Foto: de Volkskrant, 11 april 2018.

‘Inspectie slaat alarm: onderwijs glijdt af.’

‘Vooral lezen en rekenen punten van zorg in onderwijs.’

‘Het onderwijs in Nederland holt al twintig jaar achteruit. Inmiddels komen er jaarlijks 3.500 leerlingen van de basisschool af die – na acht jaar les – niet goed kunnen lezen. Die scholieren zijn laaggeletterd; een stapje boven analfabeet.’

‘Op het gebied van lezen is er een sterke achteruitgang te zien. Dat hangt deels samen met matige betrokkenheid die leerlingen voelen bij de leesles.’

‘Een verklaring voor de sterke daling heeft de inspectie niet. “We dachten eerst bijvoorbeeld dat de groep laaggeletterden asielzoekerskinderen waren, maar die zijn buiten beschouwing gelaten in dit onderzoek,” stelt een woordvoerder.’

Een greep uit Volkskrant, Nu.nl, AD en Trouw deze week. Zo zie je maar, let je even niet op, loopt het meteen uit de klauwen.

Die twintigjarige neerwaartse spiraal krijg je niet weg met zuchten, zuren en hoofdschudden. Want of je kind nou op school zit of op een zeilboot buiten de vaderlandse territoriale wateren vaart, of je thuisonderwijs geeft in een Hollandse stadswijk of in ruraal Friesland, we weten allemaal allang wat we moeten doen. Lezen, lezen, lezen en voorlezen.

Weet u het nog? Een kwartiertje lezen per dag, zorgt voor duizend nieuwe, extra woorden per jaar.

Dat is geen punt van discussie en het is ook geen goedbewaard geheim; iedereen is het erover eens en iedereen weet het: als je wilt dat mensen kunnen lezen, moet er gelezen en voorgelezen worden. Daar is geen innovatieve onderwijsmethode of kunst- en vliegwerk bij nodig, want dat resulteert alleen maar in die ‘matige betrokkenheid die leerlingen voelen bij de leesles’. Het enige wat ervoor nodig is, is: tijd om samen door te brengen en mooie boeken.

Ik heb uit mijn geheugen en halfvergane conceptstukjes wat titels opgeduikeld, om ideeën op te doen. Er zitten heel oude boeken bij en heel nieuwe, voor jonge kinderen en oudere, maar alle boeken hebben gemeen dat wij ze mooi vonden. Ik heb getwijfeld of ik ze zou sorteren op ‘nog leverbaar’ en ‘wordt schandalig genoeg niet meer uitgegeven’, maar uiteindelijk ben ik gegaan voor een indeling op ongeveer-leeftijd. En wat betreft alle uitverkochte exemplaren wil ik maar zeggen: lang leve de bibliotheek.

We beginnen met de kleintjes. Deze zag ik in de bak met prentenboeken in de bibliotheek en ik vroeg me af: waar was Mo Willems al die tijd? Blijkt dat hij er al jaren is, maar me niet was opgevallen tussen de vierhonderdduizend beertjesboeken met variaties op hetzelfde thema.

Stuur die duif op tijd naar bed! is een voorleesboek in het interactieve genre – de voorgelezene functioneert als babysitter van een eigenwijze duif. De duif moet naar bed, maar verzint allerlei uitvluchten om niet te hoeven slapen. Aan de lezer om de poot stijf te houden – succes verzekerd.

De duif-reeks bestaat uit een stuk of negen deeltjes, maar in het Nederlands is alleen nog vertaald: Laat die duif niet achter het stuur! waarbij een buschauffeur vraagt of je op zijn wagen wil letten, terwijl de duif je probeert over te halen om even te mogen rijden.

Het verbaast me dat er niet meer van Mo Willems in het Nederlands taalgebied is genesteld. The Pigeon Needs a Bath en The Pigeon Wants a Puppy lijken me bijvoorbeeld net zo leuk.

Het wordt dus uitwijken naar de originele versies van Willems. Ze zijn trouwens ook kort genoeg om al lezende te vertalen. En alleen al vanwege de titel wil ik deze dan ook lezen: Edwina, The Dinosaur Who Didn’t Know She Was Extinct.

Dan Het boek zonder tekeningen van B.J. Novak. Na drie jaar sudderen in mijn conceptenmap is de bekendheid van het boek allang tot grote hoogten gestegen, maar als je het nog niet kent: blader ‘m voor het lezen eerst zelf door, zodat je weet wat er van je verwacht wordt. Het boek drijft namelijk op de voorlezer. Bij Victoria (destijds 4) was het een hit. Inmiddels hebben wij hem zo vaak gelezen dat zelfs mijn puikste Toon Hermans-timing nauwelijks nog effect sorteert, maar de kleuterziel indachtig zal ik er over een paar maanden vast opnieuw een poelifinario mee in de wacht slepen.

Och, deze is zo leuk: De kat van Saar van Emily Gravett. Ik zeg er verder niks over, maar de tekst en tekeningen zijn, zoals het een goed prentenboek betaamt, een echte eenheid.

Ssst! We hebben een plan van Chris Haughton. Favoriet van Jakob (2). We kenden Haughton natuurlijk al van Mama kwijt en dit is in dezelfde repeterende stijl. De ene keer werkt het beter dan de andere (Stoute hond! en Welterusten allemaal vind ik minder geslaagd), maar deze is heerlijk. Prachtige platen ook.

Nog meer mooie tekeningen in Hoera, er is post! van Marianne Dubuc. Victoria (toen 4) raakte niet uitgekeken en wij voorlezers gingen er graag nog eens voor zitten. De tekst had weggelaten mogen worden, al is die niet storend; maar de prenten doen het echte werk. Postbode Muis brengt de post rond; niks geen e-mails, maar heuse brieven en pakketjes aan de deur (postbode Slak was nog leuker geweest voor de snailmail, bedenk ik nu) en wij mogen meekijken in de huizen van de geadresseerden.

Het konijn heeft een daktuintje, waardoor de worteltjes en radijzen uit het plafond groeien, de ekster verschuilt zich in de boomkruin boven zijn eigen ‘Gezocht!’-poster en de vlieg woont in een drol.

Nu we het toch over Dubuc hebben, De leeuw en het vogeltje is natuurlijk ook prachtig. Het thema is zo oud als de weg naar Rome: vriendschap, afscheid en hoop, maar dan met tekeningen waar je naar blijft kijken. Een verstilde, lieve schoonheid.

Het volgende prentenboek lazen we al met Jetje (momenteel een heuse Jet van 16), maar blijft tijdloos: Jamela’s jurk van Niki Daly. Onbegrijpelijk dat sommige boeken niet blijvend in druk zijn. Het heeft alles: een echt kind, een herkenbare gebeurtenis, veel blijheid en goede wil, een klein crisismoment, groot verdriet, troost, een oplossing, uitbundige verzoening en opnieuw blijheid. En dat allemaal in illustraties en kleuren die zo van de bladzijde je hart in glijden.


Mollenstad van Torben Kuhlman. Z’n andere boeken zijn even adembenemend geïllustreerd, maar deze spreekt hier het meeste aan. Vooral mijn esthetisch-poëtische achttienjarige is gecharmeerd van de beeldende geschiedenis: het prille begin op een grasveld in de lentezon, daaronder de eenvoudig gelukkige, vredige mollengemeenschap die langzaam uitgroeit, via industrialisatie en voortschrijdende technologie, tot een bureaucratische moloch van individualistische wezens die aan zichzelf zijn overgeleverd. Maar gewoon aangeklede molletjes bekijken met je vierjarige is ook leuk.

Vast van Oliver Jeffers (hij van de tekeningen bij De krijtjes staken). De vlieger van Fred zit vast in de boom. Fred gooit zijn schoen om de vlieger los te krijgen, maar de schoen blijft ook steken. Dan gooit Fred de kat naar boven.

Jeffers heeft meer parels: Once Upon An Alphabet en gelukkig ook eindelijk vertaalde Die eland is van mij en Het hart in de fles (die laatste is lief bij groot en klein verdriet). Maar Vast is gezellig voor iedereen vanaf een jaar of drie. Zoals de schrijver zelf zegt: ‘Het boek gaat over het oplossen van een groeiend probleem door er dingen naartoe te gooien.’ Wie herkent het niet?

Niet brullen in de bieb van Michelle Knudsen en Kevin Hawkes (ill.). Een instant-klassieker. In mijn beleving was het boek al vijftig jaar oud, ben ik er zelf mee opgegroeid en lezen we het sinds mensenheugenis voor, maar ik zag dat laatst dat ie pas uit 2007 was. Zo’n boek dus.

Deze is ook zoet: Sidewalk Flowers van JonArno Lawson en Sydney Smith (ill.). De maatschappijkritiek ligt er als een laag geraffineerde kristalsuiker bovenop, maar dat geeft niks. Het blijft een lief verhaal over een meisje dat met haar vader door de stad wandelt.

De vader loopt routineus, schijnbaar uit gewoonte, is in gedachten of praat door zijn telefoon. Beetje gedateerd inmiddels, want wie praat er nog in de telefoon als je ook lekker vrijblijvend kunt appen, maar dat wisten ze in 2015 nog niet. De vader heeft weinig gerichte aandacht voor zijn dochter, maar houdt haar wel bij de hand en wacht als zij ergens blijft hangen. Een doordeweeks wandelingetje van school naar huis, een automatisme. Het meisje plukt ondertussen overal bloemetjes langs het trottoir. Zoals dat gaat met kleine kinderen: ze heeft oog voor het kleine, de schoonheid tussen de tegels.

Het boek is woordloos, dus het maakt niet uit of je de originele of de vertaalde versie neemt. Zelf vind ik de Nederlandse titel Blommetjes minder goed passen, omdat het de associatie oproept van ome Piet die een ruiker haalt voor tante Sjaan bij bloemboetiek ‘De Lelie’, maar dat is vast persoonlijk. Sidewalk Flowers dekt de lading in ieder geval zeker.

Nu we weer een voorleesbaar jongetje in huis hebben, is het zaak om boeken in huis te halen met grondverzetmachines, vrachtwagens en 112-voertuigen. Als je een combinatie daarvan treft, een verhaal op een bouwerf met én een hijskraan én een politieauto, dan weet je vrij zeker dat het in de roos is. Mooi tegenwicht voor de bloemetjes, muisjes, leeuwtjes en Jamela’s jurkjes: Kom uit die kraan!! van Tjibbe Veldkamp en Alice Hoogstad.

Geen lijstje compleet zonder Sylvia Vanden Heede. Deze keer met illustraties van Benjamin Leroy: Een afspraakje in het bos. Ik citeer gewoon het begin, dan weet je genoeg.

‘Ik heb een afspraakje’, fluisterde de vleermuis. 
Ze hing boven de tak waarop de ijsvogel zat. En ze bloosde een beetje.
De ijsvogel keek misprijzend naar omhoog.
‘Alweer? Laat me raden. Deze keer is het de koperwiek. Of nee, de tapuit of misschien de roerdomp wel. Waarom blijf je niet bij je eigen soort?’
‘Maar dat doe ik ook!’ piepte de vleermuis en ze bloosde nog dieper. Wat had ze ooit in de ijsvogel gezien?

En vers van de pers meteen ook deze maar, het Feestboek van Vos en Haas.

Een beetje dezelfde thematiek als Sidewalk Flowers hierboven, maar dan op de onnavolgbare wijze van de grande dame van het eenlettergrepige woord. Er is feest in het bos, want Piep, Tok en Iek zijn op visite.

Iedereen lacht en praat en heeft plezier.
Maar Iek niet.
Iek zit onder een boom met draadjes in zijn oren.
Hij kijkt naar een ding dat ‘ping’ zegt.
‘Dat is zijn smartfoon’, legt Tok uit.
‘Daarmee zit hij op zijn feesboek.’
Uil vindt het maar gek.
Op een boek zit je niet.
Daar heb je stoelen voor! 

De kinderen van Bolderburen van Astrid Lindgren. Behoeft geen aanbeveling, maar ik zet hem erbij als herinnering. Voor een verhaaltje tussendoor. Of een verhaaltje op een zomeravond. Verhaaltje op een druilerige middag. Verhaaltje om te lachen. Verhaaltje voor het slapengaan. Ook handig met logees, zodat ze niet halverwege in het vaste voorleesboek vallen. En natuurlijk ook geschikt als zelfleesboek: Cato (11) heeft hem pas nog in anderhalve dag uitgelezen.

Non-fictie van de bovenste plank: Onder de grond, onder water van Aleksandra en Daniel Mizielinscy. Atlas was al zo mooi, maar deze is nog beter. Van zoet water en zout water, van vulkanen en mierenhopen, aardgas en riolering, diepzeevissen en boorplatformen – zonder dat het een inhoudsloos samenraapsel is. Als je een kind een maand naar een onbewoond eiland stuurt met alleen dit boek, dan heb je de helft van alle kerndoelen basisonderwijs in de tas.

En dan Toon Tellegen. Ach, Toon Tellegen. Al die herfstochtenden met de Eekhoorn en de Mier. Al die autoritten naar de geitenboerderij en het zoveelste uitje met thuisonderwijskinderen, met een klein Philipje op de achterbank, terwijl we samen de heen- en terugreis lang luisterden naar de stem van Tellegen zelf:

‘Ik heb een keer mijn reuk gebroken’, zei de krekel.
‘Je reuk? Hoe kan je die nou breken?’ vroeg de eekhoorn.
‘Alles kan breken’, zei de krekel. ‘De grond, de golven, de stilte, je voet, je stem. Dus ook je reuk.

Toon Tellegen is goed voor iedere gelegenheid. En nu is er Op een ochtend, vroeg in de zomer, met een traktatie aan tekeningen van Sylvia Weve. Ik moet er eerlijkheidshalve bij zeggen dat Philip (nu 18) meteen ook m’n énige kind is dat Toon Tellegen op waarde weet te schatten. De rest zit hem min of meer uit. Beleefdheidshalve luisteren ze naar twee verhalen. Drie als ik er thee en koekjes tegenaan gooi. Dan is hun eekhoorn-everzwijn-olifant-aardvarken-taks bereikt en kan ik het rollen der ogen niet langer negeren. Maar het is de moeite waard.

De allerbeste combinatie met illustrator Jean-Jacques Sempé blijft natuurlijk Goscinny, want dan krijg je een kleine Nicolaas, maar deze mag er ook zijn: De kleine ballerina van Sempé met Patrick Modiano. Een prentenboek voor grotere kinderen (vanaf een jaar of negen) en volwassenen, met weemoedige tekeningen van een voorbij Parijs uit de jaren vijftig van de vorige eeuw.

Brendon Chase, drie jongens overleven in het bos van B.B. (pseudoniem van Denys Watkins-Pitchford). Een onvervalst avontuur, na zeventig jaar eindelijk vertaald in het Nederlands. Het boek werd in Engeland uitgegeven in 1944, maar het verhaal van de drie broers (15, 13 en 12 jaar) speelt zich eerder af, in een niet nader genoemd jaar – waakzame lezers denken dat het 1922 moet zijn, want in het boek komt een brief voor die geschreven is op een vrijdag, en gedateerd wordt op 20 oktober. Kwestie van opzoeken. Brendon Chase stamt in ieder geval uit de tijd waarin jongens nog in bossen rondstruinden, wegliepen van oude tantes, hutten bouwden in oude eikenbomen en kleren maakten van dierenpelzen, overlevend op zelfgevangen wild en vis.

Jef Aerts, Vissen smelten niet. Ik heb getwijfeld of ik deze zou noemen, want Jette vond het een vervelend boek. Maar ja, tegenover ieder anekdotisch bewijs kun je een tegenbewijs zetten, en ik vond het boek wel mooi, dus ik noem hem toch. Beetje surrealistisch (het landschap), beetje verdrietig (een depressieve vader), beetje ongeloofwaardig (de clou) en toch een mooi, ontroerend verhaal over familie, vriendschap, moed en ach, die grootste aller dingen: de liefde.

Deze vond Jet dan weer wel mooi: Lieve Langbeen van Jean Webster. Hartstikke oud, maar niet stoffig. Een klassieker dus – op alle internationale leeslijsten te vinden als Daddy Longlegs. Voor dromerige meisjes vanaf een jaar of 13, 14, 17, 25.

Shel Silverstein, Lafcadio, de leeuw die terugschoot. Ik dacht dat mijn herinneringen aan dit boek vooral gekleurd waren door een heerlijke kampeervakantie in Limburg twee jaar geleden, maar toen ik laatst aan hen vroeg wat zij ook alweer zo leuk vonden aan het boek, waren ze nog steeds allemaal onverminderd enthousiast: het is vooral zo grappig. En dat is het ook. Dat ik het verhaal onmiddellijk associeer met zoele, harmonieuze zomeravonden, rode wijn, doorlezen onder de luifel boven het geraas van regen uit terwijl een juli-onweersbui de lucht klaart, en ontbijten met broodjes uit het campingwinkeltje, dat is maar bijzaak. Silverstein is een rasverteller en Lafcadio is daar een vrucht van.

Geen week zonder gedichten en met deze kun je maanden vooruit: Rond vierkant vierkant rond van Ted van Lieshout. Zo veel poëzie dat je vanzelf alles gaat zien in trocheeën, jamben en anapesten. Cato, Philip en Jet (destijds respectievelijk 9, 17 en 14 jaar) pakten het boek onafhankelijk van elkaar uit de stapel bibliotheekboeken. Zo handig, vonden ze alledrie, die uitleg over dichtvormen en versvoeten. Fascinerend om de dichter al schrappend en verbeterend aan het werk te zien. En het geeft de burger moed, want zo zie je dat je niet als Vasalis geboren hoeft te worden en de gedichten poef, kant en klaar te voorschijn komen. Het is vakmanschap. En vakmanschap kun je leren. Leg er wat Annie M.G. bij, wat Bette Westera en een bloemlezing met een beetje Elsschot, Nijhoff, Bloem en Beets, en Ted van Lieshout laat zien hoe het komt dat je zo verrast of ontroerd wordt, of waarom je moet lachen. Een dichter wil dat je ‘de woorden proeft alsof je ze nooit eerder gezien hebt.’

Meer inspiratie nodig? Pak dan Het boekenboek van Mirjam Noorduijn en Veerle Vanden Bosch. Half internet in één boek. Nou ja, bijna het halve internet. Een beetje Amazons Listmania in boekvorm. Heel veel jeugdboekentips, waarbij je van de ene favoriet naar de andere vergeten klassieker linkt. Hier kun je 24 pagina’s in pdf bekijken.

Zo is de eerste trede in de opwaartse spiraal al in de tas: mooie boeken. Nu alleen nog die tijd samen doorbrengen.

Het is best weer om een vreemde taal te leren. En dat treft, want het Rosetta Stone-thuisonderwijsabonnement wordt weer verlengd!

Ben je nog niet bekend met dit programma waarmee iedereen thuisonderwijs kan geven en krijgen? Kijk dan hier bij de uitleg. Er zijn genoeg aanmeldingen, dus de deal gaat sowieso door (mits iedereen op tijd z’n cursusgeld overmaakt), maar omdat ik nog altijd veel mails krijg van mensen die willen meedoen met het abonnement, nog een keer de gelegenheid om je op te geven.

Het komt hierop neer:

  • Toegang tot 25 talen: Engels, Frans, Hindi, Pools, Vietnamees, Spaans, Zweeds, Hebreeuws en meer
  • Alle niveaus, van beginner tot gevorderde
  • Voor alle gezinsleden van alle leeftijden (het programma werkt met plaatjes)
  • Op computer, iPhone, Android en iPad
  • Totaalprijs van 99 euro per jaar, van oktober 2017 tot oktober 2018
  • Jaarabonnement stopt automatisch
  • Het bedrag moet op 21 september 2017 overgemaakt zijn

Hier staan 24 talen waarover je beschikking hebt, en voor ons komt Latijn daar nog bij. Met de demo hier kun je zelf uitproberen hoe het werkt.

Wil je meedoen? Schrijf je dan in via het lege velletje op deze pagina, dan stuur ik je aanvullende informatie. Je abonnementsbijdrage moet uiterlijk 21 september overgemaakt zijn.

Sombreros, José!

 

Raadgedicht

19 oktober 2015

Drie weken geleden zag ik het voorbijkomen op twitter: raadgedicht. Sindsdien is het vaste prik. Op maandag kijken we wat het nieuwe gedicht is, gedurende de week denken we erover na en op vrijdag bekijken we de oplossing.

Raadgedicht is een idee van kinderboekenschrijfster Rian Visser. Zoals veel goede dingen in het leven is het concept verrassend eenvoudig: in een raadgedicht ontbreekt één woord. Tien maandagen lang komt er een nieuw gedicht online van een bekende jeugddichter. Elke week kun je tot donderdag 17.00 uur je oplossing insturen en elke vrijdag wordt de uitkomst bekendgemaakt.

Het leuke is dat alle leeftijden gelijkwaardig raden: volwassenen hebben misschien een voorsprongetje door een grotere woordenschat, maar dat wordt door jongere kinderen ruimschoots gecompenseerd door originaliteit. Hokjesvrij denken: het voorrecht van de jeugd. Daarbij biedt raadgedicht fantastisch veel gespreksonderwerpen. Hoeveel lettergrepen heeft het woord volgens jou? (En voor jongere kinderen: wat is een lettergreep?) Is het raadwoord een zelfstandig naamwoord of niet? (Een woord waar je ‘een’ voor kunt zetten.) Zie je een patroon, zoals een beginletter die steeds terugkomt of een klank die mooi past bij de rest? Kan het woord een tegenstelling zijn van iets wat eerder gezegd is, of is het eerder een synoniem?

In het gedicht van vorige week, ‘Vissen’ van Corien Oranje, vonden wij dat het zowel een bijvoeglijk naamwoord als een bijwoord kon zijn. Een bijvoeglijk naamwoord, omdat er iets kan staan over de koralen zelf: stralende, wulpse, rode. Of een bijwoord, over hoe er ‘gewuifd’ wordt: langzaam, speels, moedig. Maar Jet (13) had nog een ander idee. Zij dacht aan ‘tienduizend wuivende koralen’. Een telwoord dus.

Fragment uit ‘Vissen’ van Corien Oranje.

Ieder gedicht zorgt wel voor iets waarover we in gesprek raken. Zonder waardeoordelen, zonder goed of fout, met verrassende uitkomsten. Bij ‘Strand’ waren de kinderen bijvoorbeeld eensgezind van mening dat de ik-persoon een meisje was. Die gedachte was bij mij niet eens opgekomen, omdat ik wist dat het geschreven was door Ted van Lieshout. Verder vond ik dat het raadwoord absoluut een werkwoord moest zijn, en dat het in contrast moest staan met ‘durven’ in de regel eronder. Daar waren de kinderen het niet mee eens (terecht, bleek later).

Fragment uit ‘Strand’ van Ted van Lieshout.

Maar de gedichten zijn niet alleen kapstokken voor taalonderwerpen. ‘Skelet’ van Rian Visser paste toevallig mooi bij het anatomiehoofdstuk waar we mee bezig waren. Tijdens het lezen namen we met een tekening de botjes door, om Cato (8) en onszelf op ideeën te brengen voor het raadwoord. Waren het (vinger)kootjes? Ribben? Wervels?

Ik besloot er een poëzieweek van te maken, dat hadden we al een poos niet gedaan. Het zal u verbazen, maar mijn kinderen stonden niet onmiddellijk te juichen. Als zeven geitjes kroop de een onder een kussen, holde een ander de kamer uit en sloot de derde zich op in het toilet. Nou geef ik niet snel op, dus er kwam een pot thee op tafel, een halve overgebleven chocoladetaart van het weekend (daarmee wordt zelfs vectormeetkunde gezellig) en een stapel verzamelbundels. En geloof het of niet, maar dan komt de stemming er vanzelf in. Eerst wil iedereen zijn favoriete gedicht voorlezen: ‘De idioot in het bad’ (Jette, 13), ‘Insomnia’ (Philip, 16), ‘Oertijd’ (Cato, 8) – altijd mooi om aard en leeftijd te zien weerspiegelen. En daarna geht’s loss. Dan herinnert eentje zich een bekende strofe van een tijd geleden. Of zien ze op de bladzijde ernaast een gedicht dat ook leuk is.

Of iemand wordt nieuwsgierig naar wat er nog meer geschreven is door een bepaalde dichter. Of een grote broer of zus wil iets voorlezen aan een kleinere, omdat ze er zulke goede herinneringen aan hebben.

Net als bij de raadgedichten zoeken we dan naar patronen. We kijken naar het ambacht, want dichten is meestal niet het onder elkaar zetten van rijmende zinnen. Ik liet drie versvormen zien: het sonnet, het rondeel en het kwatrijn. Vervolgens maakten de kinderen elk een gedicht in een versvorm naar keuze. Cato koos een kwatrijn (rijmschema aaba):

Philip en Jet namen een rondeel (ABab abAB abbaAB, de hoofdletters betekenen dat de hele zin wordt herhaald). Met als resultaat bij Philip:

En bij Jet:

En dat in twintig minuten. Ik gooi het op de chocoladetaart. En op raadgedicht, want dat was de aanzet. In dat kader is er trouwens nog een leuke bundel: In een slootje ben ik een bootje van Bette Westera en Klaas Verplancke (ill.). Die bevat geen raad-, maar raadselgedichten:

Wij zijn een stel, het mes en ik.
Wij zijn al jaren samen.
Het mes snijdt alles kort en klein,
en ik, ik prik met name.

Zo staan er een stuk of twintig in. Net als bij raadgedicht voor een ruime leeftijdsmarge, want ze zijn niet allemaal even simpel; Jet en ik hadden er ook een paar mis.

En onthouden dus, de komende weken: raadgedicht. Nog vier weken iedere maandag een verse.

Het is best weer om een taal te leren. En dat treft, want we gaan ons Rosetta Stone-thuisonderwijsabonnement weer verlengen!

Ben je nog niet bekend met deze laagdrempelige manier waarmee iedereen thuisonderwijs kan geven en krijgen? Kijk dan hier op de uitleg die ik vorig jaar schreef. We hebben genoeg aanmeldingen, dus de deal gaat sowieso door (mits iedereen op tijd z’n abonnementsgeld overmaakt), maar omdat ik het afgelopen jaar veel mensen heb moeten teleurstellen die zich na de sluitingsdatum wilden inschrijven, geef ik nu nog een keer de gelegenheid om mee te doen.

Het komt hierop neer:

  • Toegang tot 25 talen: Engels, Frans, Hindi, Pools, Vietnamees, Spaans, Zweeds, Hebreeuws en meer
  • Alle niveaus, van beginner tot gevorderde
  • Voor alle gezinsleden van alle leeftijden (het programma werkt met plaatjes)
  • Op computer (met headset), iPhone, Android en iPad
  • Totaalprijs van 99 euro per jaar, tot oktober 2016
  • Jaarabonnement stopt automatisch
  • Het bedrag moet vóór 1 oktober 2015 overgemaakt zijn

Hier staan 24 talen waarover je beschikking hebt, en voor ons komt Latijn daar nog bij. Met de demo hier kun je zelf uitproberen hoe het werkt.

Wil je meedoen? Schrijf je uiterlijk maandag 28 september in via het lege velletje op deze pagina, dan stuur ik je aanvullende informatie. Houd daarna wel je mail in de gaten, want de bijdrage moet vóór 1 oktober 2015 overgemaakt zijn om je deelname definitief te maken.

Sombreros, José!


Sinds twee jaar zijn de kinderen druk in de weer met Rosetta Stone, het beroemde taalprogramma dat wereldwijd lof oogst. Philip (15) leert er Spaans mee, Cato (7) doet Engels en Jette (12) geht los met Duits. En ik moet zeggen: het werpt zijn vruchten af.

Het mooie van Rosetta Stone is dat het geschikt is voor elke leeftijd en discipline, het is laagdrempelig en je kunt zelf kiezen waar je het accent legt. Vooral lezen en schrijven oefenen? Check. Liever alleen luisteren en uitspraak verbeteren? Ook dat kan.

Het enige nadeel is dat het nogal kostbaar is. Als je alle niveaus wilt afnemen (vergelijkbaar met vijf leerjaren voortgezet onderwijs), ben je ongeveer 350 euro kwijt. Per taal.

Daar hebben we iets op gevonden. Naast indivuele pakketten biedt Rosetta Stone namelijk ook onderwijsabonnementen aan. Met een aantal thuisonderwijzers hebben we de handen als vanouds ineen geslagen en zijn zo’n abonnement aangegaan. Voor 99 euro per jaar leren we nu al twee jaar lang, met het hele gezin, met keuze uit 25 talen op álle niveaus.

Dus als je wilt instromen in het hoogste niveau Engels, maar vanwege de vakantie in Rome tegelijkertijd een beginnetje wilt maken met Italiaans, dan kan dat. Of als je je Frans wilt oppoetsen, maar net wat verder bent dan ‘Bonjour, je m’appelle Pascale’, dan bepaal je in drie muisklikken je niveau. En als je bezig bent met een project over China, dan kun je gewoon een maandje Mandarijn erbij leren om de smaak te pakken te krijgen.

Kortom, we zijn er blij mee. En nou komt het: dit jaar lijken we de 75 benodigde abonnees niet te halen. Dat zou jammer zijn. Maar het heeft ook een voordeel: we kunnen ons buitenkansje dit jaar delen! Met iedereen die, wel of geen thuisonderwijs, ook een taal (of twee, of zeven) wil leren. Met jullie!

Er zijn nog 15 plaatsen beschikbaar. Je moet alleen wel snel beslissen: uiterlijk donderdag 9 oktober om 19.00 uur*. (Ik voel me een beetje de encyclopedieverkoper met een voet tussen de voordeur, maar ik hoorde pas vanavond dat zonder 75 mensen het abonnement niet verlengd kon worden, anders had ik wel eerder getoeterd.)

Samenvattend:

  • Je krijgt toegang tot 25 talen (Engels, Frans, Italiaans, Hindi, Pools, Vietnamees, Spaans, Zweeds, Hebreeuws…)
  • Op alle niveaus, van absolute beginner tot grote gevorderde
  • Voor alle gezinsleden van alle leeftijden (het programma werkt met plaatjes)
  • Op computer (met headset), iPhone, Android en iPad
  • Voor een totaalprijs van 99 euro voor een heel jaar, t/m oktober 2015 en het stopt automatisch.

Wil je meedoen? Stuur dan uiterlijk donderdag 9 oktober 19.00* uur een mail via het lege velletje op deze pagina, dan zend ik je aanvullende informatie. Houd diezelfde avond wel je mail in de gaten, want de bijdrage moet vóór 10 oktober* overgemaakt zijn om het abonnement te laten doorgaan.

Hier staat over welke 25 talen je precies de beschikking hebt, en met de demo hier kun je zelf uitproberen hoe het werkt.

— update 10 oktober —

* Deadline bereikt en missie volbracht. Ik heb vierenveertig mails gekregen waarvan eenenveertig mensen zich aangemeld hebben. Namens Wilde Ganzen: onze hartelijke dank!

De kleinste vrede

24 februari 2014

Olijfboom
Vorige maand nog schreven Philip en Jet een gedicht van hem over, en nu is Leo Vroman niet meer. Geen volslagen onverwachte gebeurtenis, want hij is met zijn 98 jaar niet in de wieg gestorven, maar het is toch iets wat je een paar dagen bezighoudt. Dat je een weekend lang ‘Kom vanavond met verhalen…’ in je achterhoofd voelt soezelen, zeg maar.

Dat soezelt alleen in je hoofd als je het kent, natuurlijk. Daarom wil ik zo graag dat Philip, Jet, Catootje en straks Victoria al die regels ook kennen. Van Vroman, Elsschot, Slauerhoff, Vasalis, Achterberg, Bloem. De namen bij elkaar zijn al bijna poëzie.

Mijn kinderen hoeven niet per se hele gedichten uit hun hoofd te kennen, hoewel dat wel het mooiste is, maar een paar strofen zijn wel goed. Genoeg om het gedicht te kunnen opzoeken als je het wilt voorlezen aan je geliefde, om het te laten opborrelen op onverwachte momenten, als je iets op straat ziet gebeuren, naar een schilderij kijkt of op het nieuws hoort dat de dichter is overleden.

Ik heb me altijd voorgesteld dat Leo Vroman het onuitstaanbaar slimste kind van de klas was. Goed in alles. Niet alleen in wiskunde, nee, ook nog eens creatief, met zijn schrijven en formidabele taalgevoel. Empathisch, want een dichter, waarschijnlijk ook nog grappig, lief voor dieren en bij tekenen weer de beste. Ik weet niet hoe hij in sport was, maar het zou wat mij betreft genoeg zijn geweest om met lood in mijn schoenen naar de schoolreunie te gaan.

Gelukkig heeft Vroman veel uitgedeeld van zijn talenten. Hij werd wetenschapper, bioloog en bloedonderzoeker, tekende, schilderde en dichtte. De regels hierboven komen uit zijn bekendste gedicht ‘Vrede’. Moet u zelf hier maar even lezen. Er is al veel op los geanalyseerd, maar wat ik nog interessanter vind, is dat hij 57 jaar na ‘Vrede’ een ander gedicht publiceerde. Nou moet u eerst ‘Vrede’ lezen en dan deze:

De kleinste vrede

Als een musje van achttien gram
met wat olijfdrab aan zijn teentje
op een ochtend bij ons kwam,
en nog eentje, en nog eentje,

dan na onderling beramen
keken zij mij even aan
en tjilpten een verhaaltje samen,
ik zou er geen tjilp van verstaan,

maar zou een vrede ondergaan en
dan voelde ik alle haat en
pijn dit land verlaten.
En o mijn tranen.
O mijn tranen

Uit: Leo Vroman, Daar, 2011.

Mooi, hè? De afschuwelijke beelden en grofheid uit ‘Vrede’ en dan het tere van ‘De kleinste vrede’. Je kunt je tranen laten vloeien, terwijl je tegelijkertijd de haat en pijn afwijst die de tranen veroorzaakt hebben. Ik zou toch naar die schoolreunie gegaan zijn om hem daarvoor te bedanken.

Cato schrijft

29 oktober 2013

Van mijn drie schrijvende kinderen is zij degene die er het hartstochtelijkst gebruik van maakt. Philip kwam op die leeftijd het liefst alleen in de buurt van pen en papier als het noodzakelijk was voor de voortgang van zijn spel: de politie-agent met het bonnenboekje, de griffier die de nummers van de Duckstadse Zware Jongens moest noteren. Jette schreef vooral in sociaal verband: brieven, kaarten, gezelligheidsplakkertjes voor mij – maar toen was ze al wat ouder.

Cato maakt daarentegen kwistig gebruik van haar verworven vaardigheid. Ze schrijft op alles wat los- en vastzit, maakt verlanglijsten van vijf A4-tjes die met plakband aan elkaar hangen, schrijft puzzelboeken vol en maakt uitgebreide ‘doe-kaartjes’ voor haar eigengemaakte bordspellen.

Maar ze vindt het vooral heel praktisch dat ze overal en altijd haar stem kan laten horen. Als derde komt ze er namelijk weleens bekaaid vanaf. Zat ik bij Philip nog eindeloos gehurkt ieder verhaal, verzoek en debat uit, bij Cato moet het vaak tussendoor. Tussen een geschiedenisverhaal en een telefoongesprek, tussen een peuterhuilbui en een wiskundesom, tussen laat-me-héél-even-nadenken en als-er-nu-iemand-tegen-me-praat-ga-ik-schreeuwen.

Als ik aan het werk ben heb ik vaak een koptelefoon op met nagebootste regen. Ik verricht geestelijke arbeid graag met wat onbestemd achtergrondgeluid (fysieke arbeid mag met bestemd geluid) zodat ik alle kindervragen zonder schuldgevoel kan negeren – omdat ik ze toch niet hoor. Daar heeft Cato wat op gevonden. In noodgevallen mag ze me altijd een por geven, maar hoe zit het met dat uitgestrekte grijze gebied tussen noodgeval en niet-noodgeval? Je kunt een verschrikkelijk urgente trek hebben in kruidnoten. Of de accute behoefte om te weten hoeveel nachten het duurt voordat je bij oma mag logeren.

Omdat ze weet dat onze definities soms uiteenlopen, neemt Cato het zekere voor het onzekere. Ze moét het kwijt, maar ik mag bepalen of het noodgevalfähig is.