na het 24e levensjaar volledig ontwikkeld is. De Maastrichtse hoogleraar neuropsychologie en psychobiologie Jelle Jolles zegt daarover:

‘Complexere vormen van plannen – anticiperen, plannen voor de langere termijn – […] zijn uitgerekend vaardigheden die pas helemaal aan het einde van de hersenontwikkeling gaan rijpen. Datzelfde geldt voor het vermogen om de consequenties van bepaalde beslissingen te overzien. Maar ondertussen moeten adolescenten wel zeer cruciale beslissingen nemen over het studieprofiel dat ze willen gaan volgen.’

Het citaat heb ik overgenomen uit een artikel in J/Malinea ‘School en studiehuis’ (pagina 43 rechts onderaan).

‘Ik heb veel aan je blog, maar soms overweldigt het me ook een beetje. Als ik jouw site lees denk ik: dat kan ik nooit!’

Dat is natuurlijk een fijn compliment, maar wel onverdiend. Het blijft een blog. En dat is geen weergave van de hele werkelijkheid. Zelf lees ik blogs van anderen zo: als stukjes die de schrijver jou wil laten zien.

Alleen, die kennis werkt in de praktijk niet helemaal. Als je onzeker bent of niet lekker in je vel zit, dan lees je in de verhalen van anderen vooral je eigen falen. Je laat je overweldigen door alles wat die ander kan en meemaakt en daar steken je eigen armetierige verhalen op zo’n moment schril bij af. Dat heb ik zelf natuurlijk ook wel ondervonden bij het lezen van andermans blog. Maar dan helpt het om de dingen in perspectief te zien.

Ik heb ervoor gekozen op mijn blog vooral de dingen te laten zien die ik wil onthouden, voor later. Meer dan een dagboek waarin ik mijn twijfels en zieleroerselen zou blootgeven, zie ik dit blog als een fotoboek. Daarin plak je plaatjes van feestjes, mooie gebeurtenissen, vakanties, dagelijkse dingen, hier en daar een gebroken been, momenten die een foto waard waren.

Dat betekent dat het niet de hele realiteit weergeeft. Die indruk kun je wel krijgen omdat alles achter elkaar geplakt staat; alsof we van de ene academische vaardigheid in de andere culturele excursie rollen, maar zo is het natuurlijk niet. Bovendien post ik maar zo’n tien keer per maand, dus er zijn nog twintig dagen over waarop we verder leven.

Daarnaast wil ik met het blog wat meer duidelijkheid geven over een schimmig fenomeen als thuisonderwijs, met links die ikzelf kan gebruiken en waarvan ik hoop dat een ander er ook iets aan heeft.

Dialoog (1)

28 april 2010

Het veelgesteldevragenseizoen is weer geopend. Ik krijg wel vaker mails met vragen over thuisonderwijs, maar soms is het drukker dan anders. De komende tijd zal ik een paar terugkerende vragen beantwoorden van mensen die thuisonderwijs willen gaan geven of er net mee begonnen zijn. In het land der blinden is eenoog koning, dus als je zoals ik een tienjarige zoon hebt, ben je al gauw ervaren.

Het is een vrij letterlijke weergave van de mailwisselingen die ik gevoerd heb, de vraagstelling heb ik zo uit de mails overgenomen.

Stel, zo’n kind is veertig, wat voor type is het dan? Een ‘alleenganger’ die zich afzondert van de maatschappij? Of juist een sociaal iemand die dankzij thuisonderwijs een veilige basis heeft en daardoor sterk is?

Mag ik deze vraag herformuleren?

Stel, een schoolgaand kind is veertig, wat voor type is het dan? Een meeloper, die op school niet genoeg leiderscapaciteiten had om het baasje van de klas te zijn – maar net genoeg binnen de groep viel om niet gepest te worden? Een underdog, die in zijn kinderjaren telkens afgezeken werd? Een weifelaar, die geen keuzes kan maken omdat andere mensen zijn agenda altijd bepaald hebben? Of een alleenganger die zich afzondert van de maatschappij, omdat hij de eerste achttien jaar van zijn leven tussen dertig mensen gezeten heeft die voortdurend met elkaar in competitie waren en hij dat helemaal zat was?

Ik wil maar zeggen: wie kan er überhaupt voorspellen wat voor mens je kind op zijn veertigste zal zijn? Tot op heden zijn alle ‘alleengangers’ in Nederland, alle zonderlingen, alle verschoppelingen allemaal schoolkinderen geweest. School is dus geen garantie voor het opkweken van sociale wezens.

Sterker nog, uit onderzoeken díe gedaan zijn, blijkt dat thuisonderwezen kinderen socialer zijn: minder ruzies bij het spelen, elkaar meer gunnen, gelukkiger volwassenen. Hoewel thuisonderwijs geen grote prioriteit heeft bij wetenschappelijk onderzoek (het is immers een klein percentage), zijn er toch tamelijk wat studies gedaan. Je kunt ze allemaal opzoeken; deze drie vind ik zelf duidelijk:

Deze resultaten kunnen in twijfel getrokken worden door mensen die tegen thuisonderwijs zijn, maar zulke twijfel is alleen gebaseerd op een ‘gevoel’. Hetzelfde gevoel waarmee ik kan zeggen: ‘Ik denk dat dát willekeurige kind zal opgroeien tot een ongelukkige veertigjarige.’ Nergens op gebaseerd, behalve op mijn gevoel.

Natuurlijk worden niet alle thuisgeschoolde kinderen sociale uitschieters. Thuisonderwijs is juist fijn voor kinderen die niet uitblinken in groepsprocessen – en ook die worden groot. Maar in principe zijn alle ‘gevoelens’ over achter de geraniums wegkwijnende rariteiten nergens op gebaseerd.

Laat mensen nou eens met één tegenonderzoek komen. Eentje maar, waaruit blijkt dat thuisonderwezen kinderen asocialer of eenzelviger worden dan schoolgaande kinderen. Dan praten we weer verder.

Een thuisonderwijskind zal altijd een uitzondering zijn. Kinderen hebben het onderling over schoolse zaken en een thuisondewijskind valt daar buiten.

Ja, een kind dat thuisonderwijs krijgt, zal altijd een uitzondering zijn. Zelfs in landen waar het ronduit mag, wordt het maar door 3 procent van de schoolkinderen genoten. (Waarmee meteen de angst uit de wereld geholpen mag zijn dat ‘iedereen het gaat doen’, als de acceptatie in Nederland groter zou zijn.)

Nee, kinderen hebben het onderling niet voornamelijk over schoolse zaken. Alle vriendjes en vriendinnetjes van mijn kinderen die hier over de vloer komen (de meeste zijn tussen de zeven en twaalf jaar) hebben het nauwelijks over school. Ze spelen gewoon, of ze praten. Over van alles, maar school is echt niet het hoofdonderwerp. Ik ben altijd degene die vraagt: ‘Hoe was het op school?’ of ‘Is er nog iets leuks gebeurd?’ en negen van de tien keer krijg ik een één-woord-antwoord: ‘goed’ of ‘nee’. Daarna gaan hun gesprekken verder over dingen die ze belangrijk vinden. 

Bovendien is het alleen akelig om een uitzondering te zijn, als het een vervelende uitzondering betreft. Als het een uitzondering is waar je zelf gelukkig mee bent, zit je er meestal niet zo mee. Als je contrabas speelt, ben je ook een uitzondering. Of als je op cricket zit. Als je hindoe bent in Nederland, geen Pokemon kijkt, als je ouders geen auto hebben, als je op de Vrije School zit of op een Leonardoschool.

Wanneer je tot een minderheid behoort, moet je vaak motiveren waarom. Niet alleen naar andere mensen toe, maar ook naar jezelf. Dat is niet altijd gemakkelijk, maar het scherpt je wel.