Veenhuizen

20 april 2013

Als je de eerste hausse voor het nieuwe Rijks wilt afwachten, kun je net zo goed even een ander museum aandoen. Het Gevangenismuseum bijvoorbeeld! Het is niet helemaal in de buurt van de hoofdstad, maar wat is twee uur reistijd op een mensenleven?

Ik vond het al indrukwekkend om door de poort te lopen van het Tweede Gesticht, waar zo veel sloebers voor mij doorheen waren gelopen, een nieuw leven tegemoet.

Ik moet erbij zeggen: we hadden ons al een poosje ingelezen. Dat kan ik iedereen aanraden. Als gevangenis is het geen overweldigende plek; iedereen die een Louis Therouxtje of Discovery-uitzending gezien heeft over de Ergste Gevangenissen Ter Wereld wordt niet omvergeblazen door Veenhuizen. Maar als historische plek is het heel bijzonder.

Voor wie nog niet ingelezen is: in 1818 was er een barmhartige generaal, Johannes van den Bosch, die begaan was met het lot van de armen. De Franse overheersing had het laatste zetje gegeven tot een grote hoeveelheid armoe en ellende en Van den Bosch wilde de vele sloebers een nieuwe kans geven. Hij richtte de Maatschappij van Weldadigheid op en nodigde armlastige gezinnen uit om naar Drenthe te komen. Daar stond een kolonistenwoning voor hen klaar, kregen ze een koe en een stukje land om het Drentse veen te ontginnen.Men mocht er opnieuw beginnen. Naast de losse kolonistenhuisjes werden er grote gestichten gebouwd waar zo’n 1200 mensen onderdak konden vinden.

Johannes van den Bosch had een goed hart. Het experiment was bedoeld om mensen ‘uit de diepte hunner ellende op te heffen’ en op te voeden tot zelfstandigheid, maar algauw bleek dat het niet helemaal uit de verf kwam. Veel stadse paupers hadden nog nooit een koe gezien, laat staan dat het boeren hen van nature goed afging. Bovendien wilden de meeste mensen helemaal niet naar Drenthe, dat algemeen beschouwd werd als het Siberië van de Nederlanden. Maar bedelaars bleven een probleem, dus besloot de Maatschappij van Weldadigheid dat als men niet uit vrije wil naar het veen afreisde, er onder dwang geholpen diende te worden. Zo werden veel schlemielen en landlopers naar Veenhuizen getransporteerd, waar zij op last van de overheid ‘verpleegd’ werden tot een zelfstandig bestaan. Van een lankmoedig initiatief werd het van lieverlee een rijksinrichting.

Het is allemaal te lezen in Het pauperparadijs, een familiegeschiedenis van Suzanna Jansen, een prachtig boek waar je vast al van gehoord hebt. Jansen vertelt op een ontroerende manier de geschiedenis van een deel van haar familie en tegelijkertijd van negentiende- en twintigste-eeuws Nederland.

Voor kinderen is Ver van huis van Martine Letterie een aanrader. Ook hier kwam de inspiratie uit de voorouders van de schrijfster (veel Nederlanders zijn nazaten van Veenhuizense verpleegden), maar anders dan Het pauperparadijs is Ver van huis een fictieve roman over twee meisjes die vanuit negentiende-eeuws Den Haag uit vrije wil naar de veenkoloniën vertrekken.

Het fascinerende aan Veenhuizen vind ik dat het allemaal niet zo lang geleden is. Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw, mijn jaren tachtig, was het hele dorp Veenhuizen nog afgesneden van de rest van Nederland. Als je van de snelweg kwam, mocht je het dorp gewoon niet in, tenzij je de dienstdoende bromsnor kon vertellen wat je kwam doen en specifieke vragen kon beantwoorden, zoals wat de gezinssamenstelling was van de mensen die je ging bezoeken.

Dertig jaar later rijden we er zomaar met een bus doorheen. Een boevenbus, gerestaureerd en gereden door vrijwilligers van het Gevangenismuseum. Ooit de bus waarmee echte boeven en boefjes naar de gestichten vervoerd werden.

Het is een vreemde gewaarwording. Aan de ene kant de folklore van een authentieke bus met tralieramem en een reisleidster die links en rechts wijzend anekdotes door de microfoon vertelt. Aan de andere kant bestaat het dorp echt. Het is geen filmdecor, geen openluchtmuseum. Het is een tijdsbeeld.

Je kunt je voorstellen dat je vanuit de Jordaan hier naartoe gebracht wordt. Zomaar, omdat het leven niet meezit, omdat je de eindjes aan elkaar moet knopen en er telkens een korter stukje overblijft, totdat er niks meer te knopen valt. En dan kom je hier, langs die eindeloze Drentse wegen, dat kaarsrecht uitgegraven kanaal, terwijl je ooms, tantes en buren, de mensen met wie je je altijd gebroederlijk door de pech heengeslagen had, nog in de Derde Leliedwarsstraat wonen.

De directeursvrouw van de Maatschappij van Weldadigheid had geprobeerd wat allure aan het dorp te geven. Zij verzon de namen op de huizen van de ambtsdragers in Veenhuizen, tot verheffing van het volk.

Niet dat je daar wat aan had, als analfabeet uit de Derde Leliedwarsstraat. Maar de bedoeling was goed.

Het Gevangenismuseum is gevestigd in het voormalige Tweede Gesticht te Veenhuizen. Ik verwachtte niet veel van het museum zelf, want ik vond het al bijzonder genoeg om op de plek te zijn waar we over gelezen hadden en dat zo’n onderdeel is van de Nederlandse geschiedenis.

Maar ook de collectie is een reis waard. Op chronologische volgorde loop je door de misdaad- en strafgeschiedenis van 1600 tot nu, van radbraakkruis en pijnbank tot de huidige cellen van bolletjesslikkers.

Er was een kindertour en Philip, Jet en Cato zijn inmiddels experts op dat gebied. Uit de frequentie waarmee speurtochtboekjes in mijn handen gedrukt worden, kan ik afleiden hoe interessant ze het vinden. Als ik degene ben die met drie boekjes en potloden door het museum wandelt, is het meestal geen indrukwekkende queeste. ‘De vloek van Veenhuizen’ bleek een hit.

Het handelt om Gaius, een jongeman uit ‘een ver verleden’ die niet meer bij zijn geliefde Marieke mag zijn.

De vader van Marieke heeft Gaius laten opsluiten in een verborgen cel en alleen een echte speurneus kan de twee geliefden weer bij elkaar brengen.

Laat ik nou een speurneus bij me hebben.

Die hoef je geen knollen voor citroenen te verkopen. Cato zou het ook heel goed gedaan hebben in het Korps Gestichtwacht.

Terwijl Philip, John en ik rondkeken en onze dribbelende peuter bezighielden en voortlokten met een boterhammetje pesto, volgden Jet en Cato alle aanwijzingen die de vloek van Veenhuizen konden opheffen. Ze communiceerden via verwarmingsbuizen en verzamelden geheime codewoorden die hen steeds dichter bij de verborgen gevangeniscel brachten.

Al speurend maakten ze een tijdreis door vier eeuwen strafgeschiedenis en kwamen voorwerpen tegen die Jet al kende uit Ver van huis. Cato moet nog ingelezen worden, maar die heeft op deze manier wat praktijkervaring opgedaan. Ik denk dat ze de slaapkooi niet zal vergeten; zo brachten ze dus echt hun nachten door – uw en mijn voorouders.

Het ziet er vreselijk uit, een kooi die ’s avonds op slot gaat, maar uit de verhalen in Het pauperparadijs blijkt dat veel bewoners de slaapkooi eigenlijk wel prettig vonden. Het was de enige plek waar ze even alleen waren. En het was allicht beter dan de slaapkist die voor epileptici en geesteszieken gebruikt werd.

Ik zal de spanning niet verder opbouwen: ze hebben de vloek opgeheven, hoor. Gaius werd uit zijn geheime cel bevrijd en leeft voor altijd gelukkig met zijn Marieke.

Victoria vond het allemaal prima. Zolang ze haar boterham met pesto maar kreeg.

Op den eersten tand

17 augustus 2012


‘Triomf, triomf! Hef aan, mijn luit,
Want moeder zegt: de tand is uit!’



Het had wat voeten in aarde,

maar na enige overredingskracht

en een rijstwafel als lokaas,

liet zij zich met blijde zin fotograferen.

Ik vroeg de kinderen of ze een idee hadden waarom Tollens de versregels hierboven geschreven kon hebben. Het was dan wel een tranentrekker, die Hendrik, maar hij heeft geen gedicht geschreven op de eerste stapjes van zijn zoon. En het was ook niet ironisch bedoeld.

Waarom dan die lofzang op de ivoren wachters? Gewoon om het te vieren, dacht Cato. Omdat er gestopt kon worden met de borstvoeding, gokte Philip. (Dat hij zelf borstvoeding heeft gekregen tot lang nadat zijn gebit compleet was, was hij vergeten. Daar doe je het voor, als moeder.)

Tollens schreef het gedicht aan het begin van de 19e eeuw. De levensverwachting in die dagen was 40 jaar. En van alle gezondgeboren kinderen stierf ongeveer een vijfde voordat ze 1 jaar oud waren. Als die ondertand eenmaal door was, had je het eerste colletje wel in de benen en een flinke etappe gewonnen dus. De kans was dan aanzienlijk groter dat je kind volwassen zou worden; alle reden voor rijmelarij.

Victoria was er niet van onder de indruk. Als ze die rijstwafel maar kreeg.

Op den eerste tand van mijn jongstgeboren zoontje

Triomf, triomf! Hef aan, mijn luit,
Want moeder zegt: de tand is uit!
Laat dreunen nu de wanden!
Eerst gaf Gods gunst het lieve wicht
Den adem en het levenslicht,
Nu geeft zij ’t wichtje tanden.

Triomf, triomf! God dank er voor,
Want moeder zegt: de tand is door!
Nu lof en lied verheven!
Geluk nu, kind, met snaar en zang!
Besteê het wel, bewaar het lang,
Wat u Gods gunst wil geven.

Bewaar het lang, besteê het wel:
En goed gebruik is Gods bevel:
Laat u dat voorschrift leiden;
Hou, u ten nut en Hem ten dank,
De tandjes rein en ’t zieltje blank;
Zo knagen geen van beiden.

Groei op, groei op! Word groot en goed;
Win treflijk aan in kracht en moed
Om lot en leed te tergen;
En, wie u ’t eerloos hoofd moog’ biên,
Laat, jongen, laat uw tanden zien,
Waar eer en plicht het vergen.

Groei op, word braaf, bekroon zijn doel:
Laat vroeg uw ziel van diep gevoel
Voor recht en waarheid branden!
Belach der bozen wrok en wraak,
En neem altoos der braven zaak
Manmoedig op uw tanden.

Groei op, word vroom, word rijk aan deugd!
Laat nooit mijn oog, dat weent van vreugd,
Om u van weemoed krijten;
En geve u God tot aan den dood
Een eerlijk stukje daaglijks brood,
Waarop uw tandjes bijten!

Hendrik Tollens (1780-1856)

Als je je eenmaal in de open zenuw van de Amerikaanse geschiedenis bevindt, blijkt er natuurlijk een hoeveelheid boeken te bestaan waar je een prairie mee kunt bedekken. Veel voegt het niet toe aan de Kleine Huisreeks, maar eentje stak er toch met kop en schouders bovenuit.A Pioneer Story: The Daily Life of a Canadian Family in 1840van Barbara Greenwood en Heather Collins (ill.). 1)

Het kleine huis in Canada dus. Helaas niet vertaald in het Nederlands, maar voor fans van het genre, de Jettes onder ons, wel een erg mooi boek. Bovendien: voorlezen en vertalen gaat misschien wel niet zo snel, maar is wel erg gezellig.

Het boek is prachtig geïllustreerd en vertelt het verhaal van het echtpaar Robertson, hun zes kinderen en een inwonende grootmoeder. Een jaar lang volg je de familie bij hun werk in en rond het huis: schapen scheren, ahornsuiker winnen, naar school gaan, vissen, honing zoeken. Geen opsomming, maar een mooi verhaal met hier en daar wat spanning, karakters die je een beetje leert kennen en genoeg sfeer om je bij te verkneukelen. De verhaallijn wordt afgewisseld met achtergrondinformatie en ideeën om zelf aan de slag te gaan. Samen met de grote tekeningen maakt dat het net een beetje anders dan de Kleine Huisboeken.

Klik op de foto’s om ze iets groter te zien.

Een heel ouwetje is Het indianenboek van Holling C. Holling. 2) Uit 1935 en een begrip in de Amerikaanse kinderboekengeschiedenis. Volgens mij is Het indianenboek zijn enige werk dat ooit in het Nederlands vertaald is.

De titel is natuurlijk volslagen politiek incorrect. Geen ‘inheemse bevolking’ of ‘eerste volken’, maar ouderwets indiaan. Toch is het geen toonzetting over de edele wilde. Holling Clancy Holling beschrijft met overduidelijke sympathie en affectie vier bevolkingsgroepen, indianen uit alle delen van de Verenigde Staten van oost naar west, in een combinatie van informatieve stukken en spannende verhalen uit het alledaagse leven van indianenkinderen. De mooie, gedetailleerde kleurrijke platen en zwart-wittekeningen dragen veel bij aan de charme van het boek.

Om de boel compleet te maken lezen we enkele indianenlegendes. In Omakayas komen wat mythen voorbij, maar ik wil ook twee boeken van Käthe Recheis met de kinderen lezen: Toen er nog bizons waren en Pijljongen en de geesthonden. Recheis is de bekroonde Oostenrijkse kinderboekenschrijfster die veel heeft geschreven over Noord-Amerika. Zij heeft in reservaten de verhalen opgeschreven uit het collectief geheugen van een aantal stammen die verloren dreigden te gaan.

Als we daarna nog niet krankjorum zijn geworden en als dollemannen door het leven gaan in verentooi en beverhuiden rokje, heb ik Longfellows Het lied van Hiawatha op het menu staan. Voor nu is het wat ambiteus, een dichterlijk epos uit 1855, maar eigenlijk hoort ie er wel bij. Veel Amerikaanse kindertjes hebben de eerste regels ervan uit het hoofd moeten leren.

By the shores of Gitche Gumee,
By the shining Big-Sea-Water,
Stood the wigwam of Nokomis,
Daughter of the Moon, Nokomis.
Dark behind it rose the forest,
Rose the black and gloomy pine-trees,
Rose the firs with cones upon them;
Bright before it beat the water,
Beat the clear and sunny water,
Beat the shining Big-Sea-Water.
There the wrinkled old Nokomis
Nursed the little Hiawatha,
Rocked him in his linden cradle,
Bedded soft in moss and rushes.

Henry Wadsworth Longfellow schreef het gedicht om meer respect te vragen voor de oorspronkelijke bewoners; een tamelijk unieke geste halverwege de negentiende eeuw. Naast bewondering kreeg hij ook nogal wat hoon te verduren, onder meer van collega’s die het gedicht meermalen parodieerden. Er zitten erg geestige bij (hier een paar parodieën), zoals die van Lewis Carroll. Alleen al daarom vind ik het de moeite waard om het gedicht in ons leeslijstje op te nemen.

Maar eigenlijk hebben we niet eens een excuus nodig. Want kijk eens wie er ook over gezongen heeft? Meer rechtvaardiging heeft een mens niet nodig.

———————-

1) Op Google Books kun je hier voorbeeldpagina’s bekijken. Het boek heette oorspronkelijk A Pioneer Sampler en is later verschenen onder de titel A Pioneer Story. De inhoud is gelijk, het maakt dus niet uit welke je op de kop tikt. Het boek is mooi genoeg, maar voor wie er geen genoeg van kan krijgen, is er een educatieve bijlage met lessuggesties voor taal, rekenen, wereldoriëntatie en kunst. Hier staat ie in pdf.

Terug

2)  Bij boekwinkeltjes wordt Het indianenboek volop aangeboden.

Terug

Meer negentiende eeuw:

Hoewel Jet niet meer in vol ornaat de straat op gaat om haar dagen als Laura Ingalls Wilder door te brengen, 1) is de negentiende eeuw nog steeds een favoriete periode.

Mal hoe die dingen lopen. Mij heeft het als kind nooit geïnteresseerd, de negentiende eeuw. Geschiedenis sowieso niet. Ik hield wel van lezen. Thea Beckman, Jan Terlouw, Evert Hartman. En ik hield van de verhalen van mijn opa. Over zijn jeugd, de oorlog, de politieke situatie in de jaren ’30, ’40, ’50, ’60. Maar de link tussen boeken, verhalen en geschiedenis had ik nooit gelegd. Terwijl dat nou juist geschiedenis is.

Geschiedenis bestaat uit verhalen. Mooie, grappige, verdrietige, razendmakende verhalen. Verhalen waarover je moet nadenken. Kritisch, malend. Om dingen vanuit verschillende gezichtspunten te zien. De verhalen van mijn opa waren gekleurd door zijn eigen rode bril (‘Willen we naar de Dam? Dan gáán we naar de Dam!’). De verhalen van mensen die in dezelfde tijd leefden, maar in een andere maatschappelijke of geografische positie zaten, waren heel anders. Als je al die verhalen hoort, ga je beter snappen waarom dingen zijn zoals ze nu zijn. Waarom ze soms veranderd moeten worden. Of waarom het juist prettig is dat het zo is.

De geschiedenis van de pioniers in Amerika stond niet in mijn top tien van te leren dingen. Ook niet in mijn top zeventig. Ik heb niks met cowboys en indianen, ik heb nooit meer dan zes minuten van een western kunnen uitzitten (alleen het intro duurt al gauw een kwartier) en heb nog nooit Het kleine huis op de prairie op televisie gezien. Maar ik had van verschillende kanten begrepen dat de boéken van Het kleine huis echt de moeite waard waren. Dus haalde ik het eerste deel uit de bibliotheek.

En Het kleine huis in het grote bos bleek inderdaad leuk. De eerste pagina’s waren even schrikken, met uitgebreide beschrijvingen van de varkensslacht, maar vanaf ‘Kerstmis’ was Jet verkocht. Alle volgende delen 2)  heeft ze verslonden, avondenlang terwijl John voorlas. Als zij er een uit hadden, las ik hem daarna.

De boeken zijn zo mooi omdat ze jaar na jaar laten zien welke worstelingen, succesjes, tegenslagen, tevredenheid, hoop en tragedies de landverhuizers doormaakten. Je leeft mee met de eerste oogst, de grote droogte, de langzame maar gestage bouw van het huis, wéér een verhuizing. Je volgt hun trek naar nieuwe oorden, de onderlinge communicatie. Je ziet Laura opgroeien.

Het gaf ook altijd stof tot praten. Hoe ze bleven doorzetten, hoe heerlijk het is dat wij wel stromend water hebben. Lange tijd gingen de gesprekken aan het avondeten over de manier waarop Laura en haar zusjes door hun moeder behandeld worden. Ik begon er vaak zelf over, want bij de onvriendelijke opvoeding van Ma Ingalls stak ik zelf tamelijk gunstig af, vond ik.

De tv-serie hebben we nog altijd niet bekeken. Ik heb wel een paar stukken gezien waar Pa Ingalls met ontbloot torso en een bijl over de schouder loopt, terwijl Laura en haar zusjes schaterend een heuvel af rennen en Ma Ingalls teder toekijkt. Beelden die in niets lijken op de boeken, waar de karakters groeien en je de ontwikkeling van een land volgt door de ogen van een generatie.

Zoals ik zei: het is goed om altijd verschillende versies van een verhaal te horen. En er is een boek over een achtjarig meisje dat in precies dezelfde tijd leefde als Laura Ingalls, maar dan in een heel andere situatie. Vriendin-collega Elisabeth gaf me de tip.

Louise Erdrich schreef in The Birchbark House over Omakayas (spreek uit: oo-MAA-kee-jaas), een meisje van het Ojibwevolk, een van de grootste groepen indianen van Noord-Amerika. Zoals je in het Kleine Huis leest hoe de familie Ingalls boter karnde, huizen bouwde en jaagde, zo lees je in Omakayas hoe een ander volk in precies dezelfde tijd in haar levensonderhoud voorzag. De angst waarmee Ma Ingalls naar de inheemse wilden keek, is veranderd in de bevreemding waarmee Omakayas kijkt naar die witte mensen met hun lelijke voeten (geen wonder dat ze van die rare hoge schoenen dragen, denkt ze).

The Birchbark House-serie bestaat uit drie delen, waarvan er absurd genoeg maar eentje in het Nederlands vertaald is, deel 1: Omakayas, het meisje van het Geesteneiland. Het tweede deel, The Game of Silence en het derde, The Porcupine Year zijn alleen in het Engels verkrijgbaar. Dat is jammer, want het tweede deel is misschien nog wel mooier dan het eerste. Ze horen ook zo bij elkaar. Hoewel Jet nog geen lange Engelse boeken leest, hebben we ze toch gekocht. Ze kosten een maar een paar pond bij amazon.co.uk (gratis verzenden vanaf 25 pond) of bookdepository (nooit verzendkosten). Ik lees voor en vertaal. Gaat in het begin een beetje langzaam, maar dat is niet erg. En na een paar hoofdstukken merk je dat er steeds minder vertaling nodig is.

Als toetje kreeg ik een filmtip van een vriendin. Ze had Jettes verkleedpartijen gezien en dacht dat dit misschien wel iets voor haar was. Dr. Quinn, Medicine Woman. Het duurde even voordat ik mijn westernaversie opzij gezet had, maar toen ik zag wie een glanzende bijrol als Kid Cole vertolkt, ging ik overstag.

Ja, hij heeft toevallig ook zijn gitaar bij de hand.

De hele serie is geweldig. Het speelt zich af in de tijd van Laura Ingalls Wilder en Omakayas, de tweede helft van de negentiende eeuw. Alles komt voorbij, maar dan in kleur. 3) Het dagelijks leven, de misoogsten, medische vooruitgang, nieuwe Europese immigranten, de eerste vrije slaven, het begin van de rechtspraak, de eerste stoomtrein, het eerste schooltje, contacten met Cheyennes, de massamoord bij de Washitarivier.

De Nederlandse Dr. Quinnsite staat hier, heel uitgebreid. De afleveringen zijn op youtube en in veel bibliotheken te vinden. De dvd’s zijn momenteel ook in de uitverkoop voor 14,95 euro per seizoen, zowel bij de EO als bij bol.

Hier een beginnetje van de allereerste aflevering.


———————-

1)  Zoals u hebt kunnen lezen in deze deeltjes uit de succesvolle reeks ‘De doldwaze avonturen van het thuisonderwijskwartet’:

Terug


—–

2) De reeks bestaat uit tien delen van Laura Ingalls Wilder met tekeningen van Garth Williams. In het eerste deel is Laura (de hoofdpersoon) vier jaar oud en bij ieder deel wordt zij ouder.

  • Deel 1: In het grote bos.
  • Deel 2: Op de prairie.
  • Deel 3: Aan de rivier.
  • Deel 4: De grote hoeve – onafhankelijk te lezen. Gaat over de jeugd van Almanzo Wilder, Laura Ingalls’ echtgenoot.
  • Deel 5: Aan het Zilvermeer.
  • Deel 6: De lange winter.
  • Deel 7: De stad op de prairie.
  • Deel 8: Een huis voor Laura.
  • Deel 9: De vier prairiejaren.
  • Deel 10: Onderweg.

Hierna volgt een soort epiloog, niet meer geschreven door Laura Ingalls Wilder, maar door Roger MacBride. Gaat over Rose, de dochter van Laura en Almanzo Ingalls.

  • Deel 11: Het Kleine Huis-kookboek. Zoals de titel zegt. Hoef je niet te lezen, is ook nauwelijks (tweedehands) verkrijgbaar.
  • Deel 12: Op de heuvel.
  • Deel 13: Bij de bron.
  • Deel 14: Bij de boomgaard.

Terug

—–

3) Het ziet er onwijs goed uit, maar vaak dus ook heel echt. Verreweg de meeste afleveringen zijn geschikt voor mijn kinderen (ook dertienjarige Philip die momenteel alleen van James Bond en actiefilms houdt, vindt ze mooi), maar er zitten een paar nare stukken tussen. De aflevering over de opkomst van de Ku Klux Klan was bijvoobeeld te akelig voor Jet (10) en Cato (5).

Terug

Mei

22 mei 2012

Gek is dat. Op het moment van schrijven lijken dingen best coherent en toepasselijk. Maar als je het achter elkaar zet, kun je toch een raar beeld krijgen. Dat was vroeger met mijn dagboeken. Ik was niet zo’n trouwe schrijfster en vaak begon een stukje met: ‘Lief dagboek, het is alweer veel te lang geleden dat ik heb geschreven.’ Met als gevolg dat ik later bladzij na bladzij teruglas hoe weinig ik schreef en hoezeer ik me voornam vaker mijn dagboek bij te houden. Alsof het bijhouden het doel op zich was en ik niets anders deed dan me wentelen in schuldgevoelens over mijn mislukte pogingen. Terwijl ik mijn jeugd toch echt anders doorbracht.

Als ik hier nu mijn laatste posts bekijk, komt het me ook bevreemdend voor. Een beetje verzuurd. De grumpy old lady die afwisselend nostalgische muziek luistert, films kijkt en tegen de gordijnen moppert. Terwijl we daarnaast best andere dingen doen. Waarvan akte.

Zo was daar het culturele hoogtepunt van het jaar. Als u niet in een slaapzak voor het loket heeft gelegen, is de kans groot dat u geen kaarten heeft weten te bemachtigen. Een korte impressie van wat u gemist heeft.

Zij is telkens de blonde in het midden.

Maar dat zag u al aan haar ijver en toewijding, hè?

Omdat de balletschool gegroeid is, worden er dit jaar meerdere optredens gegeven. We hebben er nog een in het verschiet waarin, net als vorig jaar, naast Jet ook Cato een prominente rol zal spelen.

Voorts bracht mei een nieuwe kostganger.

Vooralsnog eentje die zich beperkt tot volle yoghurt en venkel,

maar dat wordt dan ook met overgave gesavoureerd.

Verder slokjes thee en water. Niet uit zo’n lullige tuitbeker natuurlijk. Als vierde wil je een beetje serieus deelnemen aan het gezin.

Ze werkt hard aan haar basisvaardigheden. Geluid maken, dingen vastpakken, zich voortbewegen. Allemaal heel rudimentair, hoor. Hoewel wij persoonlijk in ‘baaa-pa’ duidelijk de woorden mama en papa herkennen. En waar een ander nauwelijks meer dan een gefrustreerde buikligging ziet, zien wij een onmiskenbare poging tot kruipen.

Ze wordt ook graag gedragen. Op buik, heup en rug, in doeken, in armen,

in verscheidene draagbuidels.

Hoewel ze alles wel zou willen proeven, nemen we haar darmen een beetje in bescherming. Zoals toen we een bijzonder noviteitje aten. Een doerian. We kenden de vrucht vooral uit de wiskundeboeken van Philip en Jet en van Michael Palin op zijn wereldreizen.

Doerian staat bekend om de bijzondere smaak en afstotelijke geur; het wemelt van de historische citaten die het trachten te omschrijven. De een heeft het over ‘een smaak van volle custard met rijke amandelen’, zo ‘voortreffelijk dat hij alle fruit ter wereld overtreft’. Een ander: ‘its odor is best described as pig-shit, turpentine and onions, garnished with a gym sock’ en ‘your breath will smell as if you’d been French-kissing your dead grandmother’.

Toen ik er eentje bij de Chinese supermarkt zag, kon ik hem niet laten liggen.

Het was geen onverdeeld genoegen. Eigenlijk ben ik het met alle citaten wel eens. Nadat iedereen geproefd had, hadden we nog driekwart doerian over. Ik heb hem door vruchtenshakes met veel banaan en frambozen gepureerd (opdrinken met een rietje en een deksel, want je blijft hem door alles heen ruiken) en de rest aan de buren gegeven. Vooral de oud-zeevaarder en de Indische buurman waren er blij mee.

Over eten gesproken: we hebben ook weer eens boter gemaakt. Met Cato ben ik begonnen in Het kleine huis in het grote bos van Laura Ingalls Wilder. Alle boeken uit de serie staan tjokvol spijzen (deel vier, De grote hoeve, spant de kroon, daar kregen we voortdurend trek bij het lezen) en in het eerste deel wordt uitgebreid verteld hoe de familie Ingalls haar boter maakt. Jet herinnerde zich dat het zo lekker was toen we dat eens nadeden. Wel veel simpeler dan in negentiende-eeuws Amerika: wij gebruikten een pakje slagroom, een lege pot en tien minuten ellebogenstoom – in dit stukje heb ik het allemaal al eens neergezet. Ook deze keer was het weer een succes.

Ach, en dan was er nog ons impressionistenprojectje. Herkent u de Japanse brug van Monet?

Leuke kinderboeken hierover zijn Linde in de tuinen van Monet van Christina Björk en De schilders van Parijs van Philip Freriks. Philip en Jet besloten tot een stilleven, deels op pointillistische wijze. Klinkt deftig. Zorgt er vooral voor dat je schilderij niet gauw mis kan gaan. Bij een verkeerde streek zeg je gewoon dat het zo hoorde. Van Gogh werd ook miskend in zijn tijd.

Lief dagboek, ik hoop gauw weer eens meer te kunnen schrijven. Maar nu moet ik naar mijn baby.

Fantasie

5 augustus 2011

Driemaal raden welke film we voor het eerst gezien hebben.

Nou? De vlecht is een weggevertje.

Hier staat het antwoord (dubbelklikken op het witte vlak of je muis er overheen trekken): Pocahontas

‘Weet je wat het met mij is?’, zei Jet, nog steeds in vol ornaat. ‘Ik heb gewoon te weinig fantasie.’

Weinig? dacht ik. Hebben we het over Jet die meerkoeten africht en op haar vijfde verhalen dicteerde die wij moesten opschrijven? Die de grootste teleurstellingen overwint door haar vindingrijkheid te gebruiken? Die van de 21e eeuw zo in de 19e stapt?

Toch zat ze er mee. Ze had namelijk een verhaal gelezen over een jongetje dat ‘veel fantasie had, want tijdens het spelen zag hij zijn stapelbed letterlijk voor zich als besneeuwde bergen’. Als ze echt wilde, moest Jet dat ook kunnen, vond ze. Maar hoe ze het ook probeerde, ze bleef toch gewoon een stapelbed zien.

Het hebben van fantasie hoeft niet per se te betekenen dat je dingen ziet die er niet zijn. Je kunt het je ook inbeelden zonder het daadwerkelijk te zien.

Je voorstellen hoe het is om in de schoenen van iemand anders te staan. Iemand uit voorbije eeuwen of iemand die nu leeft. In een land hier ver vandaan of twee deuren verderop. Iemand die oud is, waarbij alles langzamer gaat; ook bij het oversteken van de weg of in de rij bij de kassa. Die zelf ook wel weet dat hij nooit meer jong en sterk en snel zal worden. Of iemand die weinig geld heeft, zo weinig dat ze nooit gedachteloos op een dagje uit kan trakteren, omdat ze daar ook drie dagen eten van kan kopen. Iemand die ziek is, niet voor eventjes, maar gewoon altijd. Die geen uurtje pauze heeft zonder moeheid, zorgen, zonder alertheid of dat ene pijntje niet de aanzet is tot verdere ziekte.

Dat is fantasie die je iedere dag kunt gebruiken. Daar heb je veel meer aan dan je slaapkamer als alpenwei te zien. Ik geloof dat Jet het wel begreep.

Papier scheppen

8 juni 2011

De meeste projecten ontvouwen zich vanzelf bij de kinderen. Zoals dat koken en bakken van de laatste tijd, of een geschiedenisperiode die opeens in trek is (Romeinen, Renaissance, negentiende eeuw, Tweede Wereldoorlog; in willekeurige volgorde), vlinders en kikkers die komen en gaan, een boek dat wekenlang de gemoederen bezighoudt of een baby die zich aandient. Soms is het een beetje minder, maar met drie kinderen is er altijd wel eentje door iets gegrepen, waardoor de rest van de familie vanzelf meeleert.

Papier maken was zo’n project. Ik had het zelf niet bedacht, we hadden het jaren geleden eens gedaan (maar dat was Jet al vergeten) en de aanleiding was niet volgens een gangbaar curriculum: Philip was boos op Jet om iets marginaals, er lag een krant binnen handbereik en in plaats van zijn boosheid met een semi-automatische Smith & Wesson te bekoelen, besloot Philip het krantje te verscheuren. Waarmee anger management direct afgevinkt kan worden van het lijstje sociaal-emotionele kerndoelen.

‘Ik ga nog meer snippers maken’, zei Philip opgevrolijkt, ‘dan kan ik er zelf papier van scheppen.’ Hij snorde een oud schooltv-filmpje (hier) op, weekte de krantenstukjes en mixte alles tot pulp. Toen had hij een schepraam nodig.

Een schepraam. Doorgaans geen attribuut wat je in huis hebt als een project de kop opsteekt. Dus moest er een schepraam gemaakt worden. Gelukkig stond hier een handleiding en hadden we het materiaal in huis: een pakje hordoek (voor vakantiehuisjesramen) en roerhoutjes, beide van alleswinkel Action of Xenos.

Als je eerst met de spijkerkop een paar tikjes op het hout geeft en pas daarna de spijker in het voorgetimmerde stukje slaat, splijt het latje minder snel.

En omdat roerlatjes van waaibomenhout zijn, kun je het hordoek met gewone nietjes vastmaken – je drukt ze er zo in.

Het resultaat mocht er wezen. Het was niet helemaal het flinterdunne velletje waar Philip op had gehoopt, maar het was onmiskenbaar papier.

Onverwacht kwam van het een het ander. We gingen op bezoek bij bevriende thuisonderwijzers, die voorstelden om de oude papiermolen te bezoeken op een steenworp afstand van hun huis.

Zo’n prachtige oude windmolen uit 1692, waar al die eeuwen lang papier gemaakt is. Met een voltijdse molenaar en kleine raampjes waar sfeervol zonlicht doorheen valt.

Met bergen lompen, oud zeildoek en scheepstouw dat aan repen gesneden moet worden.

Zo’n molen met ambachtelijke woorden waar de huidige tijdgeest aan voorbij is gegaan. Woorden als verzijgkast en stamperton.

En zo’n stamperton heeft natuurlijk lak aan nieuwerwetse flauwekul als een arbowet met z’n maximaal aantal decibellen. Die buldert gewoon op volle sterkte door, net als in 1692.

In de scherpkamer worden de maalplaten nog met moker en beitel geslepen.

En bij de schepkuip werkt de molenaar met ellenbogenstoom

wanneer hij een vel papier uit de kuip schept.

Hij liet zien hoe klanten hun eigen watermerk in het papier kunnen bestellen. Het gewenste logo of wapen wordt in het gaas van het schepraam genaaid, zodat het papier op die plaats wat dunner wordt. Dat kun je zelf natuurlijk ook doen in je hordoek.

Ten slotte kwamen we erachter waarom Philips vel papier zoveel dikker was dan dat van de molenaar. Waar wij thuis een dikke pap van krantensnippers hadden gemaakt, moet de pulp eigenlijk bestaan uit 99 procent water en 1 procent pulp. Dan krijg je een prachtig dun vel.

We gaan het vast nog een keer proberen. Als Cato allang vergeten is dat we ooit papier gemaakt hebben. Als Philip een boze bui afreageert op een krantje. Als Jet een vel briefpapier wil maken met haar eigen watermerk. Als het volgende project zich aandient.

Papiermolen ‘De Schoolmeester’ heeft geen eigen website, maar deze drie geven samen genoeg informatie voor een bezichtiging of nader onderzoek: