Zomer

8 juli 2009

Ah, zomer. Ik vind het niet erg dat het nu weer een beetje afkoelt, maar de afgelopen weken waren toch wel heel fijn. De eindeloze dagen die zich aaneen regen. ’s Avonds na het eten nog even zwemmen in de plas of naar het strand om over de golven te springen. En dan met fris gewassen hoofden nagenieten, een permanente geur van zonnebrandcrème in de neus.

Zeelucht maakt hongerig

Zomerfruit eten. Pitaya, of dragon fruitKersen en wilde perziken, bessen in alle kleuren, frambozen en bramen, twee bakjes voor een euro. Exotische vruchten met sprookjesachtige namen als drakenfruit, prachtige kleuren en vormen, waarvan je aan de groenteman moet vragen welke delen je ervan kunt eten. Watermeloen. We eten het als ontbijt, als lunch, als toetje. Door de frullati di frutta (gepureerd fruit  met ijsklontjes, zonder melk), uitgehapt of met mes en vork. Sommigen van ons eten het ondersteboven en achterstevoren.

Meloenhappen

Het leek de laatste tijd of er meer uren in een dag zaten. Dat was natuurlijk ook zo. Maar de dagen waren ook echt voller; we deden meer terwijl het minder moeite kostte. De ochtenden waren niet zo afwijkend -in de winter volgen we ook altijd al soort een tropenrooster- maar de middagen waren meer dan anders een explosie van vriendjes, mee-eters, strand en picknicks met andere thuisonderwijzers en ziekenbezoekjes bij oma in het ziekenhuis zestig kilometer verderop.

Veel prevakantieactiviteiten ook. Afscheid van turnen, waar Philip wilde trakteren op ijsjes. Afscheid van ballet, want de balletschool stopt ermee, met gelukkig nog een prachtige dansuitvoering. De laatste zondagsschool voor de zomervakantie, waarvoor we met alle kinderen cakejes bakten voor de mensen van de hele kerk.

Le chef

Dat was nog een heel werkje. Vooral het versieren. (Philip houdt van muziek, vandaar de draadloze koptelefoon waarmee hij van keuken tot woonkamer in dolby surround voorzien bleef.)

Het resultaat mocht er wezen.

En o ja, we hebben een leuke nieuwe boekentrilogie gevonden, die van Thijs Goverde over de meesterdief. Het eerste deel, De wraak van de meesterdief, lazen we vorige maand en nu zijn we bezig in De jacht op de meesterdief. Heel anders dan de boeken van Astrid Lindgren die we laatst weer veel gepakt hebben of andere klassiekers die we tot nu toe lazen.

Thijs Goverde, De jacht op de meesterdiefDe verhalen over de meesterdief zijn sprookjesachtig en wat baldadig. Spannend zonder eng te worden, want de hoofdpersoon kan zo prachtig overdrijven dat alle hachelijke avonturen gerelativeerd worden. Boosaardige personages hebben een defect dat ze potsierlijk maakt en netelige situaties zitten zo vol woordgrapjes, dat je gewoon wéét dat het wel goedkomt in dat woud met die koppensnellers, of bij die achtervolging door arglistige ontvoerders.

Het is wel belangrijk om ze op volgorde te lezen, vind ik. Ik had zelf het tweede deel alvast diagonaal gelezen om te kijken of het iets voor ons zou zijn, maar dan mis je toch essentiële informatie. Verder begrijp ik niet waarom er voor deze illustraties gekozen is. Ze passen niet bij het verhaal en kloppen soms ook niet met de tekst. Personages worden vaak heel uitgebreid beschreven, zoals de geleerde Aegolius, huisleraar van de hoofdpersoon, maar op de tekeningen zie je dat niet terug. Dan liever helemaal geen illustraties, zou ik denken.

Het tweede deel vind ik iets leuker dan het eerste. Vooral de circusscène uit De jacht op de meesterdief is virtuoos, die konden we niet in één keer uitlezen omdat we zo moesten lachen. Het derde deel heet De hand van de meesterdief en ligt al paraat om in een moeite doorgelezen te worden.

Doen wat bij je past

4 juni 2009

In de populaire serie ‘Veelgestelde vragen’ vandaag:

Kost thuisonderwijs geven veel moeite?

Gek eigenlijk. Eerst maken mensen zich zorgen of thuisgeschoolde kinderen niets tekortkomen, en als zij vervolgens zien wat deze gezinnen ondernemen, zeggen ze soms vermoeid: ‘Wat een gedoe. Zou niks voor mij zijn.’ 

Iedereen die weleens afwijkende keuzes maakt, weet: je doet het als minderheid niet snel goed in de ogen van toeschouwers. Maar om de hoofdvraag te beantwoorden, je kunt van thuisonderwijs net zo’n toestand maken als je zelf wilt. 

Ik benadruk nog maar eens dat mijn verhaal niet hét thuisonderwijsverhaal is. Net zoals je aan de hand van het weblog van één moeder met een schoolgaand kind niet kunt zien hoe alle families met schoolgaande kinderen hun leven leiden.

Dit weblog is geen mal om het juiste onderwijs uit af te gieten. Het gaat slechts over wat míj aan het hart ligt. Dat is het mooie van het onderwijs zelf ter hand nemen, dat je jouw waarden en passies kunt overbrengen op je kinderen. Ouders met groene vingers kunnen met hun kinderen veel tijd doorbrengen in de tuin, mathematisch aangelegde ouders kunnen het wonder van de wiskunde keer op keer overbrengen, crea-ouders kunnen losgaan met de pottenbakkersschijf. 

En ik hou van verhalen. Verhalen op papier, verhalen achter schilderijen, piepjonge verhalen of verhalen van lang geleden. Mooie verhalen. Dus dat wil ik mijn kinderen meegeven. Ik hou ervan om samen op stap te gaan, verhalen op te zoeken en te delen, in musea en bij andere mensen. Om de dingen aan den lijve te ondervinden, de wind en het zand op het strand te voelen en de geiten op de kinderboerderij. Ik heb gemerkt dat alles in ons huis fijner gaat als de tv en (spel)computers niet zo vaak aan staan, dus we hebben een lekker ritme waarin we veel voorlezen en veel tijd aan tafel doorbrengen met spelletjes spelen, eten, drinken en ouwehoeren. Ik heb een echtgenoot die daar hetzelfde over denkt en zijn interesses met de kinderen (en met mij) deelt. Het is ons ritme.

Dat wil niet zeggen dat thuisonderwijs op die manier uitgevoerd moet worden. Het kan ook door veel muziek te maken en veel minder te lezen. Of door juist niet op stap te gaan, maar in en om het huis te scharrelen. Ik schreef het al in mijn introductie:  zoveel mensen zoveel manieren. 

Er zijn mensen die het hele boekenpakket van de school om de hoek overnemen. Je hoeft geen buitenlandse rekenboeken te gebruiken, je kunt ook gewoon vertrouwen op de expertise van het basisonderwijs. Dan werk je dagelijks per vak, houdt je kind het groepsniveau van een school aan en hoef je niets meer uit te zoeken over methodes of niveaus. Je informeert welke lesmethode zij voor ieder vak gebruiken en vervolgens bestel je één exemplaar van al die boeken via de school. Oudere boeken, lesmethodes waar een nieuwere versie van verschenen is, kun je vaak gratis ophalen; school is allang blij ervan af te zijn en de boeken voldoen vaak uitstekend. Op deze manier volg je een schoolprogramma, maar werk je minder uren per dag dan een school, omdat je een-op-een sneller klaar bent.

Er zijn ook thuisonderwijzers die juist geen enkel programma aanhouden. Zij nemen de dag zoals hij komt, hun ritme is gebaseerd op het ritme van hun leven. Deze kinderen gaan niet aan de slag met werkboeken, tenzij ze er zelf om vragen. Zij leren lezen wanneer het hun tijd is en ‘doen aan’ rekenen en aardrijkskunde als dat in hun leven van pas komt. Je zou kunnen zeggen dat deze thuisonderwijzers het minste ‘gedoe’ hebben. Weinig vaste kosten, weinig druk. Aan de andere kant zijn deze ouders vaak gedreven om te faciliteren in de interesses van hun kinderen. Het vergt inspanning en inventiviteit om te volgen waar je kind naar toe wil: je moet op zoek naar een coöperatieve electricien als jij niks weet van het stroomnetwerk en je kind wil daar wel mee aan de slag. En als je dochter van plan is om een krant uit te geven, dan moet je voorzien in opmaakprogramma’s als QuarkXPress of in journalistieke contacten. Omdat deze onderwijsfilosofie (unschooling) gebaseerd is op leren vanuit het kind, zijn de ouders op een andere manier druk. Niet met schema’s en lesboeken, maar door hun kind te helpen zijn plannen te verwezenlijken.

Er zijn ook thuisonderwijzers die een programma volgen dat nog veel intensiever is dan wat Nederlandse kinderen op school krijgen. Deze gezinnen beginnen bijvoorbeeld al vroeg (op zesjarige leeftijd) met Latijn en houden dagelijks een gestructureerd, vol programma aan. Dit vergt op een andere manier inspanning van de ouders. Zij moeten meer onderzoek doen naar materialen, hechten meer waarde aan structuur en zijn vaak meer geld kwijt aan thuisonderwijsbenodigdheden, maar hebben dat er graag voor over.

Voor al het thuisonderwijs geldt: je bepaalt zelf hoeveel het je kost. Je doet wat bij jouw gezin past. Wat veel lijkt voor de een, is weinig moeite voor de ander. Ik geniet van voorlezen, dus kost het me geen moeite. Mijn kinderen worden er gelukkig van, en daarom ik ook. Als je er niet aan moet dénken om samen met je achtjarige Latijn te leren, dan is de klassieke methode waarschijnlijk niet iets dat bij jouw gezin past. Als je een museumjaarkaart er van z’n lang zal ze leven niet uithaalt, dan moet je hem natuurlijk niet kopen.

Doe wat bij je past. Uit recent onderzoek (pagina 10 e.v.) is gebleken dat thuisonderwijzers per week gemiddeld vijftien uur besteden aan ‘formeel’ leren – met de boeken op tafel, zeg maar. Dus blijft er heel veel tijd over om te wijden aan passies en hartstochten. En dat is iets wat alle thuisonderwijzers gemeen hebben.

Nieuwsflits.

In opdracht van de staatssecretaris van Onderwijs heeft het SCO-Kohnstamm Instituut een onderzoek gehouden onder thuisonderwijzers in Nederland.

Enkele citaten uit het onderzoeksrapport:

‘Hoe komt het dat met thuisonderwijs goede resultaten behaald kunnen worden? Op deze vraag zijn enkele antwoorden te geven die aannemelijk maken, dat de goede resultaten in feite niet eens onverwacht zijn. Uiteenlopende onderwijskundigen hebben vastgesteld dat één-op-één instructie, de vorm waarbij voor elke leerling een leraar beschikbaar is, de effectiefste onderwijsvorm is […].’

‘[…] Praktisch alle ouders [zijn] van nature uitstekende coaches voor hun kinderen, bijvoorbeeld als het gaat om het leren lopen, zindelijk maken en de vroege taalontwikkeling. Van belang daarbij is dat ouders flexibel kunnen reageren op wensen en behoeften die kinderen uiten, bijvoorbeeld ten aanzien van de onderwerpen waarvoor ze belangstelling hebben of de activiteiten waar hun voorkeur naar uitgaat.’

‘Medlin (2000) wijst op de onnatuurlijke scheiding naar leeftijd die de meeste schoolklassen kenmerkt. Dat maakt schoolklassen in sociaal opzicht een arme leeromgeving. Ze bieden kinderen nauwelijks mogelijkheden om zich op te trekken of te spiegelen aan het gedrag van oudere of rijpere leerlingen.’

Verder omvat het eindrapport de volgende vijf onderzoeksvragen.

  1. Ontvangen alle leerplichtigen die op grond van artikel 5 onder b zijn vrijgesteld een vorm van onderwijs? Zo ja, welke vorm (particulier onderwijs, thuisonderwijs, een mengvorm, anders)?
  2. Wat houdt het onderwijs in en waarop is het gericht?
  3. Hoe wordt het onderwijs vormgegeven?
  4. Hoe denken ouders over toezicht?
  5. Wat zijn de belangrijkste knelpunten die ouders ervaren (bijv. bij de doelenkeuze, de vormgeving van het onderwijs, financiële problemen)? Hoe lost men deze op en welke hulp heeft men hierbij nodig?

Ik zou zeggen: ga er even lekker voor zitten. Wij hebben er ook aan meegewerkt. Dit is de link naar het hele rapport:
Vervangend onderwijs aan kinderen van ouders met een richtingbezwaar (pdf)

De Vraag

22 januari 2009

Varen met thuisonderwijsgroep ~ mei 2008

Daar is ie dan, De Vraag. Waarschijnlijk de eerste die bij iedereen opkomt als thuisonderwijs ter sprake komt. Dat cognitieve geloven we wel. Dat je een-op-een sneller leert, is logisch. Maar:

‘Missen thuisonderwijskinderen niet het sociale aspect?’

Als ik verder vraag, weten mensen vaak niet wat ze precies met dat sociale bedoelen. Iets met vriendjes. Maar wát dan met vriendjes? Zes uur per dag naast een vriendje zitten, zonder met dat vriendje te mogen praten of spelen – twee pauzes uitgezonderd?

De sociale pikorde op het schoolplein? Met een leider, wat meelopers en toeschouwers, waarbij meestal het recht van de sterkste geldt, omdat juf geen ogen in haar achterhoofd heeft? Als je één keer hebt gezien hoe jouw kind het slachtoffer is geworden van die rangorde, van een groter kind dat haar van haar fietsje trok, weet je dat dit sociale aspect geen reden is om je kind eraan bloot te stellen.

Kinderen worden niet sociaal van bij elkaar zijn. Iemand moet het ze leren. Iemand moet ze erop wijzen dat je anderen moet behandelen zoals je zelf behandeld wilt worden. Telkens weer.

Ik krijg regelmatig het argument dat kinderen die op school gepest werden, daar later sterker uit kwamen. Maar je wordt niet sterk van uitlachen, slaan, buitensluiten. Je wordt sterk van een veilige omgeving, waarin je fouten mag maken en kunt zijn wie je bent, zodat je een massa zelfvertrouwen opdoet. Pesten toelaten om een kind sterk te laten worden is zoiets als weerstand opdoen door onder tbc-lijders te verkeren. Daar krijg je geen weerstand van, daar word je ziek van.

Er is in Amerika wetenschappelijk onderzoek gedaan naar het verschil in sociaal gedrag tussen thuisonderwijskinderen en schoolkinderen. Henk Blok gebruikt het in zijn artikel over sociaal-emotionele ontwikkeling, dat rechts bovenaan dit blog in de sidebar staat. Omdat veel mensen niet het hele artikel willen lezen, heb ik hier een korte, Nederlandstalige samenvatting gezet van dat socialisatie-onderzoek tussen schoolkinderen en thuisgeschoolde kinderen.

Maar thuisonderwijskinderen krijgen toch geen goede afspiegeling van de samenleving?’

Hoe fijn een schoolklas ook kan zijn, het is geen afspiegeling de samenleving. Het is een afspiegeling van jouw leeftijd en de buurt waarin je woont. Als je in een goede buurt woont, zie je iedere dag jouw soort kinderen in de klas. Dat soort kinderen zit niet op school in de achterstandswijk – en omgekeerd.

Thuisgeschoolde kinderen krijgen een andere afspiegeling van de samenleving. Ze zien de hele dag door mensen van verschillende leeftijden en sociale achtergronden. Als ze meegaan naar het stadhuis als ik mijn rijbewijs moet verlengen, als we boodschappen doen, als ze spelen met hun vrienden uit de buurt, van de kerk of sportvereniging, als we met thuisonderwijsgezinnen uit andere plaatsen afspreken, waar meer leerstijlen, religies en gezinsvormen vertegenwoordigd zijn dan op welke willekeurige school, of gewoon tijdens een van onze uitstapjes (zie ‘Veldwerk’ voor onze maandelijkse activiteiten).

En wat ‘je latere leven’ betreft: later zit je nooit meer in een werksituatie met dertig mensen van precies dezelfde leeftijd en één leider. Later kun je pesterijen ontvluchten, door een andere baan te zoeken. Later staat er een bataljon therapeuten klaar als je iets naars overkomen is. Ook in gevallen die niet in verhouding staan tot wat sommige kinderen op school meemaken (illustratief: toen onze autoradio gestolen was, werd bij de aangifte gevraagd of wij behoefte hadden aan slachtofferhulp). Later wordt het fysieke geweld zoals dat op scholen voorkomt, resoluut bestraft. Als ik de auto van de buurman wil hebben, mag ik hem niet op zijn gezicht slaan en zijn sleuteltjes afpakken. Als zoiets onder kinderen gebeurt, heet dat ‘er samen uitkomen’.

Ik hoor nog wel eens dat je door thuisonderwijs je kind buiten de groep plaatst. Dat er een soort gemeenschappelijk verleden is waaraan je je kind onttrekt – iedereen is immers naar school geweest. Dat vind ik zelf nooit zo’n hele sterke. Weet je, Studio Sport is ook een gemeenschappelijk verleden. Miljoenen mensen willen met het bord op schoot de zondagavond beginnen. Toch voel ik me in geen enkel opzicht buitengesloten omdat ik dat niet doe.

Onze kinderen maken óók vervelende situaties mee. Als ze buitenspelen, bij vrienden, op hun (sport)clubs. Dat is geen exclusief voordeeltje van school. Maar mijn kinderen hoeven er geen zes uur per dag aan onderworpen te worden. Ik vind het prettig dat ze minder van de sociale druk ervaren die onder leeftijdsgenoten heerst. Ten minste een van mijn kinderen is nog wel eens gevoelig voor wat andere mensen denken – reden temeer om hun originaliteit en inventiviteit te koesteren.

En ja, ze moeten ook rekening houden met elkaar, kennen ook frustraties als ze iets moeten doen, ervaren ook tegenslagen als een som niet lukt. Het zijn net gewone mensen.

Hier meer Veelgestelde Vragen.

Op niveau

23 december 2008

‘Hoe weet je of je kind op niveau zit?’

Het is meestal niet de eerste vraag die gesteld wordt (die gaat doorgaans namelijk over ‘het sociale’, waarvoor ik ter geruststelling ook onze pagina met uitjes bijhoud), maar hij staat wel in de top drie: ‘Hoe houd je bij of er geen hiaten ontstaan?’

Als je thuisonderwijs geeft, zijn er geweldig veel bronnen waaruit je kunt putten. Omdat ik merk dat het ontwikkelingsniveau van thuisonderwijskinderen vergeleken met dat van schoolkinderen nogal leeft, zal ik een paar van die bronnen prijsgeven. Omwille van de leesbaarheid beperk ik me tot het basisonderwijs en een klein aantal links.

Het basisschoolboek

Zo is daar het Basisschoolboek, een naslagwerk met de actuele leerstof die kinderen aan het eind van de basisschool idealiter gehad zouden moeten hebben. Gerangschikt per vak beslaat het alle kerndoelen van het primair onderwijs – van taal en rekenen tot aardrijkskunde en verkeer. Hier kun je voorbeeldpagina’s inzien.

Dan zijn er natuurlijk de kerndoelen zelf, de onderwijsdoelen waarnaar basisscholen moeten streven. Omdat deze vrij abstract en globaal zijn, bestaan er ook zogenaamde tussendoelen, concreet uitgewerkte suggesties voor het onderwijs.

Die tussendoelen staan hier. Onder het kopje ‘leerlijnen’ kun je de vakken Nederlands tot en met bewegingsonderwijs aanklikken, en per vak doorklikken naar ‘leerlijn’. Laat je vooral niet ontmoedigen door het massieve schema. Het zijn letterlijk streefdoelen; ik schreef al eerder dat wereldoriëntatie niet meetelt voor de citotoets. Bovendien lijken de doelen vaak ingewikkelder dan ze zijn. Soms zijn ze zo voordehandliggend, dat je er zelf niet opgekomen was er een kerndoel van te maken: een kind van zes jaar (eind groep 2) dient bijvoorbeeld te weten dat je een boek van voor naar achter leest, een bladzijde van boven naar beneden en dat er verschillende soorten boeken bestaan  (leerlijn 4). Ik wil maar zeggen: de angst voor hiaten hoeft niet te overheersen.

In sommige gevallen is het trouwens ook heel simpel om te zien waar je kind mee bezig is. Wanneer je bij het thuisonderwijs werkboeken gebruikt, voor rekenen bijvoorbeeld, dan staat het niveau gewoon op de omslag: boekje 2A, 2B enzovoorts. Weet je dus in welk leerjaar je kind bezig is.

Als je ervan houdt, kun je op deze site citotoetsen per vak vinden – linkerkolom bovenaan. Op dit gedeelte van de site staan nog veel meer oefentoetsen.

Voor een overzichtelijke opsomming per jaargroep en onderwerp kun je ook op deze site kijken. Je klikt op de groep waarin je kind zou zitten, vervolgens op het schoolvak en je ziet precies welke stof er in dat jaar op school aangeboden wordt. Vol oefeningen en niveautesten.

Speciaal voor het vak rekenen is er ook een site met de ondertitel ‘Wat je kind moet weten’. Deze staat hier en biedt, naast een overzicht per leerjaar, in de rechterkolom rekenmateriaal aan. Daar kun je bijvoorbeeld zien dat het rekenen in groep 3 beperkt blijft tot plus- en minsommen tot 10.mijn-kind-groep-4

De boekenreeks Mijn kind in groep… van ThiemeMeulenhoff geeft een globaal jaarbeeld van het hele schoolaanbod. Per groep (alleen voor de groepen 1, 2, 3, 4 en 8) is er een boek waarin wordt uitgelegd wat een kind op school zoal aangeboden krijgt.

De vraag is natuurlijk: hoe belangrijk is het dat je kind precies hetzelfde jaarschema aanhoudt als zijn schoolgaande leeftijdsgenoten? Is het nodig om je dochter in week 12 het woord neus te leren omdat haar vriendinnetje in groep 3 dat ook op dat moment leert? Of om de verkeersborden pas op haar negende uit te leggen, omdat dat volgens het schoolrooster zo past? Ook als ze er op haar vijfde al naar vraagt,  terwijl ze bij je achterop de fiets zit?

Al die ontwikkelingsoverzichten kunnen van pas komen, maar het mooie van thuisonderwijs is dat je zo flexibel kunt zijn, dat je dochter na neus meteen verder kan lezen als zij daar aan toe is. Op haar derde. Of op haar achtste. Maar niet per se in week 12 van groep 3. Wanneer je de achtergrondkennis zo kunt toepassen dat je kind floreert, denk ik dat niemand zich zorgen hoeft te maken over het niveau.

Kennen en kunnen

8 december 2008

In de categorie veelgestelde vragen 1) deze keer:

‘Ik ben slecht in geschiedenis (taal/rekenen), kan ik dan wel thuisonderwijs geven?2)

Om kort te gaan: ja, ja, driewerf ja. Maar ik ben niet van dat hele compacte, dus nu nog een toelichting.

Omdat thuisonderwijs in Nederland niet zo bekend is, is het voor veel mensen omgeven met een zweem van mystiek en complexiteit. Dat is nergens voor nodig. Iedereen kan het. Sterker nog: iedereen doet het. Alle ouders die in het weekend naar een museum gaan, hun peutertjes de kleuren leren, hun kinderen voorlezen of tijdens het journaal uitleggen wat een kredietcrisis is, geven thuisonderwijs. Het verschil -en wat mij betreft de grote zegen- zit ‘em vooral in de hoeveelheid tijd die thuisonderwijzers er aan kunnen besteden.

Verder hoef je er niet bijzonder knap voor te zijn. Uit het Canadese onderzoek From the Extreme to the Mainstream is gewoon gebleken dat mensen die thuisonderwijs willen geven, geen speciale vooropleiding nodig hebben.

Als je zelf ergens geen verstand van hebt, dan zoek je het samen op, of je schakelt mensen in die er wel verstand van hebben. Zo heeft Jet laatst van onze nieuwe vrienden steken leren opzetten om te breien; dat heb ik namelijk nooit geleerd op school. En we spreken geregeld af met iemand die ons mooie dingen in natuur en landschap laat zien. Iedereen heeft ze in zijn omgeving: mensen die de liefde voor hun vak of hobby kunnen overbrengen.

Wat belangrijk is, is dat je bereid bent om samen met je kind te leren. Samen naar de bibliotheek, daar hebben kinderen alle tijd om boeken te zoeken en te leren hoe je het opzoeksysteem gebruikt. En thuis kun je ze helpen om internet en naslagwerken optimaal te benutten.

Daarnaast kun je natuurlijk naar believen uitbreiden met heuse vakliteratuur. Alles is te leen in de bibliotheek. Veel boeken die bedoeld zijn voor pabo’s of academische vakgebieden, zijn ook heel leesbaar voor thuisonderwijsouders. Een boek als Schrijven met zorg van Anneke Baauw-van Vledder kun je gebruiken om je kind te helpen bij het schrijven; het geeft een duidelijke uitleg, handige tips en veel oefenbladen.

Ron de Bruin, Geschiedenis gevenEn neem het boek Geschiedenis geven van Ron de Bruin; dat bevat originele, prachtig uitgewerkte suggesties voor de hele canon van de Nederlandse geschiedenis. Hier kun je het gedeelte over de Middeleeuwen online inkijken; met ideeën om stadskaarten van vroeger en nu te vergelijken, de Carmina Burana te beluisteren, een belegering na te tekenen of als monniken te kalligraferen.

Veel mensen denken dat je als thuisonderwijzer overal verstand van moet hebben, maar dat is een misvatting. Een mens kan niet alles weten, maar wel alles opzoeken. Dat is wat ik de kinderen probeer bij te brengen.

———————-

1)  Hier meer veelgestelde vragen. Voel je overigens vrij om vragen te stellen. Ik merk dat er wat misverstanden over thuisonderwijs sudderen die soms gemakkelijk rechtgezet kunnen worden. Mocht je iets willen weten, maar het nooit hebben durven vragen, dan kun je het briefpapiertje op deze pagina gebruiken.

Terug

2)  Deze vraag laat meteen zien dat school geen garantie is voor kennis. Iedereen heeft geschiedenis, spelling en rekenen gehad, maar daar blijft soms niet zo veel van hangen. Zeker niet wanneer het resultaat meer gericht is op het behalen van een cito-toets dan op het verwerven van kennis.

Terug

Er is een nieuw overzicht gepubliceerd van onderzoeksresultaten over thuisonderwijs. Het rapport is geschreven door het onafhankelijke Fraser Institute in Toronto: Home Schooling: From the Extreme to the Mainstream, 2nd Edition.

Ik maak me er even met een jantje-van-leiden vanaf door eenvoudigweg delen van het persbericht te citeren, want dat behandelt in een  paar passages drie veelgestelde vragen.

Vraag 1
Missen thuisonderwijskinderen geen sociale contacten en vaardigheden?

‘[…] a growing body of new research also calls into question the belief that home schooled children are not adequately socialized.

The average Canadian home schooled student is regularly involved in eight social activities outside the home. Canadian home schooled children watch less television than other children, and they show significantly fewer problems than public school children when observed in free play […]

Vraag 2
Je kunt toch alleen goed thuisonderwijs geven als je zelf een hbo- of wo-opleiding hebt gevolgd?

‘Poorly educated parents who choose to teach their children at home produce better academic results for their children than public schools do. One study we reviewed found that students taught at home by mothers who never finished high school scored a full 55 percentage points higher than public school students from families with comparable education levels.’

‘The research shows that the level of education of a child’s parents, gender of the child, and income of family has less to do with a child’s academic achievement than it does in public schools.’

Vraag 3
Voldoen thuisonderwijskinderen wel aan het niveau van hun leeftijdsgenoten?

‘Research shows that almost 25 per cent of home schooled students in the United States perform one or more grades above their age-level peers in public and private schools. Grades 1 to 4 *)  home school students perform one grade level higher than their public- and private-school peers. By Grade 8, the average home schooled student performs four grade levels above the national average.’

‘The study also reports that students educated at home outperform their peers on most academic tests and are involved in a broad mix of social activities outside the home.’

Als je de hele publicatie wilt lezen, staat hier de directe link naar het pdf-bestand; 24 pagina’s heel leesbaar Engels.

Hier meer Veelgestelde Vragen.

————————————-


*)  De grades zijn vergelijkbaar met ons oude niveau van klassen op de lagere school. Grade 1 komt overeen met groep 3, de oude ‘eerste klas’, grade 2 met de tweede klas (groep 4), enzovoorts.

Terug