De messen worden geslepen

31 augustus 2013

Weet je wat ik een van de leukste dingen vind aan kinderen hebben? Dat ze zo veel dingen doen die ik niet kan. Van tevoren had ik gedacht dat ik het heel gaaf zou vinden als mijn kinderen op me leken, als ik eigenschappen van mezelf in hen zou herkennen. Maar dat laatste legt bij mij eerder zenuwen bloot dan dat het tranen van ontroering teweegbrengt.

Het zijn juist de dingen die ik voor mijn ogen zie gebeuren, de onverwachte dingen, die me ontroeren en waar ik -volkomen onterecht, want ik heb er niets aan gedaan- trots op ben. Cato die zo veel meer durft dan ik op die leeftijd; haar ritmegevoel, haar lekker in haar lijf zitten. Victoria die gemaakt is om lief te hebben, altijd vrolijk en voor rede vatbaar. Jette die zo prachtig Jette is en dingen probeert die ik niet eens zou durven overwegen; haar totale overgave aan arabesques en pliés. Philips rechtvaardigheidsgevoel dat hij trouw blijft, ook op momenten waarop ik allang gemarchandeerd zou hebben. Zijn muzikaliteit, die me ineens opviel toen hij, drie jaar en drie maanden oud, op een feest naar een bandje stond te kijken en exact de drumpartij meetikte. Terwijl ik vaak niet eens hoor welke instrumenten er in een nummer meedoen.

Het zijn de dingen die hen eigen maken. Door erin mee te gaan, te luisteren naar hun mening en redenen om ergens voor te kiezen, ga ik er zelf ook de lol van inzien. Zoals je naar Zomergasten kunt kijken met een onderwerp waarvan je eerst dacht dat het je niets kon schelen, maar dat na afloop verrassend interessant bleek te zijn. Eigenlijk is alles leuk als je je er in wilt verdiepen.

Vorige week ging Philip weer iets doen waar ik nooit op gekomen zou zijn. Smeden.

Zelf ben ik op het gebied van handvaardigheid niet verder gekomen dan de spreekwoordelijke asbak en een gefiguurzaagde vogel van balsahout, beide geen daverend succes, dus smeden lag niet in het verwachtingspatroon dat ik voor mijn kinderen had. Het was besproken door vriendin E. van de thuisonderwijsgroep, voor een groep jongeren van twaalf tot zeventien jaar, waaronder Philip.

Geen hoefijzer of ploegschaar – daar dacht ik meteen aan, leuk ambachtelijk zoals bij de Schippers van de Kameleon, maar een survivalmes. Kijk, het onderste is van Philip.

Maar voordat je tot dit resultaat komt, moet je eerst een hele dag in de smederij staan. Van 10.00 tot 16.00, tussen ovens en aambeelden en hamers. In gepaste kledij, met handschoenen die zo uit de Axe-reclame komen, waarmee het bezwete voorhoofd afgewist wordt.

Want om van zo’n staaf een mes te maken, moet je flink timmeren.

Telkens opnieuw het staal verwarmen tot het sinaasappeloranje is. Dan heb je maar tien seconden om te slaan en moet het weer de oven in. Als je ten slotte tevreden bent over de vorm, lengte en breedte, is het tijd om je mes te harden. Dat doe je door het in olie te dopen en daarna vóór de hete oven te houden.

Als de olie begint te roken, weet je dat de juiste temperatuur bereikt is. Heb ik nooit geweten. Maar nu weet ik het wel. En ben ik plaatsvervangend trots op het resultaat.