Tijd over

13 mei 2013

Ik dacht: als ik nou de was nog iets minder vaak opvouw en ik plant alleen courgettes en pompoenen in die moestuin, dan heb ik nog best een gaatje over. Voor een eigen bedrijf bijvoorbeeld!

Dus dat heb ik gedaan. Ik ben een bedrijf begonnen in tekstcorrecties: In goed Nederlands. Het is niet helemáál een nichemarkt, maar het zou ook zo wat zijn als ik ineens keukenimporteur word of op de vrachtwagen ga zitten.

Denkt u zich eens in: als Philip dadelijk astronaut is (met drummende bijverdiensten in Coldplay), als Jet u tot tranen roert met haar vertolking van de stervende zwaan, als Cato straks de eerste vrouwelijke minister-president is en Victoria doet welzijnswerk voor alle zielige dieren en weeskinderen van heel West-Afrika, dan kunt ú zeggen: ‘Dat komt omdat ik mijn sollicitatiebrief heb laten nakijken. Ik heb meebetaald aan die opleiding.’

Of: ‘Dankzij die foutloze brochure was mijn makelaarskantoor het enige in de wijde omtrek dat de crisis overleefde.’

Of: ‘Ik won de P.C. Hooftprijs omdat ik als eerste striptekenaar van Nederland ‘o ja’ in de tekstballonnetjes zette in plaats van ‘oh ja’.’

Of: ‘Mijn echtgenote krijgt nog altijd een brok in haar keel als ze denkt aan mijn eerste liefdesbrief, die in zulk voortreffelijk Nederlands geschreven was.’

Dat kunt u allemaal zeggen. En uw twaalfhonderd beste vrienden, kennissen en collega’s ook. Mits u natuurlijk eerst langs ingoednederlands.com bent gegaan.

Cato schrijft

7 mei 2013

Als je niet zo vaak suikermuisjes op je brood krijgt, ben je er zuinig op. Zeker als je in een huis woont met nog vijf mensen die van suikermuisjes houden. En als je dan halverwege je beschuitje de deur uit moet, naar je club, dan neem je je maatregelen.

(Het heeft gewerkt. Bij thuiskomst lag het er nog. Philip had er zelfs een bordje overheen gezet om te voorkomen dat de jongste het zou zien en zich via blokkendozen en andere opstapjes een weg naar de muisjes zou banen.)

Oh en o

28 april 2013

Je ziet het steeds meer. Het grijpt met tentakels om zich heen en het gekke is, je hoort er nauwelijks iemand over. Als een presentator zegt: ‘hun hebben’ roept iedereen dat de taal verloedert, maar als een televisieprogramma Oh oh Cherso heet, hoor je niemand over de verkeerde spelling.

En ik zit er maar mee. Eerst met die verkeerde spaties en nou met die oh. Ik herinner het me van vroeger uit Donald Duck. Toen vond ik het al verwarrend; de neefjes die riepen: ‘Oh nee, oom Donald!’

Dat moest toch ‘o nee’ zijn, zonder h? ‘Oh’ spreek je toch uit met de o van mok? Of bedoelden ze dat juist? Was het in plaats van een geschrokken ‘o!’ meer bedoeld als een teleurstellend ‘oh’, zoiets als ‘och’? Het was waarschijnlijk overgenomen uit het Engels, waar je oh wèl uitspreekt als ‘o’, maar waarom zou je die prima o verbasteren en daarmee de betekenis veranderen?

Nederlands is geen eenvoudige taal; maar er zijn regels om het makkelijker te maken. In dit geval:

een klinker aan het eind van een lettergreep is een open klinker (klinkt als aa, oo, uu)

Als je er een medeklinker achter zet, wordt de klank kort. De lange a in pa wordt kort als je er een n achter zet: pan. De a in pan klinkt doffer dan die in pa.

Zo is het ook met de o.

De lange o van po wordt kort als je er een t achter zet: pot. Dus als je wilt dat o klinkt als oo, dan moet je er géén medeklinker achter zetten.

Het is auto, geen autoh.

Het is tante Jo en geen tante Joh.

Een losse o staat ook ‘aan het eind van een lettergreep’. Het is immers maar één lettergreep. Net als u. Je schrijft ‘die jas is van u’ en niet ‘die jas is van uh’.

Als je een uitroep wilt overbrengen van schrik, verbazing of enthousiasme, dan is het:

  • O, wat leuk!
  • O, o, wat een verdriet.
  • O nee, ik moet er niet aan denken!
  • O ja, is dat zo? (En niet: ‘Oh ja, is dat zoh?’)

Zodra er een medeklinker achter staat, of dat nu een p is of een h, dan wordt het de korte, doffe klank van op en oh. Je kunt dus wel oh schrijven, maar dat is meer:

  • Oh, dat is vals.
  • Oooh, dat mag niet, kijk eens, juf! (De klikspaan-oh.)
  • Oh, wat zonde… (Teleurgesteld.)
  • Oh, dat valt wel mee. (De relativerende oh, ook wel ‘mwoh’ of ‘och’.)

Het is dus O, o, Cherso, ‘O, o, Den Haag, mooie stad achter de duinen’ en de neefjes horen te zeggen: ‘O nee, oom Donald!’

Cato schrijft

26 april 2013

Er is iets waar Cato het meest van houdt en dat is spelletjes spelen. Nee, dat is niet waar. Ze houdt ook erg van barbies aankleden, fietsen, kleuren in haar topmodelboeken, rauzen, films kijken, oogschaduw opsmeren, met transformers spelen, ijpetten, grapjes maken, tikkertje doen en voorgelezen worden. Cato houdt het meest van leven, denk ik.

Opnieuw.

Er zijn veel dingen waar Cato van houdt en op een gedeelde eerste plaats staat spelletjes spelen. Ze kan met gemak vierhonderd keer achter elkaar mens-erger-je-nieten, maar dan zit ze op het laatst wel in haar eentje, want ondanks vijf huisgenoten is er niemand die net zo veel van bordspellen houdt. We hebben onze kaarten ingezet op Victoria – u begrijpt waarom er een vierde kind gekomen is.

Om het voor iedereen een beetje leuk te houden, zorgen we regelmatig voor nieuwe aanwas van spellen. Zo kregen wij op vijf december Wat schets je me nou? in de zak. Onder het motto ‘gedeelde smart is halve smart’ kent Wat schets je me nou? een absoluut minimum van vier spelers. Cato kon haar geluk niet op. Iedere ochtend als ik met dikke ogen uit bed kwam, klonk er vanuit de woonkamer een opgetogen ‘Ha, daar ben je eindelijk’ en werd ik verwelkomd door een speltafel, onberispelijk gedekt voor vier spelers. Het wachten was slechts op twee ontwakende medespelers.

Wat schets je me nou? is een soort telefoonspelletje: je fluistert iets in iemands oor, die fluistert het weer aan een ander en aan het eind van de ketting is het lachen geblazen als de uitkomst heel anders is dan het eerstgefluisterde woord. In het bordspel gaat het met woorden én tekeningen die je aan elkaar doorschuift. Soms een makkelijk woord: poes of boot, soms een lastige: huisgenoot of sciencefictionfilm. Overigens hoef je niet te kunnen tekenen om het spel te spelen – ons hele gezin is daar een levend voorbeeld van. Je moet alleen een beetje kunnen lezen en schrijven.

En dan is zo’n spel met mensen van verschillende leeftijden toch leuk. Ook na een kleine drie miljoen potjes kan Cato me verrassen. Ik moest het woord ‘scheepswrak’ tekenen (geen commentaar graag).

En Cato moest raden wat het was.

Vos-en-Haasfrenzy

25 maart 2013

Een nieuwe Vos en Haas betekent ook de oude herlezen. Als je Jak tegenkomt (Jak Hals, boef voor alle werk, specialist in snoodheid), dan wil je de Dief van Iek weer lezen. En eigenlijk ook het eerste begin van Vos en Haas, als Uil zich met hart en ziel geeft voor zijn vondelingenei.

Dus zit Cato in een Vos-en-Haasflow. Of eigenlijk een Everflow. Want Ever is sinds het vorige boek haar favoriete personage.

Het is dan ook een stoererd, Ever. Stoer en grappig. Net als Cato. We lazen de nieuwste Vos en Haas, Waar is het ijs? en direct daarna Een echt zwijn is stoer, om opnieuw te zien hoe Ever z’n entree maakt op de verjaardag van Haas. Ik lees ze voor, want Sylvia Vanden Heede bezit de zeldzame gave om boeken te maken die én fijn voorlezen én geschikt zijn als beginnersleesboek. Dus lezen we samen, inclusief verschillende stemmen -samen lachen is ook leuker dan alleen- en dan leest Cato het vaak nog eens, in haar eentje.

Waar is het ijs? heeft meer ingewikkelde woordspelingen dan de vorige boeken. Sommige zijn ook voor kleuters meteen duidelijk, zoals de bever: 


Klik voor groot.

Andere hebben bij mijn zesjarige meer uitleg nodig: de woordgrapjes over pinguïn en pingping (duim over wijsvinger) bijvoorbeeld. Het mooie van Sylvia Vanden Heede is dat kinderen een joekel van een woordenschat meekrijgen, net als bij de paulusboeken van Jean Dulieu. En net als bij Paulus zijn de tekeningen magistraal – ik kan me Ever niet voorstellen zonder de lichaamstaal die Khing hem meegaf.

Onze Vos en Haasmarathon wordt voortgezet. We hebben wel besloten dat Ever wat meer geluk in de liefde mag krijgen nu zijn hoofse avances bij Ping Wing zo genadeloos afgeslagen zijn. Met z’n vieren debateerden we over een geschikt dier, maar daar kwamen we niet uit. Misschien moet hij toch vrijgezel blijven? Zolang hij er zelf maar vrede mee heeft.

P.S. De afgelopen dagen heb ik de boekenlijstjes aangevuld met een stuk of dertig nieuwe titels. Vooral de 5+10+, biologie en kunst zijn gegroeid, maar ook de overige genres en leeftijden.

Dit is Philip. Philip is dertien jaar. Als hij op school had gezeten, zat hij in de tweede klas van het atheneum. Maar Philip zit niet op school. En aangezien er maar 328 kinderen in Nederland thuisonderwijs krijgen, en slechts een klein percentage daarvan de middelbare school doet, zijn veel mensen benieuwd naar hoe-zo’n-dag-nou-gaat.

In sommige dingen is Philip erg goed, onthouden bijvoorbeeld. Vrijwel alle verhalen die hij op zijn vierde gehoord heeft, kan hij nu nog in detail navertellen. Als hij iets één keer gelezen heeft, staat het in zijn geheugen gebeiteld. Hij is kampioen plannen maken en creatieve oplossingen verzinnen. Zonder moeite herkent hij de drumpartij in een willekeurig nummer en hij heeft een rechtvaardigheidsgevoel waar Kofi Annan een puntje aan kan zuigen.

Concentratie is daarentegen niet een van Philips sterke kanten. Hij is nogal gauw afgeleid. De intentie is er wel, maar ja, dan zit je daar met je schrift aan tafel. En dan bedenk je hoe ridicuul het is om te beginnen zónder dat je potlood geslepen is. Of je oog valt op een reclameblaadje dat toevallig ook op tafel ligt – en ineens weet je dat het onmogelijk is om aan je werk te beginnen voordat je al je spaargeld geteld hebt. Of je krijgt plotseling enorme dorst (ook al heb je net ontbeten). Niemand kan van een mens verwachten dat hij uitgedroogd aan zijn werk begint.

Kortom, het duurt even voordat Philip op stoom is. Maar als hij eenmaal bezig is, kan hij er volledig in opgaan. Soms verrast hij zichzelf gewoon. ‘Mam’, zei hij laatst, ‘ik had het nooit gedacht, maar wiskunde kan echt verslavend zijn.’ Ik ga het op een tegeltje schilderen voordat hij het vergeten is.

Philip doet vijf vakken per dag. Iedere dag wiskunde en Nederlands en daarnaast drie variabelen. Verder leest hij dagelijks minimaal een halfuur (maar meestal langer) een (literaire) roman of ander proza. Voor alle kinderen geldt: televisie, iPad en computers gaan pas na 17.00 uur aan ter vermaak. Ter lering mag alles natuurlijk altijd aan.

Hoewel deze dingen redelijk vaststaan, maken we graag en uitbundig gebruik van de flexibliteit van thuisonderwijs. Eén-op-één leer je efficiënt, dus er kunnen veel zijpaadjes ingeslagen worden. Als er een onverwacht uitje is of iedereen enorme zin heeft in taart en we een ochtend willen bakken, dan passen we ons makkelijk aan. Niet té makkelijk, want Philip floreert op een beetje routine. Het heeft even geduurd voordat ik dat begreep en door zijn gefladder heen aan een ritme bleef vasthouden, maar op die manier is hij het gelukkigst en ervaart hij aan het eind van de dag de meeste voldoening.

Meestal besteedt Philip zo’n drie uur per dag aan boekenwerk. Omdat de kinderen zelf bepalen wanneer ze hun werk doen, zolang het maar voor het avondeten klaar is, lopen Philip en Jet niet helemaal synchroon in hun werktijden. Waar Jet voor het ontbijt liefst al een paar opdrachten afgerond heeft, begint Philip zijn dag graag zo.

Wat mij betreft een geneugte van thuisonderwijs – je eigen tempo kunnen volgen. Jet brengt haar middagen graag dansend door, terwijl Philip liever met vrienden afspreekt; zo hebben ze ieder hun eigen redenen om op tijd klaar te zijn.

Dit is wat Philip in een week gedaan heeft.

  • Wiskunde (dagelijks). Singapore Math is het fundament; daarnaast variëren we voor de jeu en de suppletie. We gebruikten onder meer Wisschriften van Vierkant voor Wiskunde, meetkunde met Van Basis tot Limiet (Belgische methode die geleverd wordt met het wiskundespel MonkeyLabs) en Your Business Math, waarbij Philip en Jet op papier een boekwinkeltje exploiteerden. Op dit moment werkt Philip weer met Singapore Math.
  • Syntaxis (2x deze week): woordsoorten, woordgroepen en zinnen ontleden.
  • Frans (3x deze week) met het Rosetta Stoneabonnement dat ik noemde in Jettes week.
  • Gelezen in Niemand houdt mij tegen van Evert Hartman (dagelijks).
  • Drummen (4x). Deze week geen les, wel gewoon gestudeerd. Met zijn leraar werkt hij met Real Time Drums van Arjen Oosterhout, daarnaast kiest Philip telkens een nummer waarvan hij de drumpartij wil instuderen (veel Coldplay, maar ook andere).
  • Het convectie-experiment van André Kuipers (1x). Had ik ooit aangevraagd via ESA en was blijven liggen.

  • Voor geschiedenis/aardrijkskunde/maatschappijleer koos Philip de Vietnamoorlog (2x aan gewerkt deze week). Drijfveer: er wordt in films vaak aan gerefereerd (‘I served in Nam, man’) en Philip wilde weten waar het nou eigenlijk over ging. We gebruiken bladen van Scribe als mal: History Scholar en Geo Scribe. Deze opdracht bestond uit drie delen:
  1. Basisinformatie over Vietnam verzamelen (hoofdstad, grootte, bevolking, landschap etc.).
  2. Informatie opzoeken over de oorlog (aanleiding, verloop, einde) en samenvatten.
  3. Een kort essay aan de hand van een vraag of stelling die door History Scholar geponeerd wordt. Deze keer de vraag: ‘Some men refused to go to Vietnam to fight, because they felt the war was wrong. Is it ever right to refuse your country’s call to fight in a war?’

Naast internetbronnen als wikipedia en het CIA Factbook bekeek Philip de aflevering van Michael Palins Full Circle in VietnamGood Morning Vietnam en Born on the 4th of July liggen klaar.


Ik ben nog altijd geïnspireerd door de onderwijsmethode van Charlotte Mason. Een van haar stokpaardjes is narration, het navertellen van literatuur die je gelezen hebt. Dat kan op verschillende manieren: mondeling, je vertelling opnemen op camera of mp3, schriftelijk, maar bijvoorbeeld ook door een tekening te maken van wat je gelezen hebt (voor jonge of tekengrage kinderen). Er zijn mensen die een jampot vol vertelmethodes gemaakt hebben (een narration jar). De uitvoering maakt niet uit – het idee is dat je dingen in je hoofd ordent en beter onthoudt als je het aan een ander kunt navertellen, of dat nou aan tafel is of in een schriftelijk verslag.

Mijn manier is simpel: ik vraag de kinderen me te vertellen wat ze gelezen hebben. Cato tekent nog weleens, maar Philip en Jet doen het voornamelijk mondeling en deels schriftelijk. De schriftelijke navertellingen gebruiken we meteen als ‘les Nederlands’, dan kijken we spelling en grammatica na. Zo’n Vietnamverslag is ook niet veel anders dan navertellen en ordenen.

Verder deze week à la Charlotte Mason:

  • Een hoofdstuk uit Mathematicians Are People, Too: Stories from the Lives of Great Mathematicians van Luetta en Wilbert Reimer (1x). Ik las voor, Philip en Jet vertelden na. Als ik ooit nog eens tijd over heb, dan is dit het eerste boek dat ik ga vertalen voor de Nederlandse markt. Zo gaaf. Ook het tweede deel.
  • Shakespeare (2x). Uit Shakespeares Vertellingen van Charles en Mary Lamb las Philip las ‘De koopman van Venetië’ en ‘Het temmen van de feeks’ en vertelde deze aan mij na.
  • Ik heb voorgelezen uit De wind in de wilgen van Kenneth Grahame (1x deze week).
  • Interpunctie (1x). Doen we zo: ik neem een stukje tekst met verschillende vormen van interpunctie, bijvoorbeeld een citaat binnen een dialoog. We bekijken samen alles wat lastig zou kunnen zijn in de tekst. De kinderen bestuderen het nog even goed en daarna krijgen ze dezelfde tekst, maar dan een versie waaruit ik alle hoofdletters en interpunctie verwijderd heb. Vervolgens verbeteren ze het en vergelijken hun versie met het origineel. Ik vind het handig om tekst te gebruiken waarvan ik zeker weet dat de interpunctie perfect is en die makkelijk van internet te plukken is, zodat ik niet hoef over te tikken. Deze week hebben we dit stukje gebruikt.
  • Kunst en filosofie (1x): De school van Athene van Rafaël bekeken in het boek Meesterwerken. Gepraat. Uit Oogetuigen van de wereldgeschiedenis het verslag gelezen van Socrates’ laatste uren, als hij de gifbeker drinkt.

Er was één uithuizige dag deze week: museum Naturalis samen met twee andere gezinnen. De zintuigententoonstelling hadden we nog niet gezien en leverde unieke beelden op. U ziet hier een bijtje op zoek naar nectar.

Philips vaste activiteiten zijn breakdance en drummen. Verder doet hij eens per week een maatschappelijke stage bij Cato’s woensdagmiddagclub. De club duurt drie uur en wordt bezocht door kinderen tussen de vier en tien jaar. Ze doen spelletjes, knutselen en sporten onder begeleiding van twee volwassenen – en Philip. Dat hij een activiteit van Cato gekozen heeft om te helpen, is niet toevallig. Ten eerste ging hij zelf graag naar de woensdagmiddagclub toen hij jonger was, en ten tweede hebben Philip en Cato een bijzondere band. Ze zijn samen als Chinees vuurwerk: licht ontvlambaar, veel kabaal, maar stralend en prachtig om te zien.

Cato baadt dan ook in weelde: zowel een zus die haar in een tutu hijst en door de kamer danst als een broer die haar met pijltjespistolen door het huis jaagt (waar zij altijd voor in is) en schier onuitputtelijk voorleesgeduld heeft.

Van het einde van de week kan ik helaas geen ooggetuigenverslag geven, want toen was Philip niet thuis. Op vrijdag logeerde hij bij zijn beste vriend en op zaterdag had hij een verjaardag van een andere vriend. Ik heb het dus uit de tweede hand. Maar toen hij zaterdagavond om elf uur thuiskwam, was hij moe, enthousiast en voldaan. Er zijn slechtere manieren om je week af te sluiten.

Poëzieweek

31 januari 2013

Toen Philip een jaar of drie was, kwam ik erachter dat hij het leuk vond om dingen uit zijn hoofd te leren. Nadat hij het melkwegstelsel en alle dinosaurussen had geleerd, begon hij aan de balein- en tandwalvissen. Daarna zat hij urenlang met het grote duikershandboek op schoot om handgebaren en duiksignalen tot zich te nemen.

Ik zag bij andere ouders dat hun kinderen precies hetzelfde deden. Zonder dat het hun werd opgedragen, en zonder dat de kinderen het hun ouders zagen doen. Het was geen gekopieerd gedrag, het was kinderen eigen.

Wij ouders wisselden rariteiten uit: de tandwalvissen van Philip waren niks vergeleken bij de bouwmachines die een jongetje uit de speelgroep kon determineren: shovels, walsen, asfalteermachines, maaidorsers – hij kende alle grondverzetmachinerie uit zijn hoofd. Een ander zat in de automerken; waar Philip louter op kleur onderscheidde (als iemand vroeg wat voor auto wij hadden, antwoordde hij: ‘Een grijze.’), kon dit jongetje aan een koplamp zien welk merk én type voorbijreed.

Nou zijn er veel dingen die kleine kinderen leuk vinden: meehelpen met koken, de was ophangen, ramen lappen. En dingen onthouden dus. De kunst is om het ijzer te smeden als het heet is. Daarom helpen Philip, Jet en Cato royaal mee in het huishouden en hebben ze vanaf het begin dingen uit hun hoofd geleerd. Als ze toch graag wilden stampen, dan kon ik net zo goed dingen aanreiken die ik nuttig vond, in plaats van te wachten tot ze aan het spoorboekje of langsrijdende nummerborden zouden beginnen, leek me.

Gedichten heb ik altijd belangrijk gevonden. Gedichten zijn mooi, zetten je aan het denken, kunnen je ontroeren en tot tranen toe laten lachen. We wisselden voorleesboeken af met dichtbundels, Wiele, wiele stap en Ziezo – nationaal geheugen. En toen we ze konden dromen, de spree met foeten, de nozebedijnen en één twee hop, de roltrap op, toen gingen we verder met al die andere prachtige poëzieverzamelingen. Een groot aantal staat hier in mijn lijstje favoriete dichtbundels; soms met fantastische illustraties, soms sobere uitgaven die het echt van de gedichten moeten hebben.

Het memoriseren gaat in golfbewegingen, maar sinds enige tijd leren Philip en Jet iedere twee weken een bekend gedicht uit hun hoofd. Gedichten met beroemde beginregels, bijzondere metaforen of zinnen die je kippenvel bezorgen – poëzie waarvan ik wil dat ze die kennen.

Nou verloopt het uit het hoofd leren van Rhijnvis Feith niet meer zo vanzelfsprekend als destijds Annie M.G. Schmidt, maar het hoeft nog steeds niet op z’n Full Metal Jacket’s. We lezen, gans ontspannen, strofe voor strofe. We kijken naar rijm, woordspelingen, mooie beelden. We zien verwijzingen: herken je een beeld of zin in het gedicht dat je ergens anders van kent? Uit de mythologie, het christendom, de politiek, uit een ander boek dat je gelezen hebt?

We analyseren het niet kapot, maar lezen gewoon en praten erover. Ook zoeken we altijd even de dichter op, want het is goed om wat levensverhaal te hebben; dat geeft vaak meer elan en duidelijkheid aan de verzen. Daarna schrijven Philip en Jet het gedicht op. Daarmee sla je twee vliegen in één klap: door het over te schrijven, onthoud je het beter en tegelijkertijd krijg je, bijna ongemerkt, spelling, grammatica en interpunctie mee.

M. VasalisEén van mijn favoriete dichters is M. Vasalis. Als je haar niet kent, moet je de bundel Parken en woestijnen maar eens lezen. Daar komt onderstaand gedicht ook vandaan, een van de eerste die Philip en Jet opschreven. Ik vind het zo mooi. Vasalis was psychiater, ze beschrijft een tafereel dat ze gezien zal hebben, rond 1940, toen ze het gedicht schreef. Lees het maar hardop, dan hoor je de jongen bijna zuchten. Hoe vaker je het leest, hoe meer het bij je binnenkomt; het daadwerkelijke beeld van de vertrokken jongen, en daarna de ontspanning op zijn ‘leeg en mooi’ gezicht dat eindelijk niet meer zorgelijk staat. Maar ook de symboliek: opnieuw geboren worden, verlangen, de ‘wijsheid van het lichaam’. De titel van de bundel, Parken en woestijnen, geeft een tegenstelling aan: vruchtbaarheid en dorheid, die je ook in het gedicht hieronder ziet (kijk maar wat er gebeurt als de jongen in het water glijdt). En als je dan nog dit filmpje bekijkt, zie je bijna letterlijk waar de jongen naar verlangt in die ‘oud vertrouwde droom’.

De idioot in het bad

Met opgetrokken schouders, toegeknepen ogen,
Haast dravend en vaak hakend in de mat,
Lelijk en onbeholpen aan zusters arm gebogen,
Gaat elke week de idioot naar ’t bad.
De damp die van het warme water slaat
Maakt hem geruster : witte stoom…
En bij elk kledingstuk, dat van hem afgaat,
Bevangt hem meer en meer een oud vertrouwde droom.

De zuster laat hem in het water glijden,
Hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst,
Hij zucht, als bij het lessen van zijn eerste dorst
En om zijn mond gloort langzaam aan een groot verblijden.

Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,
Zijn dunne voeten staan rechtop als bleke bloemen,
Zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden
Komen als berkenstammen door het groen opdoemen.

Hij is in dit groen water nog als ongeboren,
Hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen,
Hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren
En hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen.

En elke keer, dat hij uit ’t bad gehaald wordt,
En stevig met een handdoek drooggewreven
En in zijn stijve, harde kleren wordt gesjord
Stribbelt hij tegen en dan huilt hij even.

En elke week wordt hij opnieuw geboren
En wreed gescheiden van het veilig water-leven,
En elke week is hem het lot beschoren
Opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.

Uit: Parken en woestijnen van M. Vasalis, 1940.