Raadgedicht

19 oktober 2015

Drie weken geleden zag ik het voorbijkomen op twitter: raadgedicht. Sindsdien is het vaste prik. Op maandag kijken we wat het nieuwe gedicht is, gedurende de week denken we erover na en op vrijdag bekijken we de oplossing.

Raadgedicht is een idee van kinderboekenschrijfster Rian Visser. Zoals veel goede dingen in het leven is het concept verrassend eenvoudig: in een raadgedicht ontbreekt één woord. Tien maandagen lang komt er een nieuw gedicht online van een bekende jeugddichter. Elke week kun je tot donderdag 17.00 uur je oplossing insturen en elke vrijdag wordt de uitkomst bekendgemaakt.

Het leuke is dat alle leeftijden gelijkwaardig raden: volwassenen hebben misschien een voorsprongetje door een grotere woordenschat, maar dat wordt door jongere kinderen ruimschoots gecompenseerd door originaliteit. Hokjesvrij denken: het voorrecht van de jeugd. Daarbij biedt raadgedicht fantastisch veel gespreksonderwerpen. Hoeveel lettergrepen heeft het woord volgens jou? (En voor jongere kinderen: wat is een lettergreep?) Is het raadwoord een zelfstandig naamwoord of niet? (Een woord waar je ‘een’ voor kunt zetten.) Zie je een patroon, zoals een beginletter die steeds terugkomt of een klank die mooi past bij de rest? Kan het woord een tegenstelling zijn van iets wat eerder gezegd is, of is het eerder een synoniem?

In het gedicht van vorige week, ‘Vissen’ van Corien Oranje, vonden wij dat het zowel een bijvoeglijk naamwoord als een bijwoord kon zijn. Een bijvoeglijk naamwoord, omdat er iets kan staan over de koralen zelf: stralende, wulpse, rode. Of een bijwoord, over hoe er ‘gewuifd’ wordt: langzaam, speels, moedig. Maar Jet (13) had nog een ander idee. Zij dacht aan ‘tienduizend wuivende koralen’. Een telwoord dus.

Fragment uit ‘Vissen’ van Corien Oranje.

Ieder gedicht zorgt wel voor iets waarover we in gesprek raken. Zonder waardeoordelen, zonder goed of fout, met verrassende uitkomsten. Bij ‘Strand’ waren de kinderen bijvoorbeeld eensgezind van mening dat de ik-persoon een meisje was. Die gedachte was bij mij niet eens opgekomen, omdat ik wist dat het geschreven was door Ted van Lieshout. Verder vond ik dat het raadwoord absoluut een werkwoord moest zijn, en dat het in contrast moest staan met ‘durven’ in de regel eronder. Daar waren de kinderen het niet mee eens (terecht, bleek later).

Fragment uit ‘Strand’ van Ted van Lieshout.

Maar de gedichten zijn niet alleen kapstokken voor taalonderwerpen. ‘Skelet’ van Rian Visser paste toevallig mooi bij het anatomiehoofdstuk waar we mee bezig waren. Tijdens het lezen namen we met een tekening de botjes door, om Cato (8) en onszelf op ideeën te brengen voor het raadwoord. Waren het (vinger)kootjes? Ribben? Wervels?

Ik besloot er een poëzieweek van te maken, dat hadden we al een poos niet gedaan. Het zal u verbazen, maar mijn kinderen stonden niet onmiddellijk te juichen. Als zeven geitjes kroop de een onder een kussen, holde een ander de kamer uit en sloot de derde zich op in het toilet. Nou geef ik niet snel op, dus er kwam een pot thee op tafel, een halve overgebleven chocoladetaart van het weekend (daarmee wordt zelfs vectormeetkunde gezellig) en een stapel verzamelbundels. En geloof het of niet, maar dan komt de stemming er vanzelf in. Eerst wil iedereen zijn favoriete gedicht voorlezen: ‘De idioot in het bad’ (Jette, 13), ‘Insomnia’ (Philip, 16), ‘Oertijd’ (Cato, 8) – altijd mooi om aard en leeftijd te zien weerspiegelen. En daarna geht’s loss. Dan herinnert eentje zich een bekende strofe van een tijd geleden. Of zien ze op de bladzijde ernaast een gedicht dat ook leuk is.

Of iemand wordt nieuwsgierig naar wat er nog meer geschreven is door een bepaalde dichter. Of een grote broer of zus wil iets voorlezen aan een kleinere, omdat ze er zulke goede herinneringen aan hebben.

Net als bij de raadgedichten zoeken we dan naar patronen. We kijken naar het ambacht, want dichten is meestal niet het onder elkaar zetten van rijmende zinnen. Ik liet drie versvormen zien: het sonnet, het rondeel en het kwatrijn. Vervolgens maakten de kinderen elk een gedicht in een versvorm naar keuze. Cato koos een kwatrijn (rijmschema aaba):

Philip en Jet namen een rondeel (ABab abAB abbaAB, de hoofdletters betekenen dat de hele zin wordt herhaald). Met als resultaat bij Philip:

En bij Jet:

En dat in twintig minuten. Ik gooi het op de chocoladetaart. En op raadgedicht, want dat was de aanzet. In dat kader is er trouwens nog een leuke bundel: In een slootje ben ik een bootje van Bette Westera en Klaas Verplancke (ill.). Die bevat geen raad-, maar raadselgedichten:

Wij zijn een stel, het mes en ik.
Wij zijn al jaren samen.
Het mes snijdt alles kort en klein,
en ik, ik prik met name.

Zo staan er een stuk of twintig in. Net als bij raadgedicht voor een ruime leeftijdsmarge, want ze zijn niet allemaal even simpel; Jet en ik hadden er ook een paar mis.

En onthouden dus, de komende weken: raadgedicht. Nog vier weken iedere maandag een verse.

Het is best weer om een taal te leren. En dat treft, want we gaan ons Rosetta Stone-thuisonderwijsabonnement weer verlengen!

Ben je nog niet bekend met deze laagdrempelige manier waarmee iedereen thuisonderwijs kan geven en krijgen? Kijk dan hier op de uitleg die ik vorig jaar schreef. We hebben genoeg aanmeldingen, dus de deal gaat sowieso door (mits iedereen op tijd z’n abonnementsgeld overmaakt), maar omdat ik het afgelopen jaar veel mensen heb moeten teleurstellen die zich na de sluitingsdatum wilden inschrijven, geef ik nu nog een keer de gelegenheid om mee te doen.

Het komt hierop neer:

  • Toegang tot 25 talen: Engels, Frans, Hindi, Pools, Vietnamees, Spaans, Zweeds, Hebreeuws en meer
  • Alle niveaus, van absolute beginner tot gevorderde
  • Voor alle gezinsleden van alle leeftijden (het programma werkt met plaatjes)
  • Op computer (met headset), iPhone, Android en iPad
  • Totaalprijs van 99 euro per jaar, tot oktober 2016
  • Jaarabonnement stopt automatisch
  • Het bedrag moet vóór 1 oktober 2015 overgemaakt zijn

Hier staan 24 talen waarover je beschikking hebt, en voor ons komt Latijn daar nog bij. Met de demo hier kun je zelf uitproberen hoe het werkt.

Wil je meedoen? Schrijf je uiterlijk maandag 28 september in via het lege velletje op deze pagina, dan stuur ik je aanvullende informatie. Houd daarna wel je mail in de gaten, want de bijdrage moet vóór 1 oktober 2015 overgemaakt zijn om je deelname definitief te maken.

Sombreros, José! (‘Sombreros!’)


Sinds twee jaar zijn de kinderen druk in de weer met Rosetta Stone, het beroemde taalprogramma dat wereldwijd lof oogst. Philip (15) leert er Spaans mee, Cato (7) doet Engels en Jette (12) geht los met Duits. En ik moet zeggen: het werpt zijn vruchten af.

Het mooie van Rosetta Stone is dat het geschikt is voor elke leeftijd en discipline, het is laagdrempelig en je kunt zelf kiezen waar je het accent legt. Vooral lezen en schrijven oefenen? Check. Liever alleen luisteren en uitspraak verbeteren? Ook dat kan.

Het enige nadeel is dat het nogal kostbaar is. Als je alle niveaus wilt afnemen (vergelijkbaar met vijf leerjaren voortgezet onderwijs), ben je ongeveer 350 euro kwijt. Per taal.

Daar hebben we iets op gevonden. Naast indivuele pakketten biedt Rosetta Stone namelijk ook onderwijsabonnementen aan. Met een aantal thuisonderwijzers hebben we de handen als vanouds ineen geslagen en zijn zo’n abonnement aangegaan. Voor 99 euro per jaar leren we nu al twee jaar lang, met het hele gezin, met keuze uit 25 talen op álle niveaus.

Dus als je wilt instromen in het hoogste niveau Engels, maar vanwege de vakantie in Rome tegelijkertijd een beginnetje wilt maken met Italiaans, dan kan dat. Of als je je Frans wilt oppoetsen, maar net wat verder bent dan ‘Bonjour, je m’appelle Pascale’, dan bepaal je in drie muisklikken je niveau. En als je bezig bent met een project over China, dan kun je gewoon een maandje Mandarijn erbij leren om de smaak te pakken te krijgen.

Kortom, we zijn er blij mee. En nou komt het: dit jaar lijken we de 75 benodigde abonnees niet te halen. Dat zou jammer zijn. Maar het heeft ook een voordeel: we kunnen ons buitenkansje dit jaar delen! Met iedereen die, wel of geen thuisonderwijs, ook een taal (of twee, of zeven) wil leren. Met jullie!

Er zijn nog 15 plaatsen beschikbaar. Je moet alleen wel snel beslissen: uiterlijk donderdag 9 oktober om 19.00 uur*. (Ik voel me een beetje de encyclopedieverkoper met een voet tussen de voordeur, maar ik hoorde pas vanavond dat zonder 75 mensen het abonnement niet verlengd kon worden, anders had ik wel eerder getoeterd.)

Samenvattend:

  • Je krijgt toegang tot 25 talen (Engels, Frans, Italiaans, Hindi, Pools, Vietnamees, Spaans, Zweeds, Hebreeuws…)
  • Op alle niveaus, van absolute beginner tot grote gevorderde
  • Voor alle gezinsleden van alle leeftijden (het programma werkt met plaatjes)
  • Op computer (met headset), iPhone, Android en iPad
  • Voor een totaalprijs van 99 euro voor een heel jaar, t/m oktober 2015 en het stopt automatisch.

Wil je meedoen? Stuur dan uiterlijk donderdag 9 oktober 19.00* uur een mail via het lege velletje op deze pagina, dan zend ik je aanvullende informatie. Houd diezelfde avond wel je mail in de gaten, want de bijdrage moet vóór 10 oktober* overgemaakt zijn om het abonnement te laten doorgaan.

Hier staat over welke 25 talen je precies de beschikking hebt, en met de demo hier kun je zelf uitproberen hoe het werkt.

— update 10 oktober —

* Deadline bereikt en missie volbracht. Ik heb vierenveertig mails gekregen waarvan eenenveertig mensen zich aangemeld hebben. Namens Wilde Ganzen: onze hartelijke dank!

De kleinste vrede

24 februari 2014

Olijfboom
Vorige maand nog schreven Philip en Jet een gedicht van hem over, en nu is Leo Vroman niet meer. Geen volslagen onverwachte gebeurtenis, want hij is met zijn 98 jaar niet in de wieg gestorven, maar het is toch iets wat je een paar dagen bezighoudt. Dat je een weekend lang ‘Kom vanavond met verhalen…’ in je achterhoofd voelt soezelen, zeg maar.

Dat soezelt alleen in je hoofd als je het kent, natuurlijk. Daarom wil ik zo graag dat Philip, Jet, Catootje en straks Victoria al die regels ook kennen. Van Vroman, Elsschot, Slauerhoff, Vasalis, Achterberg, Bloem. De namen bij elkaar zijn al bijna poëzie.

Mijn kinderen hoeven niet per se hele gedichten uit hun hoofd te kennen, hoewel dat wel het mooiste is, maar een paar strofen zijn wel goed. Genoeg om het gedicht te kunnen opzoeken als je het wilt voorlezen aan je geliefde, om het te laten opborrelen op onverwachte momenten, als je iets op straat ziet gebeuren, naar een schilderij kijkt of op het nieuws hoort dat de dichter is overleden.

Ik heb me altijd voorgesteld dat Leo Vroman het onuitstaanbaar slimste kind van de klas was. Goed in alles. Niet alleen in wiskunde, nee, ook nog eens creatief, met zijn schrijven en formidabele taalgevoel. Empathisch, want een dichter, waarschijnlijk ook nog grappig, lief voor dieren en bij tekenen weer de beste. Ik weet niet hoe hij in sport was, maar het zou wat mij betreft genoeg zijn geweest om met lood in mijn schoenen naar de schoolreunie te gaan.

Gelukkig heeft Vroman veel uitgedeeld van zijn talenten. Hij werd wetenschapper, bioloog en bloedonderzoeker, tekende, schilderde en dichtte. De regels hierboven komen uit zijn bekendste gedicht ‘Vrede’. Moet u zelf hier maar even lezen. Er is al veel op los geanalyseerd, maar wat ik nog interessanter vind, is dat hij 57 jaar na ‘Vrede’ een ander gedicht publiceerde. Nou moet u eerst ‘Vrede’ lezen en dan deze:

De kleinste vrede

Als een musje van achttien gram
met wat olijfdrab aan zijn teentje
op een ochtend bij ons kwam,
en nog eentje, en nog eentje,

dan na onderling beramen
keken zij mij even aan
en tjilpten een verhaaltje samen,
ik zou er geen tjilp van verstaan,

maar zou een vrede ondergaan en
dan voelde ik alle haat en
pijn dit land verlaten.
En o mijn tranen.
O mijn tranen

Uit: Leo Vroman, Daar, 2011.

Mooi, hè? De afschuwelijke beelden en grofheid uit ‘Vrede’ en dan het tere van ‘De kleinste vrede’. Je kunt je tranen laten vloeien, terwijl je tegelijkertijd de haat en pijn afwijst die de tranen veroorzaakt hebben. Ik zou toch naar die schoolreunie gegaan zijn om hem daarvoor te bedanken.

Cato schrijft

29 oktober 2013

Van mijn drie schrijvende kinderen is zij degene die er het hartstochtelijkst gebruik van maakt. Philip kwam op die leeftijd het liefst alleen in de buurt van pen en papier als het noodzakelijk was voor de voortgang van zijn spel: de politie-agent met het bonnenboekje, de griffier die de nummers van de Duckstadse Zware Jongens moest noteren. Jette schreef vooral in sociaal verband: brieven, kaarten, gezelligheidsplakkertjes voor mij – maar toen was ze al wat ouder.

Cato maakt daarentegen kwistig gebruik van haar verworven vaardigheid. Ze schrijft op alles wat los- en vastzit, maakt verlanglijsten van vijf A4-tjes die met plakband aan elkaar hangen, schrijft puzzelboeken vol en maakt uitgebreide ‘doe-kaartjes’ voor haar eigengemaakte bordspellen.

Maar ze vindt het vooral heel praktisch dat ze overal en altijd haar stem kan laten horen. Als derde komt ze er namelijk weleens bekaaid vanaf. Zat ik bij Philip nog eindeloos gehurkt ieder verhaal, verzoek en debat uit, bij Cato moet het vaak tussendoor. Tussen een geschiedenisverhaal en een telefoongesprek, tussen een peuterhuilbui en een wiskundesom, tussen laat-me-héél-even-nadenken en als-er-nu-iemand-tegen-me-praat-ga-ik-schreeuwen.

Als ik aan het werk ben heb ik vaak een koptelefoon op met nagebootste regen. Ik verricht geestelijke arbeid graag met wat onbestemd achtergrondgeluid (fysieke arbeid mag met bestemd geluid) zodat ik alle kindervragen zonder schuldgevoel kan negeren – omdat ik ze toch niet hoor. Daar heeft Cato wat op gevonden. In noodgevallen mag ze me altijd een por geven, maar hoe zit het met dat uitgestrekte grijze gebied tussen noodgeval en niet-noodgeval? Je kunt een verschrikkelijk urgente trek hebben in kruidnoten. Of de accute behoefte om te weten hoeveel nachten het duurt voordat je bij oma mag logeren.

Omdat ze weet dat onze definities soms uiteenlopen, neemt Cato het zekere voor het onzekere. Ze moét het kwijt, maar ik mag bepalen of het noodgevalfähig is.

De kracht van lezen

18 oktober 2013

Hij leest! Dat mag voor u geen spectaculair nieuws zijn, ik vind het iedere keer weer fantastisch. Mijn kinderen zijn namelijk geen geboren lezers. Ze hebben altijd van vóórlezen gehouden, luisterboeken en realtime voorlezen. Maar echt boeken zelf lezen, dat was harder werken.

Ik begreep er niks van. Wie wil er nou niet wegkruipen met een dik boek? Dat heb ik al gewild zolang ik me kan herinneren. Maar mijn kinderen wilden helemaal geen dik boek. Wel strips. Tijdschriften. Van die grote informatieve boeken met veel foto’s en een ruime bladspiegel. Op zich geen probleem: lezen is lezen. Het wordt overal bevestigd; als je er maar plezier aan beleeft, is het goed. Toch zat het me dwars. Ik geloofde in plezier als voorwaarde, maar wist ook dat dat niet automatisch betekent dat een kind op eigen initiatief overstapt op leesboeken. Zeker niet in een tijd en omgeving met zo veel makkelijker te verteren alternatieve media.

Nou en? zou je zeggen. Dan lezen ze geen omvangrijkere boeken voor hun plezier. Dan houden ze het bij tijdschriften. Nou en?

Het punt is dat ik ervan overtuigd ben dat het lezen van boeken, van romans en non-fictie, boeken met alleen letters, waarin de tekst het woord doet, onmiskenbare voordelen heeft. Het sterkt je concentratievermogen (met drie uur lezen gebeuren er andere dingen in je hersenen dan wanneer je drie uur naar de televisie kijkt), het vergroot je woordenschat meer dan welke gesproken conversatie ook en door de zinnen te zien krijg je de hele Nederlandse grammatica met alle uitzonderingen en rariteiten op een presenteerblaadje – zonder dat je er een werkboekje voor hoeft in te vullen. Bovendien, niet onbelangrijk: het kan zalig zijn om op te gaan in een verhaal.

Om te weten hoe het is om je zo in een boek te verliezen dat je een heerlijk gevoel krijgt, moet je het wel eerst meemaken. Mijn zoon heeft een poosje gedacht dat hij optimaal gelukkig kon zijn als hij een computerspel speelde. Ik wist zeker dat dat niet waar was; al was het alleen maar omdat hij na lang gamen een allesbehalve gelukkige indruk maakte. Tijdens het gamen trouwens ook niet. Ik vind gamen niet slecht of verkeerd, maar je hoeft geen gave van opmerkzaamheid te bezitten om te zien dat mijn kind echt minder gelukkig is als hij zijn voornaamste levensdoelen laat afhangen van een computerspel.

Ik wilde dat mijn kinderen aan den lijve zouden ervaren dat je optimaal geluk ook uit andere dingen kan halen. Uit muziek luisteren, muziek maken, lange gesprekken voeren, sporten, lezen, koken. In plaats van alleen te verbieden, wilde ik dat ze alternatieven leerden kennen. Echt kennen; niet van horen zeggen. In de hoop dat ze, als ze straks alleen op die studentenkamer zitten, niet hun heil zoeken in urenlange gamesessies of televisiemarathons -omdat ze het dan lekker zelf mogen uitmaken- maar dat ze ergens in hun hoofd, in hun hart en lijf wéten dat er een andere manier is om je lekker te voelen.

Ik heb mijn kinderen dus overgehaald te lezen. Gedwongen is het woord niet, maar ik heb wel alle media-alternatieven op gezette tijden geëlimineerd. Verder was ik heel coulant. Ze mochten net zo vaak van boek wisselen als ze wilden, ze hoefden het nooit uit te lezen, we gingen samen op zoek naar het genre of de schrijver die ze het mooist vonden. Maar ze moesten wel lezen.

Dat was niet altijd makkelijk. Er waren genoeg momenten dat ik het handiger had gevonden om ze achter een schermpje te laten zitten. Dat zeg ik niet om te laten zien hoe voorbeeldig consequent ik ben in de opvoeding (want dat ben ik niet), maar om te laten zien dat het bij ons tijd kostte. Veel mensen denken dat mijn kinderen van nature vaatwassers uitruimen, geschiedenis leuk vinden, helpen in het huishouden, boeken lezen.

Dat is niet zo. Het ging niet vanzelf. Zoals veel dingen bij ons niet vanzelf gaan: een hand geven als je je voorstelt. Pas beginnen met eten als iedereen aan tafel zit. Handen wassen nadat je naar de wc geweest bent. Ruzies vreedzaam oplossen. Verschillende smaken lekker vinden door van alles één hapje te proeven, ook al denk je dat je het niet lust. Rekening houden met andere mensen. Je afgeknipte teennagels in de vuilnisbak gooien. Boeken lezen.

Het een kost meer moeite dan het ander, maar om bij lezen te blijven: na een paar jaar gebeurde er zoiets moois. Toen kwam er vanzelf een boek dat ze niet meer wilden neerleggen. Dat ze per se uit moesten lezen. Waarvoor ze zelfs hun schermtijd vergaten.

Nu hoorde ik laatst iets waarvan ik bijna van mijn stoel viel: door vijftien minuten te lezen, leren kinderen duizend nieuwe woorden per jaar.

Door iedere dag 15 minuten echt te lezen, komen er zo’n 1.146.000 woorden per jaar voorbij. En van die 1,1 miljoen woorden leer je ongeveer 1000 nieuwe woorden, ieder jaar opnieuw.

Het is natuurlijk geen nieuws dat lezen goed is, maar ik bedoel: duizend nieuwe woorden, dat is veel. En het opbouwen van een woordenschat is cumulatief, hè, hoe meer woorden je kent, hoe makkelijker je nieuwe woorden leert. En als je veel woorden kent, neem je informatie beter op. Onthoud je dus beter wat je gelezen hebt.

Als kers op de taart kreeg ik deze link. Een lezing van Stephen Krashen, emeritus taalprofessor en autoriteit op het gebied van tweedetaalverwerving. Krashen pleit voor vrij lezen op iedere school (Sustained Silent Reading) en presenteert hier onderzoeksresultaten die laten zien dat kinderen die lezen beter worden op ieder gebied van taal: ze zijn beter in grammatica dan kinderen die grammatica-instructies krijgen, ze hebben een grotere woordenschat dan kinderen die woordenschatoefeningen doen. Dat is nog eens goed nieuws voor mijn kinderen, bij wie ook spelling en grammatica niet vanzelf gaan.

Ik heb het filmpje in twee keer bekeken, maar als je geen tijd hebt voor alle 56 minuten, kijk dan in ieder geval minuut 2:45 tot 12:45 en minuut 15:26 tot 21:36. Krashen heeft een keuvelende en duidelijke manier van vertellen. Na afloop zou je denken dat het bijna vanzelf gaat.

—-

  • In deze brochure staan de voordelen van lezen nog eens op een rij, inclusief bronvermelding (opent als pdf).
  • De informatie over die duizend nieuwe woorden per jaar komt uit verschillende onderzoeken, waaronder Cunningham & Stanovich (2001),’What reading does for the mind’, Journal of Direct Instruction, 1/2, 137-149 en Suzanne Mol (2010), To read or not to read.

Van den vos Reynaerde

12 september 2013

Ik kon niet wachten tot Philip geboren werd. Lang voordat ik van het bestaan van thuisonderwijs afwist, lang voordat er sprake was van een tweede kind, laat staan een vierde, wist ik dat ik mijn eerstgeborene zou vertellen over Beatrijs, Reynaert, Mariken, Brandaan, Gijsbrecht en honderd andere helden. Plus alle gedichten van Huygens.

Ach, ik zou het zo anders doen dan die saaie middelbareschoolmanier die me alle plezier in lezen had ontnomen. Ik zou het stof eraf blazen, de diamant blootleggen, de personages tot leven wekken. Gewoon náást school, als ouderbijdrage. We zouden citeren, naspelen, redetwisten en hij zou me dankbaar zijn, mijn zoon, voor zoveel fijne bagage.

Maar toen bleek dat drie jaar net wat te jong was voor het hemelse gerecht dat zich ten lange lesten heeft erbarremd over mij, en mijn benauwde veste. Bovendien kroop hij al achter de bank bij Theodoor Sleepboot; misschien was het dan ook te vroeg voor Moenen met het ene oog.

Nou ja, daarna kwam Jet. En toen bleken ze Winnie de Poeh leuker te vinden dan de verzamelde gedichten van Huygens. Ik heb het nog wel geprobeerd, zachtjes fluisterend: ‘Droom ik en is het nacht, of is mijn ster verdwenen…’ in hun oor, maar dan vroegen ze of ik de stem van Iejoor wilde nadoen. Moet ik nog vertellen dat daarna Cato geboren werd?

Maar nu was het eindelijk zo ver. Eerlijk gezegd was ik mijn voornemen alweer een beetje vergeten, ware het niet dat ik tegen deze aanliep.

Verhalen voor de vossenbroertjes, het langverwachte vervolg op Van den vos Reynaerde van Lida Dijkstra en Thé Tjong-Khing. Die leek me zo leuk. Maar dan moesten ze wel eerst de echte kennen.

Uit mijn vorige leven heb ik een aantal versies van de Reynaert in de kast staan, van deftig en saai tot vrolijk met gekleurde miniaturen, maar zelf vind ik dit de beste introductie.

De reeks Tekst in context van Amsterdam University Press is perfect voor iedereen die de oude meesterwerken wil leren kennen. Of voor iedereen die het verhaal al kent, maar gewezen wil worden op grappige of opmerkelijke dingen en wil begrijpen waarom het negenhonderd jaar geleden al mooi gevonden werd, en nu nog steeds.

Ik geef toe dat Philip en Jet niet de stralende ogen hadden die ik verwachtte toen ik zwaaiend met de boeken aankondigde wat we gingen doen. En ik mocht het al helemaal niet in het Diets voorlezen (‘Alsjeblieft, zeg. Er staat toch een vertaling bij?’). Maar halverwege het verhaal vonden ze het toch heel leuk. Er waren zelfs middagen dat zij wilden doorgaan terwijl ik wilde stoppen. Als je eenmaal bezig bent, is er zo veel te vertellen – en hoe meer je te weten komt, hoe meer je zelf in het verhaal ontdekt.

Na de echte Reynaert gingen we over op de rapversie.

Toen konden we eindelijk Verhalen voor de vossenbroertjes van hierboven lezen. Daar luisterde Cato ook gezellig mee; de oorspronkelijke Reynaert bevat -nachtmerrietechnisch- iets te veel seks en geweld voor een zesjarige. Met de Vossenbroertjes kreeg ze de gekuiste versie, een beetje anders en toch leuk. Met als bonus de tekeningen van Thé Tjong-Khing; bijna net zo mooi als een Middeleeuwse miniatuur.

  • Bij gebrek aan enthousiasme bij mijn eigen kinderen had ik u graag mijn mooiste Diets laten horen, maar ik ben op het moment niet zo goed bij stem. Als pleister op de wonde hier het beginnetje van de Reynaert zoals het ongeveer geklonken moet hebben.
  • Tekst in context heeft tot nu toe elf werken in de reeks, van Karel ende Elegast tot Max Havelaar. Veel delen bevatten niet de complete tekst, maar een grote selectie van het besproken werk, met telkens een samenvatting van de overgeslagen stukken. Oorspronkelijk bedoeld voor middelbare scholen, maar hartstikke geschikt voor particuliere geïnteresseerden – zonder de waterige, verbleekte, zoveel-mogelijk-gortdroge-informatie-op-één pagina-met-lekker-veel-kaders-tekst die veel schoolmethodes kenmerkt. Achterin staan vragen die je jezelf zou kunnen stellen, van simpel tot best ingewikkeld. Mocht je daarmee aan de slag willen, maar onzeker zijn over je antwoorden, dan is er bij ieder deel een docentenaanvulling van 30 pagina’s antwoorden en uitleg.
  • De rapversie is van Charlie May, Reinaert de vos… gerapt, isbn 9789025110765.
  • Philip en Jet hebben zelf nog een Reynaertvariant gelezen:  RotVos! een vertelling van Frank Pollet. Zij vonden het wel aardig, maar ik was er niet kapot van. Het boek is een modern spiegelverhaal van het origineel, over schoolkinderen die een feest geven waarop een van de kinderen (een jongen die Rein heet) niet uitgenodigd is. De directeur van de school heet Noël Leeuwenhart en de rest van de kindernamen zijn ook varianten op het origineel. Mij iets te gemakkelijk. Bovendien niet zo geweldig geschreven.
  • Alle 3469 verzen van de Reynaert staan online, hier op de dbnl. Als achtergrond kun je er de informatie op literatuurgeschiedenis.nl bij nemen.
  • Als je er helemaal geen genoeg van kunt krijgen, is er nog de deftige versie van Lulofs: Van den vos Reynaerde, isbn 9789065506757. Of deel 1 van de recentere Reynaert in tweevoud, bezorgd door Bouwman en Besamusca, isbn 9789035123922. Die gebruiken ze ook in het wetenschappelijk onderwijs.