Mangia, mangia!

21 juni 2011

Voor de goede orde: dat ik geen filmpje van vijftien minuten maak met uitsloverige beelden van een biodiesellaboratorium en mijzelf in seventiesjurken, wil niet zeggen dat er niks gebeurt in onze urban homestead.

Je kijkt eens naar links

en daar wuiven de doperwten, koolrabi’s, venkeltjes en slaplanten je tegemoet.

Je kijkt eens naar rechts

en struikelt bijna over de aardbeien, snijbonen, augurken, bietjes en kapucijners.

Ja nee, helemáál zelfvoorzienend zijn we nog niet met onze dertig vierkante meter. Maar dat is een kwestie van bescheidenheid. De meneer uit dat filmpje heeft er vijfentwintig jaar over gedaan om die luttele plantjes bij mekaar te krijgen – ik heb pas drie jaar geleden mijn eerste zaadje in de grond gestopt. Er is dan ook geen enkele reden om schamper te doen over onze opbrengst.

Het leek me een lucratief idee om Jet en Cato met al deze ambachtelijke groente de restaurants langs te sturen, zodat we de randstedelijke horeca van verse producten konden voorzien. Maar daar wilden de kinderen niks van weten.

Zij hadden er immers zoveel werk voor verzet.

Zij hadden de strijd tegen de elementen aangebonden. Tegen onkruid, kraaien en merels.

Potend, schoffelend en plukkend tot hun vingertjes er krom van stonden.

Werkdagen van vijftien, zestien uur, onderbroken slechts voor een korst brood en een slokje water.

In de brandende zon slepend met gieters water uit de sloot. Met als enige ontspanning een kortstondige blik op voorbijzwemmende ganzenkuikens.

In onbewaakte ogenblikken zich afreagerend, want met een grote broer als uitvinder kunnen er zomaar wapens getoverd worden. Bloemkoolzwaarden bijvoorbeeld, gesneden uit de dikke nerf van bloemkoolbladeren.   

Dus heb ik het restaurantidee maar laten varen. En hebben we zelf die bloemkolen opgegeten.

Afgewisseld met jonge courgettes in talloze variaties. De laatste tijd uitsluitend klein geplukt, vijftien centimeter zo’n beetje, meestal in plakjes gebakken en een half onsje gorgonzola er doorheen gesmolten.

Of sugar snaps met verse doperwten. Daar kun je tijdens de oogst al goed van eten, maar er is genoeg om een of twee keer per week een bijgerecht van te maken. Hoef je niks aan toe te voegen, geen zout of kruiden, alleen vijf minuten samen wokken in een lekkere olie.

En aardbeien toe. Als er slechts een paar rijp zijn, worden ze ter plaatse burgemeester gemaakt. Maar telkens wanneer er een pondje of meer geoogst kan worden, gaan ze mee naar huis. Maken we natuurlijk wel even een omweg langs de supermarkt voor een kokertje slagroom.  

Ik kan dus met gemak een filmpje maken van mijn agrarische stadshoeve en drie voorbeeldige kinderen in Laura Ingallskleding, waarbij ik u persoonlijk voorzie van filosofische oneliners. Maar ik doe het niet.

Terwijl ik bezig was aan een post over ons tuintje, kreeg ik deze binnen. Omdat half Nederland op Tweede Pinksterdag toch naar zijn navel zit te staren of rondloopt op de meubelboulevard, geef ik het filmpje door. Want inspiratie is een mooi ding.

‘Verandering begint bij jezelf’, zegt deze meneer. ‘De regering kan het niet voor je doen en de grote bedrijven zullen het niet doen. Dus moet je naar jezelf wijzen en vragen: ‘Wat kan ik doen?’

Voorwaar tegeltjeswijsheid en een open deur, maar zo nu en dan neem je net wat meer tijd om daar bij stil te staan. De achtergrond bij deze clip staat in het Nederlands op ‘Terug naar de basis’.

Hoehoe

24 mei 2011

Ik leef nog, hoor. Het zal u misschien verbazen, maar ik kan niet zeggen dat de vaart er lekker in zat qua bloggen, de afgelopen weken. In het -op de kop af- vierjarig bestaan van mijn digitale vingerafdruk is een dergelijke pauze niet eerder voorgekomen. En het was ook geen vooropgezet plan. Maar soms gebeuren die dingen.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat het léven niet doorgegaan is. Er waren de gewone, dagelijkse dingen. De routineklussen, het schrijven en rekenen.

Er is wat afgelezen.

En afgebakken. Want Philip en Jet hebben zich de laatste maanden op de keuken gestort. Jet wil vooral leren koken: risotto (ook al lust ze dat niet), salades (daar is ze dan weer dol op), chili’s, aardappeltjes, exotische groentegerechten als Indische sajoerboontjes, noem maar op.

Philip is meer van de pattiserie: koekjes, cakes, pannenkoeken, wentelteefjes. We hebben de afgelopen weken Topchef, de jonge professionals gevolgd, dus het jargon zit er lekker in. Om extra cachet te geven roepen John en ik af en toe: ‘Mooie compositie! Goed getampeerd!’ en natuurlijk aansporingen als ‘Ik mis een zuurtje! Of nee… toch een zoetje!’ waarop de kinderen dan braaf antwoorden met ‘Goed chef, bon chef.’

Niet alleen de kinderen hebben gebakken, ook ikzelf heb de fameuze limoentaart, scones en worteltjestaart een paar keer van stal mogen halen. Want er waren er twee jarig, hoera, hoera.

Jet werd negen. Naast een avondjurk en andere damescadeaus wilde ze graag naar de nagelstudio. Ik kan u zeggen: dat is een belevenis.

Zelf had ik nooit een nagelstudio van binnen gezien, maar Jet voelde zich er meteen thuis. Het was dan ook een mevrouw die negenjarige meisjes begreep. ‘Je wilt zeker French manicure?’ vroeg zij retorisch. Jet wist niet wat dat was, maar toen de mevrouw het parafraseerde als lichtroze-met-een-wit-randje, knikte Jet enthousiast. Zo worden leemtes in de opvoeding vanzelf gevuld.

Het resultaat was verbluffend. Nou is Jet al prachtig, maar met een frens mennekjoer en een bloemetje op je nagel ben je echt áf.

Hoewel het háár verjaarscadeau was, vond Jet het toch goed dat Cato ook mocht. En de styliste nam haar werk serieus: ook bij een vierjarige worden de nagelriemen losgeduwd en de nagels gevijld. Ik was blij dat er aan het eind van de behandeling meer dan alleen een pols overgebleven was. Als u goed kijkt, ziet u nog net Cato’s hand onder de polijstvijl verdwijnen.

Terwijl ik mijn eigen handen angstvallig in mijn zakken hield (zo’n moestuin is niet bevorderlijk voor damesnagels), werd Cato voorzien van piepkleine roze nageltjes met een nog piepkleiner wit randje.

En dan werd er nog iemand twaalf.

Hij had er lang over nagedacht, maar wist het nu zeker: hij ging sparen voor een Wii. Familieleden waren allang blij dat ze niet over twaalfjarigejongenscadeaus hoefden na te denken, dus er werd kwistig met enveloppen gestrooid en aan het einde van de dag had Philip zijn Wii bij elkaar. Aanvankelijk dacht hij aan een nieuwe, totdat hij op Marktplaats keek. Daar werden binnen een straal van vijf kilometer 37 Wii’s aangeboden, met accessoires en spellen, voor een vijfde van de nieuwprijs. Binnen twee dagen stond er een complete uitrusting met spellen, controllers en een balance board in huis. Thans beraadt hij zich op een nieuw spaardoel voor al het overgebleven verjaardagsgeld.

En dan waren er nog de uitjes. Sommige zal ik later apart posten, maar ik wil alvast melden dat we, naast de nagelstudio, nog een hiaat in de opvoeding hebben kunnen wegnemen. De kinderen zijn voor het eerst van hun leven naar een kermis geweest.

Het was voor mijzelf ook al pakweg vijfentwintig jaar geleden, een jubileum dat niet vaak gevierd wordt. Dat leek me nu eens tijd worden.

Philip bleek beresterk bij de Kop van jut (het blijft verleidelijk om de beginletters om te wisselen).

Natuurlijk gingen we met z’n vijven in het reuzenrad.

En geen kermis is compleet zonder lunapark. Met dansende bruggen, wiebeltrap en lopende band. Philip vond dit bijna de leukste attractie.

Maar het gaafst vonden ze de luchtbellen op het water.

En al die tijd is er natuurlijk ook de moestuin die aandacht nodig heeft.

De tuinbonen, doperwten, kapucijners, bietjes, sla, wortels, snijbiet (fantastisch, wat een heerlijke groente), de tomaten, aardbeien, komkommer, courgette, radijs, snijbonen en paksoi. Denkt u soms dat dat vanzelf groeit? Neen mijnheer, daar zit heel wat werk in. Als Petâh Timofeeff bij zijn weersvoorspellingen de boeren toespreekt die te lijden hebben onder de droogte, dan knik ik gelaten mee. I’ve been there. Maar de eerste oogst is binnen! En als het even meezit, is er nog een zomer van overvloed in het verschiet.

Ach, dat zou ik bijna nog vergeten!  Houd je duim en wijsvinger eens acht centimeter van elkaar. Of wacht, dat is makkelijker als je iets vertrouwds als ijkpunt neemt: acht centimeter is ongeveer de grootte van twee champagnekurken op elkaar.

Gelukt?

Houd dan nu je gespreide duim en wijsvinger voor je buik, zo’n zeven centimeter onder je navel.

Ben je er?

Ongeveer op die plaats is er iets aan het groeien in mijn buik. Helemaal vormeloos is het niet meer, maar het duurt nog even voordat het echt af is, zo tot half november. Toch kun je al zien dat het geen zeepaardje is, en ook geen kalfje of olifantje. Ik heb het al zien zwaaien.

Herinner je je nog dat ik bedlegerig was? Toen de moeheid langer dan drie weken aanhield, vermoedde ik dat het misschien ernstig was. Acute leukemie of zo. Maar toen ik ook misselijk werd, begon me iets te dagen.

Achteraf gezien waren er meer indicaties, hoor. Zoals die keer dat ik coûte que coûte om tien voor negen ’s avonds naar de supermarkt wilde om tomaten en karnemelkse gortepap te halen, omdat ik anders nooit zou kunnen slapen. Of die zaterdag toen ik drie uur lang op handen en knieën het tapijt schoonmaakte met een afwasborstel en aangelengde schoonmaakazijn, omdat ik me realiseerde dat dat al veel te lang niet gebeurd was. Dat zijn zo van die dingen, die heb ik anders niet gauw.

Kortom: we krijgen weer een baby!

Opdat wij niet vergeten

30 augustus 2010

Toen mijn looprondje gisteren veranderde in een hink-stap-sprongparcours met als extra hindernis het Ontwijken Van Neervallende Grote Takken dacht ik: hee, het is toch zomer?

Ja, ik wist het zeker; het was nog maar een paar weken geleden dat we kapucijners aten die aan onze eigen planten gegroeid waren.

Kilo’s hadden we ervan.

Dat weet Jet zich maar al te goed te herinneren. Zoals ze nu ook weet dat als je één keer zegt: ‘O leuk, mag ik dat doen?’, je dan als een soort Repelsteeltje wordt achtergelaten in een kamer vol blauwschokkers en er pas weer uit mag komen als je alles weggewerkt hebt.

Er zijn wel sprookjesfiguren die je willen helpen, op hun eigen manier.

Ik kon het me zo goed herinneren. Drie keer in de week kropsla en rucola. Radijsjes die we telkens oogstten. En worteltjes, Parijse en gewone.

Veel aten we ter plekke op, alleen afvegen aan je mouw of schoonwassen in de kruiwagen die we -bij gebrek aan een tuinslang- met water hadden gevuld om onze dorstige tuin mee te laven.

Omdat hink-stap-sprong niet mijn beste onderdeel is, probeerde ik er nog enige schwung in te brengen door als een hinde over het neergewaaide geboomte te springen. Hierbij gleed ik uit over de gevallen herfstbladeren en verloor mijn laatste restje waardigheid ten opzichte van passerende auto’s en fietsers.

Ik mijmerde over het plezier dat zo’n tuintje geeft. Zonder geregisseerde ‘leermomenten’ ontdekten we vanzelf hoe je piepjonge sla herkent tussen onkruid. We kwamen erachter dat aardappels veel ruimte innemen, maar vreselijk leuk zijn om in je tuin te zetten. Van een enkele pootaardappel hadden we vier kilo opbrengst. We hebben er nog drie staan, als ze inmiddels niet weggerot zijn in de watervloed.

Ik dacht aan de -verder heel normale- vrouw met de aangrenzende volkstuin die geen idee had hoe radijs groeit. Toen ze ons zaaibedje zag, zei ze: ‘Zijn dát radijsjes? Die groeien toch in trosjes aan een struik? In de winkel koop je ze ook aan zo’n bosje.’

Dat zal Cato niet overkomen. Zij heeft met haar drie jaar gezien hoe tuinbonen groeien, en paksoi. Uit ons dertig-vierkante-meter-assortiment weet ze precies wat ze wel en niet in haar mond kan stoppen. Pluksla, snijbiet en sugar snaps wel, bladeren van de tomatenplant niet. Ze graast tussen de paadjes en onthoudt dat je de meeste bloemen niet mag eten, maar sommige wel, zoals Oost-Indische kers.

Die is lekker, joh. Smaakt naar tuinkers.

Als ik mijn ogen sluit kan ik de warmte nog voelen. Hoor ik de merels zingen in de verder stille tuin, op een zaterdagmiddag als ik er in mijn eentje ben. 

Ik zie het kleed op het gras, de vriendin met wie ik praat, het restje wijn, een sigaret (ik rook een beetje op feesten en partijen). Ik zie de kinderen die elkaar achternazitten met waterpistolen en af en toe laten zien wat voor moois ze gevonden hebben.

Of even uitblazen van hun spel.

Terwijl het begon te regenen, vroeg ik me af of ik me misschien een jaar vergist had. Was het vorig jaar geweest, al die zon?

Nee, ik heb bewijs. De pitjes die ik in februari uit een cherrytomaat peuterde, hebben gezorgd voor twee kilo vuurrood nageslacht. We aten er vandaag weer van. En er hangt nog minstens zes keer zoveel te rijpen.

Mooie dingen raken weleens kwijt in de alledaagsheid. Dan moet ik mezelf in mijn nek grijpen en mijn neus door het bovenste laagje kroos naar het heldere water duwen. Daar zijn ze nog, de beelden, de geuren, de klanken. Dan vergeet ik niet meer dat het zomer was.

Ha, courgette!

2 augustus 2010

Wij pachters van een volkstuin, wij hebben een zesde zintuig. Nochtans bewerken wij geconcentreerd het land, maar zodra het tuinhek piepend opengaat, weten wij of er een vaste tuinder of een onregelmatige bezoeker binnenkomt.

In het eerste geval volstaat een hoofdknik, in het tweede geval zetten wij het op een lopen om de andere volkstuinders de loef af te steken. Wij hollen de gast tegemoet, onder iedere arm een courgette ter grootte van een prehistorische knots. Als wij de argeloze bezoeker genaderd zijn, vragen wij quasi-nonchalant: ‘Heb jij misschien nog interesse in courgette?’

Ach, het is zo’n dankbare plant. Zo heel anders dan de kapucijner, die vertroeteld wenst te worden, opgebonden, gewied rond de wortels. Nee, dan de courgette. Na een incubatietijd van drie weken vensterbank kun je hem gewoon aan zijn lot overlaten. Met een beetje mazzel hoef je alleen een zaadje in de grond te stoppen; zon en regen doen de rest.

Het is een moestuingroente die garant staat voor een weelderige bloei en oogst. Je ziet de eerste kleine courgette, 10 centimeter groot, en denkt: ik wacht nog even, nog éven, tot hij zo groot is als die bij de groenteman. Als je drie dagen later komt, ligt daar het formaat van een kinderarmpje. En wanneer je hem onverhoopt nog even laat zitten, heeft hij de omvang van het dijbeen van een volwassen man.

Machtig mooi natuurlijk, met twee courgetteplanten (eentje voor ’t verlies) kun je bijna dagelijks oogsten. Maar na een paar weken plukfeest merk je toch wat bedrukte gezichtjes bij de kinderen. Het is een heikel punt op de volkstuin. Mijn buurvrouw zei van de week: ‘De kleinkinderen houden er echt van, maar laatst begonnen ze te huilen toen we weer courgettesoep aten.’

Dus wat doet een mens in zo’n geval? Nadat hij alle passanten een groene knots in de maag gesplitst heeft (‘Nee? Weet u het zeker? Ook niet voor de buren?’) snijdt hij er een paar door de roerbak, de risotto, de pastasaus en de chili sin carne (fijngehakte courgette lijkt net gehakt). En dan liggen hem nog drie flinke jongens aan te kijken, iedere keer als hij de koelkast opendoet. In zo’n geval wisselt men recepten uit.

Zes keer courgette. De cake heb ik zelf nog niet geproefd, maar is wel uit de eerste hand; een tuinbuuf garandeerde me dat ie heerlijk is.

Ratatouille

Ik kende ratatouille uit de pan, maar sinds ik deze ovenvariant op de verjaardag van vriendin V. gegeten heb, maak ik hem alleen nog maar zo. De foto klopt niet helemaal, want ik snij courgette en aubergine in plakken in de lengte. Dit plaatje komt wel het dichtst in de buurt bij wat ik zocht – op de rest van de ratatouillefoto’s zag je een roodachtige massa met brokjes courgette en aubergine, zo ziet het er niet uit als het uit de oven komt.

Ingrediënten:

• courgette
• aubergine
• tomaat
• knoflook
• olijfolie
• twee handen basilicum

Snij courgette en aubergine in dunne plakken in de lengte (iets dikker dan met een kaasschaaf), tomaat in plakjes of kwarten.

Leg in een ovenschaal, olijfolie erover, knoflook fijngesneden. Met je handen omhusselen, zodat de olie overal goed zit. Basilicum scheuren en erover strooien.

20 minuten in de oven op 180 graden. Zowel warm, lauw als koud erg lekker.

———-

Courgettecarpaccio

Ingrediënten:

• courgette, liefst kleine van maximaal 15 cm. die zijn rauw het lekkerst
• olijfolie
• 3 tenen knoflook
• pijnboompitten
• parmezaanse kaas of grana padano

Courgettes in dunne plakken snijden, iets dikker dan met de kaasschaaf. Flink wat olijfolie in een platte schaal, knoflook uit de pers erbij. Courgetteplakken goed door olie-knoflook husselen en even laten staan.

Serveer de plakken op een bord, pitjes erover en parmezaanse kaas.

———-

Indiase courgette

Ons oudste courgetterecept. John haalde het een jaar of vijftien geleden uit een Indiaas kookboek of een themanummer van Allerhande, de bron kan ik niet meer precies achterhalen. Maar het was in ieder geval de eerste keer dat ik courgette lekker vond.

Ingrediënten:

• courgette in blokjes
• blikje tomatenpuree
• olijfolie
• fenegriek, kurkuma, komijn, koriander en gember (of kerrie, daar zitten al deze kruiden ook in, en een beetje meer)

Olijfolie in de pan, kruiden erbij en even laten simmeren totdat het de geur gaat afgeven.

Voeg de tomatenpuree toe, minuutje roeren en courgette erbij. Husselen totdat alle courgette bedekt is met tomaten-kruidenmengsel en paar minuten laten koken. Courgette is dan nog knapperig. Bijgerecht.

———-

Courgettesoep

Ingrediënten:

• 3 courgettes in blokjes (of zo’n grote)
• twee uien
• veel knoflook
• bouillonblokjes
• olijfolie

Uitje-knof fruiten in olie, courgetteblokjes erbij en even laten meesudderen.

Twee liter water toevoegen, aan de kook brengen en bouillonblokjes toevoegen. Zet het vuur laag en kook 20 minuten. Daarna de soep pureren met staafmixer of in de blender tot een glad geheel.

Verder is het aan te vullen met van alles en nog wat – ik gebruik het zelf soms als basis voor groentesoep. De versie van Aschwin lijkt me ook lekker.

———-

Salade van courgettelinten

Basissalade van courgette (met olie, citroensap, zout, peper, bieslook of gesnipperde rode ui, knoflook). Neem net als bij de carpaccio ’t liefst kleintjes, die zijn rauw het lekkerst. Aan te vullen met van alles en nog wat: tomaat, blauwe kaas, olijven, zalm, munt, rode peper.

———-

Courgettecake

Zoals ik al zei, ik heb hem zelf nog niet geprobeerd, maar hij werd me van harte aanbevolen. Ik zag dat er ook zoete varianten in omloop zijn met walnoten en suiker, maar deze is hartig, met kaas. Het recept heb ik overgenomen van deze site.

Ingrediënten:

• 1 grote courgette, grof geraspt
• 100 gram boter of margarine
• 5 eieren
• 300 gram zelfrijzend bakmeel
• 1/2 theelepel zout
• 200 gram geraspte boeren belegen kaas
• 100 gram pijnboompitten

Verwarm de oven voor op 250 graden.

Laat de boter zachtjes smelten zonder bruin te laten worden.

Klop eieren los, schenk de gesmolten boter erbij en klop nog ongeveer 5 minuten door.

Voeg bakmeel en zout toe en mix het geheel tot een gladde massa.

Schep de geraspte courgette, kaas en pijnboompitten door het beslag.

Giet het mengsel in een ingevette cakevorm en bak 10 minuten in de oven.

Draai de temperatuur terug tot 175 graden en bak de cake in een uur gaar.

Een andere versie staat hier. Daar heet het taart in plaats van cake, maar die lijkt me ook lekker, met oregano en marjoraan. Ziet er zo uit:

 

Tussentijdse evaluatie

19 juni 2010

Op de vijftiende dag van de derde maand in het tweede jaar van het gelukkige bezit van een volkstuintje, kon het tuinierende thuisonderwijzergezin een voorzichtige balans opmaken. 

Wij stellen vast

  • dat 30 vierkante meter inderdaad twee keer zoveel werk is als 15 vierkante meter
  • dat alle erwtengewassen prachtig bloeien en lekker ruiken
  • dat het echt bijzonder is om de erwtenbloesem te zien transformeren in een heuse peul, zoals de kapucijner

  • dat vier erwtenplanten echter te veel van goede is, zeker als het vier klimmende gewassen zijn, aangezien het buitengewoon veel werk is om de ranken telkens op te binden en te zorgen dat ze niet verstrikt raken in de netten – als je ze niet opbindt, waaien ze stuk, als je er geen net overheen doet, worden ze opgegeten door de ganzen
  • dat er volgend jaar dus gekozen gaat worden uit óf kapucijners, óf doperwten, óf sugar snaps, óf lathyrussen
  • dat het zonnebloemenhuis het goed lijkt te doen, getuige deze fundamenten 

  • dat naast kropsla, pluksla, radijsjes en snijbiet, ook paksoi en rucola succesvolle, gemakkelijke en snelle gewassen blijken te zijn – mits onder net, want ook ganzen houden van een gemakkelijke en snelle maaltijd
  • dat je niet perse een gieter hoeft te gebruiken om planten (en andere organismen) water te geven

  • dat het concept vierkantemetertuin leuk is, maar dat het ook een hoop werk is voor iets wat je gewoon in rijtjes kunt zaaien
  • dat het niet handig is om je briefje kwijt te raken waarop je gezet hebt welke plant je in welke tegel gezaaid hebt, omdat je dan niet meer weet wat onkruid is

  • dat het belangrijk is om twee keer per week naar je tuin te gaan om te wieden, zodat alle opzettelijk geplante dingen ook echt kunnen groeien 

  • dat je ook in volkstuinen moet uitkijken voor sluipschutters

omdat zij zich op de gekste plaatsen schuilhouden.

Flora

26 mei 2010

Zo’n tuintje boort sluimerende interesses aan. Als je bezig bent met iets dat daadwerkelijke inspanning vergt, ga je je dingen afvragen. Hoe eten planten eigenlijk? Ja, door hun wortels. Maar hoe dan? En waarom zegt iedereen dat bomen en planten belangrijk zijn voor het milieu? Hoe maken ze dan zuurstof?

Hups, aan de fotosynthese. En dan blijkt het lastig om daar iets over te vinden voor niet-volwassenen. Het enige jeugdboek in onze extensieve stadsbibliotheek dat ook maar iets over het effect van zonlicht op blaadjes beloofde, heette Planten voeden zich met zonlicht en nog veel meer over planten. De titel klonk veelbelovend, maar daarmee was eigenlijk ook alles gezegd. De enige zin in het boek die in de buurt kwam, was: ‘Planten maken voedsel van zonlicht met behulp van de groene kleur uit hun bladeren.’

Op goed geluk haalde ik Bio-Bits in huis, schooltelevisie voor de eerste klassen van het voortgezet onderwijs. In de reeks ‘Planten’ bleek botanie aantrekkelijk gemaakt voor leerlingen in de hormonaal piekende leeftijd. Jongen wil meisje versieren, vader van meisje heeft rozenkwekerij, jongen wil ‘alles over planten’ leren zodat hij indruk kan maken op meisje. En ja hoor, ook fotosynthese kwam langs. Uitgelegd in vet coole frasen uiteraard, zodat Philip en Jet en passant nog wat streetwiseheid meekregen.

Als tegenhanger hadden we David Attenborough, die met zijn deftigste Engels alles weer goedmaakte.

En zo rolden we van het een in het ander. Jet kwam in haar Kleine Huis-boeken planten tegen die ze uit onze minimoestuin kende. Als de familie Wilder in Het kleine huis op de heuvel (twaalfde boek van de serie, soort epiloog) naar de staat Missouri verhuist en daar allemaal nieuwe gewassen tegenkomt, mogen de kinderen in het boek niet zomaar alles eten waar ze in het bos tegen aanlopen. Om uit te vinden of iets eetbaar is, moeten ze het eerst aan de paarden voorhouden. Als die het lusten, is het goed en mogen de kinderen het ook eten.

We lazen natuurlijk weer in Ruik eens wat ik zeg. Over struiken die met elkaar praten via hun wortels, bloemen die de hulp van insecten inroepen of sos-signalen sturen naar soortgenoten. Over bomen en planten die zichzelf giftig maken als er te veel van hun bladeren gesnoept wordt: versgemaaid gras dat zo lekker ruikt voor ons, terwijl het eigenlijk naar planteneters roept: ‘Ik ben niet gezond voor je.’

Maar er gaat niks boven het echte werk.

Onze bloemkoolplanten zijn niet zo goed in communiceren, hebben we gemerkt. Niks geen sos-signalen, ze hebben zich gewoon kaal laten vreten door de ganzen.

Daarom hebben we ze een handje geholpen. Net als de paksoi en de rucola, die ook ondekt waren door de ganz locker rondwandelende vogels.

(Het idee voor de vogelverschrikker annex windorgel kwam uit het Tuinwerkboekje voor kinderen – zie hieronder.)

Maar de tuinbonen doen het goed, man. Nooit geweten dat tuinbonenbloesem zo heerlijk ruikt. Dat is vast bedoeld om mensenneuzen te behagen, zodat ze extra goed voor de planten zorgen. Hier, geniet er nog maar eens even van.


Handig