In 1883 besloot Vincent van Gogh (1853-1890) in Nuenen te gaan wonen. Hij had daarvoor een paar maanden in Drenthe gewoond om er het boerenland en de heide te schilderen, maar toen de winter inzette en de eenzaamheid wel erg begon te drukken, vertrok hij naar het Brabantse Nuenen, waar zijn vader sinds 1882 dominee was.

Eerst logeerde hij bij zijn ouders, maar al spoedig vond Van Gogh een eigen atelier in het dorp. Zijn aanwezigheid bleef niet bepaald onopgemerkt: hij werd er ‘het gekke menneke van Nuenen’ genoemd. In deze periode ontstonden zijn schilderijen en studies rondom De aardappeleters.

Van Gogh koos bij voorkeur de ‘lelijkste exemplaren’ onder de boeren tot model, die hij vervolgens vaak niet met geld betaalde, maar met pakken koffie. Hij hield er zelf ook een eenvoudige levensstijl op na en voelde zich thuis tussen de mijnwerkers, wevers en boeren.

Gedurende zijn jaren in Nuenen kreeg Van Gogh tweemaal bezoek van schildercollega Anthon van Rappard. Zij hadden elkaar in 1880 in Brussel leren kennen en waren tot op zekere hoogte verwante zielen.

Tijdens een van die bezoeken bezochten de twee  kunstenaars op een dag de apotheek om ‘copahu’ te kopen, een oliehoudende boomhars (copaïvabalsem). Ze hadden het nodig om een bepaald glanseffect op hun schilderijen te krijgen, maar dat vertelden ze er niet bij. Het spul werd officieel verkocht als middel tegen syfilis (de ‘venusziekte’) en andere geslachtsziekten. De schilders vroegen de apotheker wel of copahu ook met terpentine kon worden verdund. Waarop de man geschokt schreeuwde: ‘Moet ge uw donder dan nog meer kapotmaken!’

Uit: Antoon Erftemeijer, De aap van Rembrandt, kunstenaarsanekdotes van de klassieke oudheid tot heden. Gedeeltelijk geparafraseerd. Slechts een klein deel van de overleveringen over Vincent van Gogh die in het boek opgenomen zijn. Het lemma Van Gogh bevat bijna acht pagina’s.