Not Back To School Party 2011

15 september 2011

Wat is het alweer dagen heerlijk weer. Zonnetje, zonder jas naar buiten. Zondagavond was de voorspelling ook prima. Volgens weeronline zou het maandag een zesje worden in Rotterdam. Niet tropisch, maar 20°C en in ieder geval droog.

Herinnert u zich nog wat het uiteindelijk werd, maandag?

Toen we ’s morgens in de auto stapten, vielen de eerste druppels. Eenmaal op de A13 wuifden de ruitenwissers op volle toeren en riepen de kinderen beurtelings: ‘Ja, ik zie een opklaring!’ als er een streepje flauw licht uit de grijze wolken viel.

Maar we gingen. Net als zes jaar geleden en alle jaren daarna. Want we kwamen niet voor het weer, maar om elkaar te zien! 

Zo kwamen ze allemaal. Vaders, moeders, vrienden, oma’s en tantes. Soms speciaal voor de kinderen of omdat ze meer over thuisonderwijs wilden weten. Anderen kwamen vooral voor zichzelf (‘Ik had zo’n zin om iedereen weer te zien! Mijn puber wilde eerst niet mee, maar toen ik ging, wilde ze toch. En nu heb ik haar al de hele dag niet gezien.’). 

Er waren vijf grote kratten vol boeken en lesmateriaal die gratis en voor niks van eigenaar wisselden. Literatuur, strips, boeken over unschooling of Well-Trained Minds, proefjesboeken, bouwplaten, taalboekjes voor groep 3 en dikke wiskundepillen voor het vwo; iedereen kon pakken wat van zijn gading was.

Er was een moeder die workshops gaf in sieraden maken.

Er waren thermoskannen met koffie en soep, regenjassen en kaplaarzen. Mensen die vier setjes kleding hadden meegenomen om te kunnen verschonen. Mensen die zich niks aantrokken van de zuiderstorm.

Vies worden ze namelijk toch wel.

Er was tijd voor reflectie en bijkletsen.

En er was een tijd om te springen en te klauteren.

In de Speeldernis is plaats voor alle dingen. Het is de ideale locatie voor dit soort samenkomsten: bosjes om in te rauzen en je te verstoppen; bruggetjes over dieper water, geheime paadjes en midden in de waterplas een eiland om te verdedigen.

Een fontein voor peuters, kleine beekjes waarin je dammen kunt bouwen, picknicktafels met hier en daar een afdakje, grote rioolbuizen om je in te verschuilen, houten speelhuizen.    

Afgelegen plekjes om je terug te trekken.

De zesde Not Back to School Party werd een informatiedag, ruilbeurs, speelpartij en reünie.

We zijn er ooit mee begonnen omdat Amerikaanse thuisonderwijzers erover vertelden. Een mens moet ergens inspiratie opdoen, nietwaar? Bedoeld als lichtvoetige tegenhanger van alle Back to School-evenementen en commercie. Om kennis en ervaring uit te wisselen, onze kinderen te laten zien dat er nog veel meer mensen zijn die thuisonderwijzen. En als goed excuus om een feestje te vieren. Dat laatste is nog steeds het allerbelangrijkste.

—–

Feest

13 januari 2011

We hadden een partijtje dit weekend. Eigenlijk had Philip een partijtje, maar wij mochten mee en dat deden we graag.

Bij mijn kinderen leeft het concept ‘kinderpartijtje’ niet erg. Als ze jarig zijn, willen ze het liefst alle mensen bij elkaar, groot en klein, familie en vrienden, zonder afzonderlijk kinderfeest. Het heeft mij in het begin weleens verbaasd – en ook verontrust. Welk kind wil nou geen partijtje? Dat was in mijn tijd wel anders. Man, dát waren de feestjes. Uit voorwereldlijke tijden weliswaar, met maximaal zes kinderen in de achtertuin, koekhappen en snoepje-in-een-bak-water, want het was in die dagen nog geen conventie dat je de hele klas een workshop kinderkeramiek aanbood of twee dagen naar Disneyland ging met zeventien van je al-ler-beste vriendjes. En toch: het kinderpartijtje was onmisbaar.

Toen Philip en Jet de leeftijd kregen dat ze op partijtjes gevraagd werden, dacht ik dat ze voortaan zelf ook een eigen feestje wilden. Maar ieder jaar opnieuw sloegen ze mijn aanbod af. ‘Weet je het zeker?’ vroeg ik. ‘Het is náást de gewone verjaardag, hoor! Het is éxtra.’ Jaha, zeiden ze dan, dat wisten ze ook wel, ze bezochten die feestjes zelf. Maar ze wilden niet. ‘Ik vind het gewoon gezelliger als iedereen tegelijk komt.’

Toen ik er wat meer over nadacht, begreep ik het ook wel. Hoeveel kinderpartijtjes kon ik me eigenlijk nog echt herinneren? Eentje. Dat ene waar ik halverwege de festiviteiten huilend naar mijn kamer rende (ruzie met een verjaardagsgast? met mijn broer? mijn moeder?) en een halfuur mokkend uit het raam zat te kijken naar het partijtje dat zonder mij gewoon doorging.

Het was geloof ik vooral het idee van een kinderfeestje dat ik leuk vond. Net als het idee van de klassen rondgaan. Nadat je in je eigen klas had uitgedeeld, mocht je met twee vriend(inn)en de andere klassen langs om juffen en meesters te trakteren. De stress die dat opleverde was absurd. Bedenk ik nu. Dan had je na veel wikken en wegen twee mensen uitverkoren, bleek dat er eentje toevallig die week je vriendin niet meer was. En de relatie met alle overige klasgenoten was na zo’n dag ook bekoeld, want zij hadden niet meegemogen.

Geen kinderpartijtje dus. Hoewel het bij mij nog altijd beladen is en ik iedere uitnodiging die mijn kinderen krijgen bijna persoonlijk beschouw als een certificaat van populariteit, nemen Philip en Jet het buitengewoon luchtig op. Ik merk dat het bij andere, bevriende thuisonderwijsgezinnen ook nauwelijks leeft. Men viert samen.

Dit weekend vierden we samen in Vlaanderen de verjaardag van Philips vriend, van onze vriend. Er werden pannenkoeken gegeten, er werd een klimmuur getrotseerd en een bowlingbaan onveilig gemaakt.

Voor de meesten van ons was het alweer even geleden. Maar als ik voor mezelf spreek: ik had het duidelijk nog in me. Twintig jaar geen bowlingbaan gezien, maar geef me een paar plastic leenschoenen en de schwung komt als vanouds bovendrijven. Bij wijze van spreken dan, want ik werd laatste van de baan; uit piëteit met mijn naasten uiteraard. Jet deed het voor het eerst.

Cato ook, en zij bewees dat je met een verticaal neervallende bal best nog wat kegels omver kunt krijgen. Als je maar geduld hebt, en twee hekjes naast de valgoot.

Na afloop hebben de kinderen thuis verder gespeeld, met elkaar en met de puppy van het gezin. We hebben gegeten en gepraat en gezongen en het prachtige nieuwe huis bewonderd. Met een hoofd vol ideeën, een hart vol genegenheid en een stapel leenboeken stapten we in de auto terug naar huis. Het was een echt feest.

Tradities bouwen

6 september 2010

Zeven jaar geleden ging ik voor het eerst naar een thuisonderwijsuitje. Philip was vier jaar, Jet anderhalf. Van Cato was nog geen sprake. Het was in Zutphen, voor ons niet naast de deur, op een donderdag, in een gehuurde padvinderskeet met ongeveer acht gezinnen. Dat was meteen vrijwel de hele thuisonderwijspopulatie van Nederland.

Met de uitdijing van internet raakten steeds meer mensen bekend met een alternatieve manier van leren. Het aantal thuisonderwijzers groeide. Een beetje, en nog een beetje. Ouders die per definitie eigenwijs en koppig zijn – anders kozen ze hier niet voor. Zo’n verzameling betweters is niet altijd makkelijk bij elkaar te houden, daar kan de Nederlandse Vereniging voor Thuisonderwijs over meepraten. Maar telkens kregen de initiatiefnemers van de NVvTO het weer voor elkaar om de naam ‘vereniging’ eer aan te doen.

En vandaag waren er 230 mensen om de jaarlijkse thuisonderwijsdag te vieren.

Net als andere jaren was er een kampvuur voor warme popcorn en marshmellows.

Er waren ouders die op elkaars kinderen letten. Er was zon. Er waren cowboys en indianen, sommige zes jaar oud, andere dertien. Er was modder en er waren takken. Er waren oude bekenden die omhelsden, bijpraatten. Er waren nieuwe gezichten die aftastten. Er waren mensen die niet anders gewend zijn.

De foto’s lijken op die van vorig jaar en het jaar daarvoor, maar dat heb je nu eenmaal met tradities. Ze keren terug. Omdat iedereen er telkens weer naar uitkijkt.

Sterrenplukker

11 juli 2010

Hij is weer thuis van zomerkamp. Al mijn bezorgdheid was voor niets. Hij lag niet met een gebroken nek op de hei waar hij zichzelf in leven hield met dauwdruppels. Hij is niet de Duitse grens over gesmokkeld door een kartel mensenhandelaren. Hij is niet de douche ingelokt door een vieze kampleider. Hij heeft het waanzinnig gehad.

In zeven dagen tijd is hij drie jaar ouder geworden, met een soort kalme stoerheid over zich.

Zijn vocabulaire is uitgebreid met woorden als ‘slowen’ en ‘Wolter Kroes’ en terwijl hij zijn ervaringen royaal deelt met hen die er niet bij waren, maakt hij met zijn vingers een ‘tussen aanhalingstekens’ in de lucht. Over clandestien meegenomen walkie-talkies, zeephellingen, nachten van vier uur slaap. En de disco op de laatste avond.

‘Wat er toen gebeurde…’ Hij slaat hoofdschuddend zijn ogen neer bij de herinnering. ‘Ik zit daar gewoon met mijn vrienden. Komt er een meisje naar me toe. Zegt ze: “Zie je dat meisje daar? Die vindt jou leuk.” ’ Hij kijkt ons verontwaardigd aan.
‘Was het een leuk meisje?’, vraag ik.
‘Weet ik niet, ik ben niet naar haar toegegaan. Ik dacht: we zijn hier nog maar een halve dag, morgen gaan we naar huis, dan heeft het geen zin om haar te leren kennen.’
Lekker praktisch, dat Y-chromosoom.

Hij kwam thuis met een tas vol schone t-shirts en onderbroeken. Op de onderbroeken had hij me al een beetje voorbereid bij het inpakken, voordat hij wegging. Toen ik liet zien wat een handige plek was voor zijn boxershorts, zei hij: ‘Dat is goed, stop ze er in ieder geval maar in.’ In ieder geval? ‘Ja’, zei hij, ‘ik denk dat ik alleen deze aanhou, want ik ga me niet omkleden als er vreemden bij zijn. Maar misschien komen ze nog van pas.’ Hij had er toch nog vier gebruikt.

Ik zat te vissen of er echt niks naars gebeurd was – een beetje moeder is alert op traumatische ervaringen die misschien verdrongen zijn. ‘O ja’, zei hij later, ‘dat was trouwens nog vervelend…’ Dus toch. Toch een dubieuze groepsleider. Toch een sarrende tentgenoot. ‘Ja’, zei hij, ‘ze hadden alleen maar jonge kaas. Dus ik heb vooral chocopasta en hagelslag op brood genomen.’

Tijdens kamp had ik zijn filmpje gemaakt. Wekenlang had hij gevraagd of het al af was. Of ik er überhaupt mee bezig was. De filmpjes van Jet en Cato waren al op hun verjaardag klaar, maar Philip was twee maanden geleden jarig en dat is zonder aubade voorbijgegaan. Bij dezen maak ik het goed. Ik vond het alleen lastig om het juiste liedje te vinden. Uiteindelijk bleven er twee over, ze passen allebei zo goed bij hem. Hij kon zelf ook niet kiezen, dus dan maar zo. Twee keer dezelfde Philip, twee keer anders.

Dialoog (1)

28 april 2010

Het veelgesteldevragenseizoen is weer geopend. Ik krijg wel vaker mails met vragen over thuisonderwijs, maar soms is het drukker dan anders. De komende tijd zal ik een paar terugkerende vragen beantwoorden van mensen die thuisonderwijs willen gaan geven of er net mee begonnen zijn. In het land der blinden is eenoog koning, dus als je zoals ik een tienjarige zoon hebt, ben je al gauw ervaren.

Het is een vrij letterlijke weergave van de mailwisselingen die ik gevoerd heb, de vraagstelling heb ik zo uit de mails overgenomen.

Stel, zo’n kind is veertig, wat voor type is het dan? Een ‘alleenganger’ die zich afzondert van de maatschappij? Of juist een sociaal iemand die dankzij thuisonderwijs een veilige basis heeft en daardoor sterk is?

Mag ik deze vraag herformuleren?

Stel, een schoolgaand kind is veertig, wat voor type is het dan? Een meeloper, die op school niet genoeg leiderscapaciteiten had om het baasje van de klas te zijn – maar net genoeg binnen de groep viel om niet gepest te worden? Een underdog, die in zijn kinderjaren telkens afgezeken werd? Een weifelaar, die geen keuzes kan maken omdat andere mensen zijn agenda altijd bepaald hebben? Of een alleenganger die zich afzondert van de maatschappij, omdat hij de eerste achttien jaar van zijn leven tussen dertig mensen gezeten heeft die voortdurend met elkaar in competitie waren en hij dat helemaal zat was?

Ik wil maar zeggen: wie kan er überhaupt voorspellen wat voor mens je kind op zijn veertigste zal zijn? Tot op heden zijn alle ‘alleengangers’ in Nederland, alle zonderlingen, alle verschoppelingen allemaal schoolkinderen geweest. School is dus geen garantie voor het opkweken van sociale wezens.

Sterker nog, uit onderzoeken díe gedaan zijn, blijkt dat thuisonderwezen kinderen socialer zijn: minder ruzies bij het spelen, elkaar meer gunnen, gelukkiger volwassenen. Hoewel thuisonderwijs geen grote prioriteit heeft bij wetenschappelijk onderzoek (het is immers een klein percentage), zijn er toch tamelijk wat studies gedaan. Je kunt ze allemaal opzoeken; deze drie vind ik zelf duidelijk:

Deze resultaten kunnen in twijfel getrokken worden door mensen die tegen thuisonderwijs zijn, maar zulke twijfel is alleen gebaseerd op een ‘gevoel’. Hetzelfde gevoel waarmee ik kan zeggen: ‘Ik denk dat dát willekeurige kind zal opgroeien tot een ongelukkige veertigjarige.’ Nergens op gebaseerd, behalve op mijn gevoel.

Natuurlijk worden niet alle thuisgeschoolde kinderen sociale uitschieters. Thuisonderwijs is juist fijn voor kinderen die niet uitblinken in groepsprocessen – en ook die worden groot. Maar in principe zijn alle ‘gevoelens’ over achter de geraniums wegkwijnende rariteiten nergens op gebaseerd.

Laat mensen nou eens met één tegenonderzoek komen. Eentje maar, waaruit blijkt dat thuisonderwezen kinderen asocialer of eenzelviger worden dan schoolgaande kinderen. Dan praten we weer verder.

Een thuisonderwijskind zal altijd een uitzondering zijn. Kinderen hebben het onderling over schoolse zaken en een thuisondewijskind valt daar buiten.

Ja, een kind dat thuisonderwijs krijgt, zal altijd een uitzondering zijn. Zelfs in landen waar het ronduit mag, wordt het maar door 3 procent van de schoolkinderen genoten. (Waarmee meteen de angst uit de wereld geholpen mag zijn dat ‘iedereen het gaat doen’, als de acceptatie in Nederland groter zou zijn.)

Nee, kinderen hebben het onderling niet voornamelijk over schoolse zaken. Alle vriendjes en vriendinnetjes van mijn kinderen die hier over de vloer komen (de meeste zijn tussen de zeven en twaalf jaar) hebben het nauwelijks over school. Ze spelen gewoon, of ze praten. Over van alles, maar school is echt niet het hoofdonderwerp. Ik ben altijd degene die vraagt: ‘Hoe was het op school?’ of ‘Is er nog iets leuks gebeurd?’ en negen van de tien keer krijg ik een één-woord-antwoord: ‘goed’ of ‘nee’. Daarna gaan hun gesprekken verder over dingen die ze belangrijk vinden. 

Bovendien is het alleen akelig om een uitzondering te zijn, als het een vervelende uitzondering betreft. Als het een uitzondering is waar je zelf gelukkig mee bent, zit je er meestal niet zo mee. Als je contrabas speelt, ben je ook een uitzondering. Of als je op cricket zit. Als je hindoe bent in Nederland, geen Pokemon kijkt, als je ouders geen auto hebben, als je op de Vrije School zit of op een Leonardoschool.

Wanneer je tot een minderheid behoort, moet je vaak motiveren waarom. Niet alleen naar andere mensen toe, maar ook naar jezelf. Dat is niet altijd gemakkelijk, maar het scherpt je wel.

Prijzen

23 oktober 2009

Dit is Philip (10) als de dingen tegenzitten. Als zijn walkietalkie stuk is en het lukt hem niet die te repareren. Als hij zich heeft voorgenomen dagelijks een stukje te schrijven en de writer’s block toeslaat. Of als hij iets wil opzoeken maar niet weet waar te beginnen en eigenlijk liever wacht totdat ik het voor hem doe. Bij Philip wil het glas nog weleens half leeg zijn. Dan lukt het hem niet zichzelf als Baron van Münchhausen aan zijn eigen haren uit het moeras te trekken en geeft hij liever op. ‘Dan niet.’

Dat wisten we al toen hij klein was, je kent je kind. En hoewel we niet bij iedere kleurplaat hosanna riepen, deed een zekere mate van aansporing en complimentering hem goed.

Maar een paar jaar geleden las ik Unconditional Parenting van Alfie Kohn. Als ik even kort door de bocht parafraseer, dan zegt Kohn dat kinderen het nodig hebben dat er onvoorwaardelijk van hen gehouden wordt. Daar zal niemand het mee oneens zijn. Vervolgens concludeert hij dat elke vorm van aansporen of prijzen door kinderen uitgelegd wordt als een voorbehoud. Als een ouder zegt: ‘Wat heb je dat goed gedaan’, dan interpreteren kinderen dat intuïtief als: ze accepteren me alleen maar omdát ik het goed gedaan heb. Ik moet hun liefde verdienen. Conclusie: als een kind je iets knaps laat zien, geef dan geen compliment, maar vraag of hij er zelf tevreden mee is. Geen geprijs meer.

Ik vond het plausibel klinken. Een tijdlang was ik tamelijk voorbeeldig in mijn niet-prijzen. Zo voorbeeldig dat Philip me na een paar maanden toebeet: ‘Waarom zeg je nou nooit meer dat je iets goed vindt?’ Dat was nadat ik de fase van ontwenning in ogenschouw had genomen.

Sindsdien juich ik hem gewoon weer toe als hij vastzit. En schrijf ik onder zijn stukjes ‘Goed zo, bink’ of iets van die strekking. Tenzij het natuurlijk niet goed is; in dat geval help ik hem om zichzelf te verbeteren. Het geeft hem net dat zuchtje wind onder zijn vleugels dat hij nodig heeft om door te vliegen. Sommige mensen hebben wat meer externe motivatie nodig dan anderen. Juist van de mensen die van hen houden.

Dr. Jekyll & Mr. Hyde

26 juni 2009

Cato heeft het moeilijk op ’t moment. Dat hoort natuurlijk bij peuters, maar naast twee is ze ook nog eens Cato. En bij Cato gaat alles hard. Luid. Al vanaf het begin. Met haar stemmingswisselingen ondergaat ze een persoons-verandering: ze voelt zich niet boos, ze is Boosheid. Ze heeft geen verdriet, ze is het.

Het kan ook zo weer over zijn. Daar valt geen pijl op te trekken. Dan bereid ik me voor op het ergste en blijkt ze ineens buitengewoon voor rede vatbaar. Of dan denk ik: we kunnen wel even in tien minuten naar de supermarkt. En dan had ik het mis.

Soms kan ik daar heel best mee omgaan, al zeg ik het zelf. Geduldig, vol medeleven. Stel ik net zo lang vragen totdat ze zich begrepen weet en komen we er samen wel uit. Met een grap of een knuffel en een zucht van verlichting.

En soms kan ik er ook helemaal niet mee omgaan. Dan loop ik het Bijbels Museum uit met negentig centimeter razernij. Want dan mocht ze niet alle ansichtkaarten uit het rek trekken en ook niet alle kluisjes op slot draaien en de sleuteltjes verstoppen. Dat was nádat ze niet op de maquette van de tempel van Salomo mocht klimmen. En omdat Cato echt heel, heel luid is, wil ik dan het liefst zo snel mogelijk het serene museumgebouw verlaten en de façade van voorbeeldig ouderschap in stand houden. Dus hang ik haar over mijn schouder en wuif de receptionisten vriendelijk toe die beleefd doen alsof ze niets horen, terwijl Cato waarlijk als een scheepstoeter door de marmeren gangen brult.

De eerste tien minuten na het opstaan zijn vaak maatgevend. Als Cato nog vóór het ontbijt om een waterijsje vraagt en ze is niet te vermurwen tot een boterham, dan weten we hoe de vlag erbij hangt. Dan kunnen we zo’n beetje alles verwachten.

Boosheid om kleren. Kleren die ze wel aan wil, of juist niet. Kleren die ze zonder enige hulp wil aantrekken, terwijl dat niet lukt.

Boosheid om eten. ‘It wil een rijstwafel.’  Twee hapjes rijstwafel. ‘It wil ossenworst.’ Twee hapjes ossenworst. ‘It wil yoghurt.’ Een kattenlikje yoghurt. ‘It wil een waterijs.’

Boosheid om persoonlijke hygiene. Waarbij wij het ganse repertoire aan tandenpoetsliedjes en gekke stemmetjes afgewerkt hebben en er één kies gepoetst is. Waarbij zij het liefst de hele dag in dezelfde luier rondloopt. ‘It hoef geen schone billen.’

Boosheid om speelgoed, boekjes, roltrappen, liften, autostoeltjes, Buurman & Buurman, Philip, Jet, Kleine Ezel, de wereld, het heelal. De mogelijkheden zijn eindeloos.

Je ziet de ontreddering. En ze wil niet geholpen worden.

En ineens is het weer over. Gewoon ’s morgens bij het opstaan. Blaft ze geen bevelen, maar vraagt: ‘Wil jij met mij een puzzel maten?’ En dan maken we samen een puzzel. Heeft ze meteen haar mooiste rok uitgezocht en lukt het ook nog om die aan te trekken. Vraagt ze om een waterijs, maar is een worteltje ook goed. Komt ze naast mijn bureau staan en zegt: ‘It ben jouw Tato’. En dan denk ik: gelukkig wel.