Het leek me een goed idee om er even tussenuit te gaan. Geen weken, hoor. Gewoon een paar dagen. In mijn eentje. Na drie maanden zwangerschapsmisselijkheid, mezelf voortslepen en mijn ogen met luciferhoutjes openhouden leken dagelijkse dingen ineens zo’n táák.  

Nou waren we weleens vaker een paar dagen gescheiden geweest; als zij gingen logeren of ik een nachtje weg was. Maar vijf dagen zonder moeder zou een persoonlijk gezinsrecord worden. De kinderen begrepen pas dat het menens was, toen ik mijn tas inpakte.

‘Hè?’, zei Philip. ‘Ga je echt? Ik dacht dat je het niet meende. Je zegt weleens vaker wat.’ Jet was buitengewoon edelmoedig: ‘Ga maar lekker, hoor, mam!’ en Cato vond het allemaal best, zo leek het. Ze hadden leuke dingen in het verschiet: jarige opa, gezellige dingen doen met papa, er zou niet eens tijd zijn om elkaar te missen. 

Ik vertrok op zaterdagochtend, terwijl Philip bij een vriend speelde en John met Cato boodschappen deed. Jet was alleen thuis. We hadden zwaaiend afscheid genomen, Jet had grootse knutselplannen en de zon scheen terwijl ik naar de tram liep.

Na zeven minuten ging mijn telefoon. Jet. ‘Dag mam’, zei ze met een klein stemmetje, ‘ben je al ver?’ De tram kwam net in beweging. ‘Nee lieverd,’ zei ik, ‘als je uit het raam kijkt, zie je me straks in de tram de hoek om komen.’ Jet zuchtte. De rest van het gesprek voltrok zich met geforceerde opgewektheid van mijn kant en Jettes plannen voor wat we zouden doen als ik weer terug was. ‘Dan maak ik ondertussen alvast allemaal dingen voor je verjaardag. Ik ben nu bezig met een kroon.’ Na twintig minuten was ik bij het station en konden we het gesprek afronden: ‘Ik ga een treinkaartje kopen, we bellen vanavond nog wel even.’

Ik zat nog geen drie minuten, genesteld met thee en een krant in de trein, of de telefoon ging. Jet. 

‘Ik weet dat we pas vanavond zouden bellen, maar dit moet je echt weten. Je raadt nooit wat ik gedaan heb. Ik heb voor het eerst zelf een hele goeie knot in mijn haar gemaakt! Nu net, voor het eerst!’ Maar ze wilde me vooral niet langer ophouden (‘Je hebt zeker een krant en iets lekkers gekocht, hè?’) dus ze ging snel haar ballettas inpakken.

Die avond leerden we dat vlak voor het slapengaan niet de beste tijd is om nog even te bellen. Met de telefoon op de intercom hoorde ik beurtelings een vrolijke Philip, het samengeknepen stemmetje van Jet en een snotterende Cato die door John getroost werd.

Zelf had ik het overigens heerlijk. Wandelingen over de Westfriese omringdijk, blote voeten in het IJsselmeer, Mannen die vrouwen haten liggend op de bank, oneindig lang douchen, voetenbadjes in de tuin, tortellini gevuld met ricotta en basilicum en zeevruchtensaus.

Op dinsdag kreeg ik post op mijn logeeradres. De brief zelf bevatte geen afzender, maar op de achterkant van de envelop stond in blokletters C A T O.  

‘De meeste tijd heeft ze het heel erg naar haar zin’, zei Philip later door de telefoon. ‘Maar af en toe was het net als bij Aadje Piraatje:
Mama ik mis je.
Mama ik mis je zo.
Zoals Jan zijn hand mist en Goof zijn oog,
zoveel mis ik jou ook
.’ 

En toch was de tijd best wel omgevlogen. Voor mij zeker, maar voor de kinderen ook. De verjaardag van opa was gezellig, ze mochten iedere dag hagelslag op brood, Philip had veel langer gecomputerd dan gebruikelijk, ze hadden E.T. gekeken, Jet had weer eens gekookt, vriend D. was blijven eten. En ze waren nog naar Loevestein geweest.

De laatste keer dat we daar waren, was Cato nog klein geweest. Nu was ze groot genoeg om de verkleedkist ten volle te benutten. 

De boekenkist van Hugo de Groot maakte minder indruk op haar. Je zou zeggen dat een vierjarige zich buitengewoon zou interesseren voor het vervoermiddel waarmee een zeventiende-eeuwse rechtsgeleerde zijn gevangenis ontvluchtte nadat hij was opgesloten wegens zijn gematigde opvatting aangaande de predestinatieleer die ervoor zorgde dat raadspensionaris Van Oldenbarnevelt op het schavot belandde, maar dat was gek genoeg niet het geval.

Het is natuurlijk een heerlijk kasteel om in te dwalen. Je komt van alles tegen: wapenrustingen, een keuken met kruiden, oude zwaarden, kroonluchters. Boba Fett avant la lettre.

Je fantasie gaat er vanzelf werken. Hieronder bijvoorbeeld. U denkt dat dit een halfmislukte foto is met een lelijke flits linksonder, maar dat is schijn. In feite heeft John het uiterst schuwe Spook van Loevestein op de gevoelige plaat gezet.  

Gelukkig waren er genoeg Stoutmoedigen en Onversaagden in de buurt om al het kwaad te bestrijden. 

En als je langs de soldatenhuisjes loopt en de twee slotgrachten oversteekt, kom je op een heerlijk plekje langs de Waal. Daar kun je groene appels en komkommer eten, ter compensatie voor al die boterhammen met hagelslag van de afgelopen dagen.

Na thuiskomst van mijn retraite werd ik bedolven onder de kinderlijfjes en verhalen. Cato riep: ‘Je mag nooit meer vier nachtjes weg! Wel twee of drie.’ Wat mij betreft was het voor herhaling vatbaar.

Waterwerken

16 maart 2011

Zoals het trouwe onderdanen van onze toekomstige vorst betaamt, hebben wij ons beziggehouden met watermanagement. Na de zeebeving in Japan is het gruwelijk actueel, maar we waren met dit project bezig voordat de grond onder de Grote Oceaan begon te beven.

We gingen naar Hoek van Holland, sinds jaren een favoriete plek van mijn kinderen. Deze keer hebben we er voor het eerst een workshop gevolgd, bij de stormvloedkering.

De meeste musea bieden schoollessen aan en als thuisonderwijsgroep kun je zo’n les ook reserveren. Dat is een prachtige manier om meer te weten te komen over een onderwerp. De mensen die deze lessen geven zijn vaak erg deskundig en enthousiast en omdat je ter plaatse bent, spreekt het onderwerp meer dan wanneer je er een boek over leest of een filmpje van bekijkt.

Op een filmpje zie je namelijk niet hoe reusachtig groot zo’n deltawerk is. In één poot zit evenveel staal als in twee Eifeltorens. Ze lijken er ook een beetje op.  

En als je zelf de Rijn bij Lobith ons land laat binnenstromen, maakt dat meer indruk dan wanneer je het op een plattegrond ziet.

Plattegronden waren er trouwens wel, hoor. Maar bijzondere. Reliëfkaarten die lieten zien wat er gebeurt als de sneeuw in de Alpen smelt en met de rivieren mee naar Nederland komt. Als het dan ook nog eens vaker gaat regenen én de poolkappen smelten, dan zie je met eigen ogen hoe sommige delen van het land vol water lopen.

De les was bedoeld voor kinderen vanaf 10 jaar, dus we hadden ons voorgenomen zelf de kleintjes te vermaken. Maar de onderwijsmevrouw vond het geen enkel probleem om de jongste kinderen er ook de hele workshop bij te hebben: ‘Dan pas ik het gewoon een beetje aan.’ Dat deed ze geweldig.

Zo kregen we met z’n allen les. Eerst een klein hoorcollege. 

Daarna een practicum.

De kinderen ontvingen een lijst postcodes om in te vullen in het Actueel Hoogtebestand. Konden ze zien wat de hoogteverschillen in Nederland zijn. Woon je zelf onder of boven NAP? En de inwoners van Maastricht? Zouden opa en oma droge voeten houden zonder dijken? En tante Bep in Warnsveld? 

Vervolgens trok de juf met ons het Keringhuis in om het aanschouwelijker te maken. Iedereen kreeg een lijst met quizvragen die tijdens de rondleiding ingevuld kon worden. 

Wist je dat er in Nederland zo’n 17.000 kilometer aan dijk ligt? Dat is verder dan van hier naar Australië. Een gezin uit onze groep komt daar vandaan, die weten hoe ver dat vliegen is. En wist je dat de stormvloedkering er tweeënhalf uur over doet om helemaal te sluiten? Nadat de enorme armen tegen elkaar geschoven zijn, laten ze ze heel langzaam zakken, zodat alle slib eronder weggespoeld wordt door de druk van het water.

Ik heb de serie al eens eerder genoemd bij onze tijdreis door de Beemster, maar Rondje Nederland sluit hier goed bij aan. We hebben met veel plezier alle zes delen gevolgd over de variëteit in het Nederlands landschap. Deze aflevering over de Deltawerken was bij uitstek geschikt voor onze waterworkshop.  

Een van de moeders had Tinka’s toverreis mee, een relatief onbekend prentenboek over de Nederlandse watergeschiedenis en -toekomst. Het is geen parel van schone letteren, maar de uitgave is mooi verzorgd met kleurige, duidelijke tekeningen en het verhaal is leuk. Bovendien is het het enige boek dat ik ken dat zowel de Deltawerken als het Cruquiusgemaal in verhaalvorm verwerkt heeft. De armen van de stormvloedkering worden vergeleken met vleugels van een beschermengel – da’s mooi toch?

Om nog eens te zien waar die Deltawerken voor nodig zijn, hier een paar filmpjes over de Watersnoodramp van 1953. Polygoonjournaals en buitenlandse ontwikkelingshulp voor Nederland.

Na afloop van de waterklas bleek de lente te zijn doorgebroken. Jassen op het gras, uitrazende kinderen, boterhammen uit de tas. Zo konden we geheel in stijl lunchen. Op een dijk, de blik gericht op de Maeslantkering, de Nieuwe Waterweg en de enorme schepen die, sinds jaar en dag, naar verre, vreemde oorden voeren.  

Wie verliefd was op het oude kinderboekenmuseum, moet opnieuw gaan daten. Bij het eerste afspraakje zie je de totale metamorfose: van een gezellige, rommelige vrijeschoolmoeder is het museum een blonde stoot geworden, strakgetrokken en opgevuld – en een tikkeltje onbetrouwbaar, met al haar nieuwe gadgets.

Weg zijn de intieme themakamertjes, weg is het winkeltje van meneer Pen, weg de knuffelhoek waar ik een kleine Philip zoveel boekjes heb voorgelezen op regenachtige dagen, weg de Sprookjesschrijver bij zijn vijver vol inkt. Daarvoor in de plaats is Papiria gekomen, een land van boeken en verhalen.

Het Kinderboekenmuseum is drie jaar dicht geweest; vorige week ging het opnieuw open. We zijn er meteen al twee keer geweest, omdat de eerste keer het cruciale onderdeel van de tentoonstelling, de zogenaamde slurper, ontbrak. Deze week bleek de bestelling bij het museum aangekomen en wilden we het nog eens proberen.

Papiria ziet er erg mooi uit. Je komt binnen op de leesweide, waar holletjes vol boeken ingegraven zijn. Daartussen luidsprekers die je tegen je oor kunt houden, waardoor verhalen voorgelezen worden. 

Dat is meteen zo’n beetje het enige onderdeel waarvoor je geen slurper nodig hebt – de elektronische armband die je gang door het museum volgt.

Bij ons liet de communicatie wat te wensen over. Bij de balie kregen we een slurper in handen gedrukt met als enige opmerking dat deze nodig was voor de tentoonstelling. Wáárom je hem nodig hebt, of wat je ermee doet, was een raadsel. Ook na het introductiefilmpje was ons niet duidelijk wat nou de bedoeling was, behalve de vurige oproep: ‘Pak je slurper en versla Inkvraat!’ Zo doolden we wat door het museum, hier en daar proberend, tot we twee vriendelijke medewerksters tegen het lijf liepen die ons behulpzaam konden zijn.

Het achterliggende verhaal is als volgt: Papiria wordt geteisterd door Inktvraat, een vormeloos wezen dat niet van verhalen houdt en woorden opvreet (er zijn al hapjes genomen uit alle woorden die de wanden sieren). Bezoekers kunnen Inktvraat stoppen door zelf nieuwe verhalen, gedichten en illustraties te maken.

Met de slurper kies je welke woorden in jouw verhaal mogen voorkomen. Je houdt de armband bij een van de vele kinderboekencitaten, kiest een woord of zinsdeel dat je aanspreekt, hoort een slurpgeluidje en hebt zo een stukje verhaal verzameld.  

Er zit een maximum aan het aantal te slurpen woorden. Dat was ons eerst niet duidelijk, wij slorpten lukraak alles wat we tegenkwamen. Fout.    

De woorden die je opgeslagen hebt, worden aan het eind van de tentoonstelling namelijk op een vel papier geprint. Als je maar blijft slurpen, zie je door de hoeveelheid woorden het verhaal niet meer, dus je moet selecteren. 

Daarnaast zijn er extraatjes te ontvangen met het vervullen van opdrachten. Zo moet je in het Donderstenenravijn de juiste attributen bij bekende personages vinden: de katapult hoort bij Pietje Bell, de boot bij Sietse en Hielke van de Kameleon. 

In het gevoelige deel van Papiria, het Diepe Denkersdal, kun je een premie verdienen door gevoelens uit te beelden. Eén persoon laat, in een apart hoekje, voor de camera een emotie zien.

En de anderen zeggen welk plaatje erbij hoort.

Zo zijn er flink wat missies te voltooien. Overal lonken knopjes, schermpjes en luidsprekers om te activeren. Vooral de televisiefilmpjes waarin schrijvers en illustratoren vertellen over het ‘geheim van hun boek’ zijn erg mooi gemaakt: Peter Verhelst en Carll Cneut laten zien hoe Het geheim van de keel van de nachtegaal totstandkwam, Tos de kok (uit Otje) vertelt hoe bijzonder Annie Schmidt en Fiep Westendorp waren.

Door de prachige vormgeving en het bijzondere licht hangt er in Papiria een sprookjesachtige sfeer, die de kinderen een beetje deed denken aan Star Wars (het is maar wat je referentiekader is). En eerlijk is eerlijk, de stoelen uit het Denkersdal hebben inderdaad wat weg van die op waterplaneet Kamino

Uiteindelijk mag je alle informatie die op je slurper verzameld is, uitwerken in de knutselruimte – een optioneel eindstation van je bezoek. Met die opgeslagen steekwoorden en extra’s maak je dan een eigen verhaal, gedicht of illustratie.

Papiria is officieel voor kinderen vanaf zeven jaar. Dat klopt ook wel, want Cato (drieënhalf) kon twee dagen moeilijk slapen van de introductiefilm: ‘Ik moet ineens aan Inktvraat denken.’ Verder zijn er zes routes in het museum, waarvan één griezelige. Ik begrijp dat Paul van Loon ook een plaats in het museum moest krijgen, maar dat deel was niet aan mijn kinderen besteed. Gelukkig was er aan de linkerkant van de leesweide genoeg van onze gading.

Ja, de tentoonstelling is prachtig geworden. Ook al mis ik het oude museum, ik zie de schoonheid van het nieuwe echt wel in. De fantastische wandschilderingen van Sieb Posthuma, de aandacht die besteed is aan illustraties in kinderboeken, de mooie vondsten in beeld en geluid.

Maar het nadeel van zó veel beeld en geluid is dat er ook zo veel kapot kan gaan. Bij ons eerste bezoek ontbrak de slurper, bij ons tweede bezoek, een week later, deden zeker vier attracties het niet en waren de printers stuk, zodat er geen uittreksel uit onze slurper gedrukt kon worden en de kinderen geen souvenirpasje mee naar huis kregen.

Ik denk dat de opzet ook iets minder ingewikkeld had gehoeven. Én woorden verzamelen, én opdrachten vervullen, én verhaaltjes luisteren, én een vaste route lopen, én na afloop nog een verhaal schrijven is misschien een beetje veel. De meeste kinderen vinden het toch vooral leuk om rond te neuzen, zelf te ontdekken, hun favoriete thema of schrijver op te zoeken – zonder de onderdelen in een vast stramien af te werken.  

We komen er zeker nog eens, al was het alleen maar voor de Kikkertentoonstelling in maart. Maar ik denk dat het nog wel even duurt voordat ik mijn oude liefde kan verloochenen. 

In ’t Parool

18 november 2010

Als het weer niet te koud en te nat is *)
en vooral niet te warm en te droog,
als er NIET in de omtrek een kat is
en de sterretjes staan niet te hoog,
als de maan een klein beetje wil schijnen
en de waterkers bloeit in ’t plantsoen,
ja, dan komen de nozebedijnen
om ondeugende dingen te doen.

Er zijn tientallen nozebedijnen,
heel erg jong of verschrikkelijk oud;
er zijn lange en dikke en kleine,
maar ze zijn over ’t algemeen stout.
En er zijn er die heel zachtjes blaten,
en er zijn er die spelen viool,
en er zijn er die Achterhoeks praten
en er zijn er die lusten geen kool,
en sommige hebben een baardje
en sommige hebben een spriet
en sommige hebben een staartje
en sommige hebben dat niet.

Ik heb er donderdag eentje gevangen
en ik nam hem meteen mee naar school.
Hij beet meester Van Rijn in z’n wangen,
maar die zei dat mocht niet in ’t Parool.

 

Maar wat zag ik vandaag in ’t Parool? Drie nozebedijntjes.

Foto: Suzanne Blanchard

Klik op de foto om hem groot te zien

Drie schattige nozebedijntjes op bezoek in het Joods Historisch Museum. Ze waren daar muziek aan het maken, hun namen aan het schrijven in het Hebreeuws en versgebakken, zelfgevlochten broodjes aan het opsmikkelen.

De fotografe was blij dat ze er waren, want anders had ze rekwisieten uit de nabijgelegen ballenbak moeten plukken. ‘Het is toch leuker als kinderen uit vrije wil in het museum zijn’, zei ze. Er zijn namelijk niet zoveel kinderen die op een doordeweekse donderdag naar een van de gaafste musea van Nederland gaan. Daar komt nu natuurlijk verandering in door dit stukje in Het Parool. En wie weet kom je er nog eens een paar nozebedijnen tegen.

Foto: Suzanne Blanchard

*)   Het gedichtje is deels geciteerd uit ‘De nozebedijnen’ van Annie M.G. Schmidt, Ziezo, de 347 kinderversjes.

**)  Hier een eerder verslag over ons bezoek aan het Joods Historisch Museum.

Terug

Op de laatste vrijdag van het seizoen waren we in Archeon. Het blijft een prachtig park, net een dorpje waar je al wandelend een tijdreis van een paar millennia maakt.

En tijdreizen zijn heerlijk. Scharrelen in de lemen hutjes van jagers en verzamelaars, wandelen door stille Middeleeuwse kloostertuinen. We kregen een kopje muntthee in de prehistorische boerderij – in het pikkedonker op een dierenhuiden bankje natuurlijk, want de gebouwen zijn zo echt mogelijk gemaakt.

We wandelden negen eeuwen verder, de Late Middeleeuwen in, waar de kinderen kaarsjes maakten van bijenwasvellen.

Cato vond alle huisje even gezellig. Ze mocht overal binnenkijken, op bankjes zitten, in voorraadpotten snuffelen. Philip vond ieder tijdvak prachtig. De hunebedden in de Steentijd, de zwaarden en pijl en bogen in de Middeleeuwen. Bij de Middeleeuwse beenbewerker speelde hij nog een paar potjes bikkelen en probeerde hij de vuurslag uit. 

Jet zag ook van alle periodes de charme in. ‘Ik denk echt dat ik in de verkeerde tijd geboren ben’, zuchtte ze bij elke verklede mevrouw. Toen we het gladiatorengevecht bijwoonden in het Romeinse gedeelte, was ik het eigenlijk wel met Jet eens.

Dat kan je ineens hebben. Dat je beseft: misschien had ik het best naar mijn zin gehad bij die Romeinen.

Okee, het verschilt een beetje per keizer, maar zo onder Constantijn had ik het wel uitgehouden, geloof ik. Beetje chillen in zo’n badhuis ook. Dan maar geen koelkast en internet.

Na het spektakel in de arena wilden de kinderen graag een fibula maken, een Romeinse mantelspeld van koper. Het was een heel werkje, met tangen en hamers en vijlen, dus Cato had het alras gezien. Na twee minuten timmeren op het aambeeld (daar was het haar eigenlijk om te doen geweest) vroeg ze of we nog even samen in het badhuis konden kijken. Naar de mooie ligbedden en de gevulde waterbassins met fonteintjes uit de muur. 

Tot haar grote vreugde hing er ook een grote hoorn waar je op mocht blazen.

Die werd gebruikt als het legioen aanviel, dan liet de hoornblazer commandosignalen horen. Cato kon zo mee op veldtocht.

Ondertussen waren Philip en Jet nog steeds druk met hun mantelspelden. Jet werd inmiddels geholpen door Caesar, die we een halfuur daarvoor nog in de arena toegezwaaid hadden. Hij is heel aardig in het echt. Je begrijpt zo’n Brutus niet, hè.

Jet werd er gewoon verlegen van.

Je wordt ook niet elke dag geholpen door een grootmacht. Hoewel hij zelf natuurlijk zijn mensen heeft om fibulae voor hem te maken, wist Caesar toch precies hoe je de juiste krul moest draaien en het scherpe puntje aan de speld kon vijlen. Het werd prachtig.

Het is mooi als geschiedenisverhalen zo tot leven komen. Net als vorige keer scoort Archeon terecht weer hoog bij mijn eigen kleine museumbende.

—-

Handig

  • Hier het verslag van ons vorige bezoek aan Archeon.
  • Bij musea waar de museumjaarkaart niet geldig is, loont het echt de moeite om voor je bezoek even te googelen op ‘korting’ of ‘kortingsbon’ en de naam van het uitje. Deze keer had thuisonderwijsvriendin E. een puike scholenkorting bedongen voor onze thuisonderwijsgroep, maar als je zonder groep gaat, kun je op internet altijd ergens een goeie bon tevoorschijn toveren.
  • Op de site van Archeon is vooral de parkgids de moeite waard. Met veel informatie en grote foto’s uit het hele park. Hier staat ie.

Leidse school

24 oktober 2010

Jette heeft momenteel het soort stem waarmee ze moeiteloos wordt aangenomen bij het damesdispuut van Minerva. Dat komt door een verkoudheid, maar het is ook toepasselijk, want sinds twee maanden gaan Philip en Jet naar de universiteit. Eigenlijk mag het de naam nauwelijks hebben, twee keer per maand een uurtje les, maar het klinkt goed: jeugduniversiteit. En met die stem erbij is het helemaal echt als Jet ’s ochtends vraagt: ‘Hoe laat heb ik college?’

Er zijn veel steden die een kinderuniversiteit aanbieden; Philip en Jet gaan naar Leiden. Ze krijgen les van een universitair docent of professor over uiteenlopende onderwerpen, van vlinders tot hoofdpijn. De colleges worden gegeven in vijf Leidse musea, die ieder een eigen reeks aanbieden. Philip en Jet nemen deel in Museum Boerhaave en Naturalis.

Sommige onderwerpen bereiden we voor. Bij het college over hoofdpijn moesten ze vragen inleveren, en voor de lezing ‘Geheimen van Escher’ lazen we het boek Tovenaar op papier van Bruno Ernst, uit de mooie serie kinderkunst van Waanders. Na afloop van het college legde Philip me nog eens uit hoe het zat met het droste-effect.    

Ze hebben er nog een paar te gaan, en het leukste college tot nu toe vonden ze unaniem dat van dr. Tinde van Andel, over de wonderlijke eigenschappen van planten.

Philip en Jet hadden alles onthouden – de hele terugreis buitelden ze over elkaar heen met hun verslagen. Over het Indische bloemriet canna indica met zijn ‘weglopershagel’ bijvoorbeeld. Daarmee konden gevluchte slaven in Suriname een echt plantengeweer maken. De zaadjes van het bloemriet zijn namelijk zo hard en rond als kogeltjes; je kunt ze met een holle stengel en wat gestolen buskruit afschieten op barbaarse slavenhouders.

De kinderen waren ook gefascineerd door het bijgeloof dat mensen al eeuwen hechten aan eigenschappen van sommige planten. Neem het kruidje-roer-mij-niet. Dat vouwt zijn blaadjes dicht en verschrompelt als je het aanraakt. Dus wat deden bijgelovige vrouwen? Die gebruikten het voor hun overspelige mannen. Als het kruidje in het bed van de echtgenoot werd gelegd, zou er nog meer verschrompelen, zodat er weinig overspeligs overbleef. 

Of het Surinaamse verstopkruid, dat mensen het idee geeft dat zij onzichtbaar zijn. Vroeger populair bij slaven, omdat het hun de moed gaf weg te lopen. Tegenwoordig is het geliefd onder bolletjesslikkers, die denken minder snel gezien te worden door de douane.

Ik luister en verbaas me, bewonder en geniet mee van hun verhalen. Ik zou dolgraag ieder college zelf bijwonen, maar dat mag niet. De jeugduniversiteit kent een strikte leeftijdsgrens: alleen voor kinderen van 8 tot en met 12 jaar. Dus zit ik samen met andere ouders op de gang te wachten, lees een boek of maak een ommetje door het museum. En eigenlijk vind ik dat ook niet erg. Eigenlijk is het geweldig om na afloop bijgepraat te worden door enthousiaste kinderen over dingen waar ik nog niks van wist.

Fossielen van de Maasvlakte

14 september 2010

Heeft u het ook gezien, op het journaal? Die enorme hoeveelheid gruis op de binnenplaats van Naturalis, natuurhistorisch museum in Leiden?

Ik kan u vertellen: Philip en Jet hebben daar een cru-ci-a-le rol in gespeeld. Het was toeval dat we in het weekend in Naturalis waren, maar bij binnenkomst liepen we direct tegen een mevrouw met een intekenlijst op. Of Philip en Jet wilden meehelpen om de bodem van de Tweede Maasvlakte te onderzoeken. Nou ja, dan zijn ze de beroerdsten niet.

Halverwege de onderzoekstent kwam er bijna een kink in de kabel, want Philip had gedacht dat hij ook wel het een en ander aan fossielen mee naar huis mocht meenemen. Toen bleek dat dat ten strengste verboden was, wilde hij eigenlijk meteen rechtsomkeert maken. Het vooruitzicht van eeuwige roem stond niet in verhouding tot alle schatten die hij door zijn handen mocht laten gaan en dáár moest laten.

Uiteindelijk deed hij het toch. Ik zei het al, hij is de beroerdste niet. En wat hadden ze ook zonder hem gemoeten? De man is dingenzoeker vanaf zijn geboorte. Eerst met zijn ogen, maar vanaf het moment dat hij er fysiek toe in staat was, heeft hij alles opgeraapt wat mooi was. Nog steeds. Als hij met atletiek een duinloopje gedaan heeft, komt hij steevast thuis met zakken vol bijzondere stenen, schelpen, eindjes touw en aparte takjes. Dus ja, als die bijzondere haaientand erbij had gezeten, had hij hem zeker gevonden.

Maar er zat geen haaientand in hun bakje gruis. Wel veel vuursteen (‘Dat vind ik ook vaak op het strand’) en een paar kleine steentjes met fossiele afdrukken.

Jet vond het allemaal hartstikke leuk, de entourage, het diploma ‘junior-paleontoloog’, de gezelligheid. Ze sorteerde er lustig op los, maar wel op z’n Jets, zodat er menigmaal een ouwe oesterschelp in het bakje voor vuursteen verdween. Philip haalde ze er zuchtend weer uit. Het valt niet altijd mee om dingenzoeker te zijn.