Kom mee naar de NOT

9 januari 2013

sjouwen

Niet vergeten, hoor! Over twee weken is het weer zover: de Nationale Onderwijstentoonstelling. De beurs voor iedereen die zich met opvoeding en onderwijs bezighoudt.

Net als grote sportevenementen vindt het slechts eenmaal per twee jaar plaats. Eigenlijk vult de NOT het gapende gat tussen het EK en het WK. In die donkere januarimaand, juist als u denkt dat het nooit meer licht wordt, is daar de NOT. Een Utrechtse jaarbeurs vol leesboeken, lesboeken, kinderboeken, spelletjes, cultuur, techniek, projectideeën, muzikale en creatieve standjes.

Het is raadzaam om een casinohouding aan te nemen en vooraf met jezelf af te spreken hoeveel je gaat uitgeven – want man, zodra je je eigen zwakheden een ogenblik met de mantel der educatieve liefde bedekt, ben je aan de wilde beesten overgeleverd. Wanneer men echter als een Zeeuws meisje de hal betreedt, één hand op de knip en de andere wijd open voor alle goodie bags, dan komt u in een eldorado van nieuwe producten en goeie ideeën terecht. Ook als u geen (thuis)onderwijs geeft.

Officieel heet de entree 15 euro te zijn, maar in de praktijk kan iedereen hier een gratis toegangskaart aanvragen; kies de derde optie: ‘Ik heb geen uitnodiging, maar ik wil toch registreren voor een gratis bezoek’. Als je eenmaal in het systeem zit, krijg je iedere twee jaar opnieuw een uitnodiging. Wel snel zijn nu, want de beurs is van 22 tot en met 26 januari en de toegangskaart wordt thuisgestuurd.

Ik ga nog even wat kniebuigingen doen en mijn zijwaartse duik oefenen – die stapel educatieve posters is zo goed als in de pocket.

—–

  • Meer informatie op de site van de NOT. Het is handig vooraf een lijstje te maken van producten en uitgeverijen die je graag wilt bezoeken, want de beurs is zo groot dat je erin kunt verdrinken. Voor je het weet dool je drie kostbare kwartieren door de hal met schoolmeubilair en presentielijstsystemen terwijl je eigenlijk bij de kinderboeken en wiskundespellen had willen kijken. Hier een deelnemerslijst met standnummers.

Nederland, o Nederland

4 oktober 2012

Als je maar één excuus nodig hebt om deze week een kinderboekenwinkel binnen te lopen, laat het dan dit boek zijn. Pagina na pagina versierd met strooigoed van molens, water, geschiedenis, kunst, kinderliedjes en zwarte pietjes.

Ik noem een Afsluitdijk.
Wie pruttelen daar linksonder in hun groen-rode bootje?
Wie willen rechtsboven te kaap’ren varen?
Wie zit daar op de vangrail?
En nog eentje: wie rennen er rechts door de berm?
(Als je het echt niet weet, kijk dan in het taartenboek van Thé Tjong-Khing.)

Of de verkeerschaos bij Schiphol. Een vrachtwagen met pindakaas, sleurhutten, een oliebol op een aanhangwagentje. Met het Cruquiusgemaal in het midden en de Max Havelaarkoffie linksonder heb je zomaar twee canonvensters te pakken; terwijl je met de groten praat over Saïdjah en Adinda, zoeken de kleintjes verder naar het gele ballonnetje dat ergens op de plaat moet zijn.

De stroopwafelkruimels rollen ervanaf, de garnalenschilletjes zitten nog tussen de band. En als je goed snuffelt, ruik je een brak IJsselmeerluchtje. Zo Hollands is Nederland. En daar hadden we een Française voor nodig. Zoals Charlotte Dematons zelf zei in Het Parool: ‘Elke keer heb ik gedacht: is dit iets wat in mijn oorspronkelijke land ook normaal is? Nee? Hopla, dan gaat het erin.’

Hopla, naar de winkel dus. Ter ere van de kinderboekenweek. Of alvast voor 5 december. Vanwege de tekstloze platen is het trouwens ook een prachtig cadeau voor overzeese vrienden of je Spaanse schoonfamilie.

Charlotte Dematons, Nederland
Isbn: 9789047704980
Hier de website van het boek.

Wakarimasu

14 augustus 2012

Het begon ermee dat John in de bibliotheek kwam. Daar was hij de laatst vijvenveertig jaar niet geweest, dus het was een uitje op zich. Wat iedereen weet die weleens in een bibliotheek komt, maar wat mijn duifje nog niet wist, is dat een bibliotheek eigenlijk een snoepwinkel is waar je gratis mag proeven. Een slechte bibliotheek zet prominent snaaigoed neer dat makkelijk wegglijdt en door iedereen snel meegegrist wordt, maar een goede bibliotheek heeft snoep uitgestald dat je zelf niet een, twee, drie zou pakken. Lekkerigheidjes die nieuwsgierig maken. Ze bevatten net wat andere ingrediënten, kunnen je plotseling verrassen of herinneringen losmaken.

Zo ging John alleen om wat boeken terug te brengen en kwam hij thuis met een stapeltje verrassingen, waaronder deze.

Hij koesterde warme herinneringen aan de tv-serie. Ik was te jong toen Shogun werd uitgezonden en het leek me nu allemaal wel erg gedateerd. Maar: immer bereits iets nieuws te proberen.

Het gegeven is sowieso leuk: het eerste Nederlandse galjoen dat Japan bereikte. In 1598 vertrok een Nederlandse vloot van vijf schepen (Hoop, Geloof, Liefde, Trouw en Blijde Boodschap) naar de Straat van Magellaan. Eigenlijk heette een van de boten Erasmus, maar omdat het beter bij de rest paste, werd hij wedergedoopt tot Liefde. Het was het enige schip dat de reis volbracht; in 1600 bereikte het Japan.

De Liefde had een Engelse stuurman, William Adams (de VOC had vaker Engelse bemanningsleden in dienst), die zich na de eerste cultuurschok zo thuisvoelde in Japan, dat hij er nooit meer wegging. Hij werd een volwaardig lid van de samenleving en vertrouweling van de opperbevelhebber, de shogun. Dankzij Adams’ bemiddeling konden de Nederlanders vanaf 1609 handel drijven met Japan.

Niet alles in de serie en het boek klopt met de geschiedenis, maar wel veel. In Shogun heet de Liefde nog Erasmus en is de naam van Adams veranderd in Blackthorn. Meer hoef je eigenlijk niet te weten. De gedateerdheid valt verrassend mee; alleen de schipbreuk in het zwembad op de filmset geeft weg dat de serie 32 jaar oud is. Wat ik zelf gaaf vind, is dat alle Japanse acteurs onvertaald zijn gebleven. Je begrijpt dus net zoveel als de westerse stuurman.

Zo sloop Japan langzaam ons huis binnen. Jet verscheen eens in kimono aan de ontbijttafel.

De wakarimasu’s en anjin-sans vielen steeds vaker. Anjin is Japans voor ‘stuurman’ en wakarimasu betekent ‘ik begrijp het’  – twee uitdrukkingen waar rijkelijk mee gestrooid wordt in de film.

Er moest met stokjes gegeten worden natuurlijk; en Cato en Jet vonden een Japanse theeceremonie noodzakelijk om zich echt goed te kunnen inleven. Dus togen we naar een uitgelezen plek voor drinkkommetjes:  de kringloopwinkel. Alle soorten en maten, bijna Japanser dan in Japan zelf, met de mooiste tekeningen en gouden randjes, zo uit oma’s vitrinekast. Als je daar groene thee uit drinkt, smaakt het veel lekkerder. Let vooral op de blauwe nagellak. Heel Aziatisch. Die keizerinnen hadden allemaal bijzondere nagels.

Victoria bekwaamde zich ondertussen in het laat-middeleeuwse balletje-balletjespel zoals dat gedurende de Edoperiode gespeeld werd in de voorhoven van de tempels in het amitabha-boeddhistische Kamakura. Daar gaan we veel geld mee verdienen.

Er staat alleen nog een bezoek aan het Sieboldhuis op de agenda. Shogun hebben we aangeschaft, de serie is zo mooi en fascinerend dat we hem zeker nog eens zullen kijken.

Ik zeg: domo arigato en sayonara. Maar niet voordat ik afsluit met een van de haiku’s die Jet gemaakt heeft tijdens het project.

Bloemen zijn speciaal
in een vaas of een plantsoen
zolang ze het doen.


  • De dvd-box Shogun is te koop met EAN-code 8714865559437.
  • Het Sieboldhuis doet ook mee aan de museumjeugduniversiteit die in september weer door het hele land van start gaat.
  • Meer ideeën voor een Japanprojectje in de post ‘Verrassingsmap’ (origami, Japanse beeldende kunst).
  • Het boek Learning from Shogun, Japanese History and Western Fantasy geeft een opsomming van feiten en fictie in Shogun. Hier als gratis pdf.
  • Voor de winderige novemberavond als het bamzaaien is gaan vervelen: twaalf triviantvragen over Shogun.
  • Boeken die we erbij gelezen hebben:
    • Claus Stamm, Drie sterke vrouwen,  een verhaal uit Japan. Mooi volksverhaal waar Cato geen genoeg van kon krijgen.
    • Peter Dennis, Aardbeving, vanaf ca. 3000 voor Chr. tot heden uit de serie: Reis door de tijd. Goede serie, goed boek.
    • Annelore Parot, Kimono en Yumi. Snoezige prentenboekjes over een kokeshi, een traditioneel Japans popje.
    • Mary Pope Osborn, Night of the ninjas. Philip en Jet hebben hem bij wijze van uitdaging in het Engels gelezen, maar er is ook een Nederlandse vertaling: In het land van de zwarte krijgers. De hele serie The Magic Tree House van Pope Osborne is trouwens mooi om Engels mee te leren lezen.
    • Arend van Dam, Mart en de Liefde. Verrassend goed verhaal waarin vroeger en nu samenkomen. Het andere boekje van Arend van Dam, De hofreis, en meer in het genre: Achter de rode zon (Mariska Hammerstein), Thijs en de geheime VOC-kaart (Lizette de Koning) waren drie keer niks: slecht verhaal, slecht geschreven of AVI-nulniveau.

Philip en Jet hebben pas een programma afgerond over erfelijkheid. Niet uit een biologieboek, maar je reinste CSI.

Wie is de dader? is een biologieproject van Schooltv voor de eerste klassen van het voortgezet onderwijs. De zaak is als volgt. Er is een moord gepleegd in het Allard Piersonmuseum en misdaadverslaggever John van den Heuvel zal de zaak onderzoeken. Jij hebt de schone taak hem daarbij te helpen.

Het project bestaat uit drie tv-afleveringen en een online spel. Op het plaats delict verzamel je sporen die je in een virtueel laboratorium verder onderzoekt. Gaandeweg leer je steeds een beetje meer over erfelijkheid, chromosomen, DNA, cellen (verschillen tussen planten- en menselijke cel) en vingerafdrukken. Vervolgens moet je een schuldige aanwijzen en deze voor de rechter brengen. Onwijs leuk gedaan.

Philip en Jet hebben uiteindelijk de juiste dader gevonden, hoewel ze één aanwijzing verkeerd geïnterpreteerd hadden. Let erop dat je alle dossiers en filmpjes in het spel bekijkt; ze bevatten meer informatie dan in de tv-uitzendingen gegeven wordt.

Als historische curiositeit geef ik nog de Lombrosotest mee: kun je een misdadiger op zijn uiterlijk herkennen? Cesare Lombroso, de negentiende-eeuwse Italiaan naar wie de methode vernoemd is, dacht van wel. Hij was gevangenisarts en criminoloog en ervan overtuigd dat een criminele inborst erfelijk bepaald is. Zo vond hij dat je aan het uiterlijk van mensen kunt zien of zij misdadig geboren zijn. Diepliggende ogen, brede kaken, vlezige lippen, afwijkende oren – het zijn allemaal aanknopingspunten.

Nou heb ik aan een half woord genoeg, dus ik zeg: heterdaadje.

En dan heb ik de tronie van Hans van Breukelen nog het voordeel van de twijfel gegeven.

Je kunt hier een Lombrosotest over schrijvers doen. Bepaal zelf: is het een schrijver of is het een crimineel?

Keyser Söze?

Schooltv-programma Wie is de dader?

Riooljournalistiek

31 januari 2012

Het is niet het eerste uitje waar je aan denkt, lekker wandelen langs een plas rioolwater. Toch wilde ik altijd al eens de waterzuivering zien. En dan gaan de kinderen mee. Collega E. had de organisatie op zich genomen, in de verwachting dat zich 25 thuisonderwijzers zouden inschrijven op deze excursie. Het bleken er 81 te worden, zodat we bij aankomst in twee groepen verdeeld werden – een beetje het formaat van een vooroorlogse schoolklas.

Onze reisleider heette Flip. En Flip begon met een korte lezing over de geschiedenis van poep. Wist u dat de zogenaamde ‘wisselton’ tot vijftig jaar geleden nog in zwang was in sommige delen van Nederland?

Vóór de komst van het gesloten riool werden de poepemmers huis aan huis opgehaald door een soort omgekeerde melkboer. De beerwagen werd ook wel ‘lijn 4711’ genoemd, naar de eau de cologne.

Dat is nu gelukkig anders. Maar het afvalwater moet natuurlijk wel schoongemaakt worden. En dat gebeurt onder meer hier, bij de Zaanse rioolwaterzuivering. Flip vroeg aan Philip of hij wist hoeveel werknemers er nodig zijn om het water van honderdduizend mensen te reinigen. Daarop gaf mijn zoon het onsterfelijke antwoord: ‘Driehonderdduizend?’ Het bleken er twee te zijn. Verder verloopt het proces automatisch.

(Op de terugweg vroeg ik Philip hoe hij bij dat exorbitante aantal was gekomen. ‘Nou’, zei hij, ‘ik dacht dat er drie keer zoveel mensen nodig waren. We verbruiken veel water.’ Later bedacht hij dat het wel erg veel was. ‘Dat zou betekenen dat er voor heel Nederland 48 miljoen mensen bezig zijn om het water te zuiveren. Een beetje de grootte van Duitsland.’ Hij moest er zelf om lachen. ‘Hoeveel mensen zouden er dan nodig zijn voor het rioolwater van China?’)

De excursie zette zich buiten voort, te beginnen bij de harkruimte.

Hier komt het grofste vuil binnen; alles wat van straat in putten zakt en door mensen weggespoeld wordt. Takjes en blaadjes, wc-papier, maandverband, kunstgebitten, schildpadjes (schildpadjes? ja, schildpadjes), condooms, dode goudvissen.

Als dat eruit gezeefd is, stroomt het water naar de (wordfeudters opgelet:) voorbezinktank. Daar zakken de zwaarste deeltjes naar de bodem en wordt het drijvende vuil eraf geschraapt.

Het gas dat hierbij vrijkomt, wordt opgevangen en gebruikt als eigen energievoorziening. Flip lardeerde zijn verhaal over de brandbaarheid van het gas met een anecdote uit eigen doos: iets met puberjongens, uiensoep, scheten en een aansteker. Ik gok dat u er zelf een youtubefilmpje bij kunt vinden.

Daarna gaat het water naar de beluchtingsbak waar, u raadt het al, lucht aan het water toegevoegd wordt. Zuurstof om hapgrage bacteriën levend te houden die het water een laatste schoonmaakbeurt geven.

De lucht stroomt door verwarmde buizen, want daar houden bacteriën van. En kleine meisjes met koude handjes ook.

Als het aantal bacteriën maar groot genoeg is, dan heb je geen microscoop nodig om ze te zien. Dan zien ze er zo uit:

Als slib. En zodra dat bezonken is, wordt het gedroogd en verwerkt tot biobrandstof. Wat je dan overhoudt, is 95% schoon water. Omdat er altijd nog een beetje residu van uitgeplaste medicijnen en schoonmaakmiddelen inzit, is het niet goed genoeg om te drinken. Hoewel ze er in sommige landen ongetwijfeld een moord voor zouden doen.

—-

Handig:

Muizenhuis

19 oktober 2011

Voor Cato was het geen probleem om een boek uit te zoeken ter ere van de Kinderboekenweek. Er waren wel zeven boeken die ze wilde hebben. En als ze nog even doorzocht, hadden het er ook negen kunnen zijn. Terwijl ik samen met haar de planken en tafels doorzocht, groeide de stapel in mijn armen. Van een nieuwe bewerking van Don Quichote via diverse sprookjes tot een knopjesgeluidenboek van Thomas de trein, Cato is niet kieskeurig.

De winkel had ook een voorleesmeneer die alles uit de kast trok om de nieuwste boeken te pluggen. Telkens als Cato even halt hield bij een boekenplank, zeeg hij naast haar neer op de grond en begon op luider stemme een dialoog voor te dragen, terwijl hij het prentenboek omhoog hield. Daarmee won hij onmiddellijk Cato’s hart en kreeg ik het betreffende boek erbij in handen gedrukt: ‘Deze ook, mam.’

Toen we uit alle boeken een stukje gelezen hadden en ze van mij echt, echt moest kiezen, werd het Het muizenhuis van Karina Schaapman. Inderdaad een schattig boek om te zien. Prachtige, grote platen, nostalgische taferelen.

Nou heb ik een zwak voor Karina Schaapman, alleen al vanwege haar moed en levensloop. Iemand die naar eigen zeggen nauwelijks kan spellen en toch pamfletten schrijft tegen vrouwenhandel en prostitutie. Dat vind ik stoer, dat vind ik mooi. En ze kan ook nog knutselen. Alle foto’s in Het muizenhuis zijn gemaakt in het huis dat Schaapman zelf voor de muizen gemaakt heeft. Een drie meter hoog paleis van kartonnen dozen met trappetjes, huisraadjes en honderd kamertjes.

De details zijn betoverend, je blijft kijken. En daar moet het boek het ook van hebben. Eigenlijk hadden ze het beter tekstloos kunnen maken, want eerlijk gezegd vind ik de verhaaltjes een stuk minder goed. De ideeën zijn zo leuk: een schatkistje, een voddenboer waar de muizenkinderen altijd mogen helpen, een lantaarn die spannend licht geeft zodat zij denken dat hun eigen schaduw een indringer is. Je kunt er prachtige verhalen mee maken. Maar het is gewoon slecht geschreven.

‘Super’ en ‘reuze’ komen te pas en te onpas in kapitalen voorbij, op het irritante af. De titels beloven veel, maar de avonturen zijn geen avonturen. Ook niet op kleuterniveau, zoals bij Jip en Janneke en Floddertje wel het geval is. Vaak onbreekt er een clou en soms gewoon een heel einde. Bij wijze van diepgang wordt het verschil tussen de bevriende muisjes weergegeven als ‘alles wat Sam te veel heeft, heeft Julia te weinig en andersom’. En vervolgens blijkt dat nergens uit.

De beste graadmeter, Cato zelf, is ook onverbiddellijk. Hoewel ze het boek hoogst persoonlijk gekozen heeft, bleek ze thuis nauwelijks drie verhaaltjes uit te kunnen zitten. Paulus de boskabouter met zijn deftige woorden en Rintje van Sieb Postuma kunnen haar nooit lang genoeg duren, maar bij Het muizenhuis hing ze ondersteboven achterstevoren te zuchten en ging demonstratief koprollen maken om de tijd te doden.

Ik had in de boekhandel wel een vermoeden na het lezen van twee verhaaltjes, maar de platen zijn zo prachtig, dat ik me kon voorstellen dat Cato er vaker dan drie keer in zou kijken. En dat is ook zo. Zij en Jet gebruiken het voornamelijk als kijkboek, waarin ze van alles herkennen uit hun eigen leven. De muizen gaan niet naar school, hebben geheime hutten en kopen koekkruimels zoals zij zelf ook weleens op de markt mogen kopen. Er komen babymuisjes en waterpokken. Het werkt heel inspirerend.

Ze zijn al dagen met fimoklei in de weer om taarten en koek te maken. Ze hebben een winkelvoorraad geboetseerd met zeep, kaas en stokbroden. Jet heeft nu het plan opgevat om servies te kleien: muizenborden en -bekers, mooie schalen om de kleizoetigheden op te serveren.

Muisjes waren er al. Toen Jet een jaar of vier was, had ze een favoriet prenteboek: Annie Rose, het kleine zusje van Alfie van Shirley Hughes. Er was één bladzijde waar Jet geen genoeg van kon krijgen. Dat was de plaat waarop Annie Rose aan het spelen is met een klein ladenkastje en een muizenfamilie die erin mag wonen.

Dat leek Jet zo prachtig. Ze wilde niets liever dan ook een ladenkastje met muisjes. In een opwelling van ongekende creativiteit heb ik toen voor haar verjaardag zelf een muizenfamilie gemaakt, van wolvilt. En na lang zoeken vond ik zelfs een kastje met laatjes als behuizing.

Het is geen huis met honderd kamers zoals Karina Schaapman gemaakt heeft, maar Jet en Cato zijn er blij mee. Ze zijn zelfs bezig met gezinsuitbreiding: Jet naait babymuizen en Cato maakt een muis met waterpokken. De foto’s in het boek gebruiken ze als inspiratie, want die blijven beeldschoon. En de verhalen verzinnen ze zelf.

Waterwerken

16 maart 2011

Zoals het trouwe onderdanen van onze toekomstige vorst betaamt, hebben wij ons beziggehouden met watermanagement. Na de zeebeving in Japan is het gruwelijk actueel, maar we waren met dit project bezig voordat de grond onder de Grote Oceaan begon te beven.

We gingen naar Hoek van Holland, sinds jaren een favoriete plek van mijn kinderen. Deze keer hebben we er voor het eerst een workshop gevolgd, bij de stormvloedkering.

De meeste musea bieden schoollessen aan en als thuisonderwijsgroep kun je zo’n les ook reserveren. Dat is een prachtige manier om meer te weten te komen over een onderwerp. De mensen die deze lessen geven zijn vaak erg deskundig en enthousiast en omdat je ter plaatse bent, spreekt het onderwerp meer dan wanneer je er een boek over leest of een filmpje van bekijkt.

Op een filmpje zie je namelijk niet hoe reusachtig groot zo’n deltawerk is. In één poot zit evenveel staal als in twee Eifeltorens. Ze lijken er ook een beetje op.  

En als je zelf de Rijn bij Lobith ons land laat binnenstromen, maakt dat meer indruk dan wanneer je het op een plattegrond ziet.

Plattegronden waren er trouwens wel, hoor. Maar bijzondere. Reliëfkaarten die lieten zien wat er gebeurt als de sneeuw in de Alpen smelt en met de rivieren mee naar Nederland komt. Als het dan ook nog eens vaker gaat regenen én de poolkappen smelten, dan zie je met eigen ogen hoe sommige delen van het land vol water lopen.

De les was bedoeld voor kinderen vanaf 10 jaar, dus we hadden ons voorgenomen zelf de kleintjes te vermaken. Maar de onderwijsmevrouw vond het geen enkel probleem om de jongste kinderen er ook de hele workshop bij te hebben: ‘Dan pas ik het gewoon een beetje aan.’ Dat deed ze geweldig.

Zo kregen we met z’n allen les. Eerst een klein hoorcollege. 

Daarna een practicum.

De kinderen ontvingen een lijst postcodes om in te vullen in het Actueel Hoogtebestand. Konden ze zien wat de hoogteverschillen in Nederland zijn. Woon je zelf onder of boven NAP? En de inwoners van Maastricht? Zouden opa en oma droge voeten houden zonder dijken? En tante Bep in Warnsveld? 

Vervolgens trok de juf met ons het Keringhuis in om het aanschouwelijker te maken. Iedereen kreeg een lijst met quizvragen die tijdens de rondleiding ingevuld kon worden. 

Wist je dat er in Nederland zo’n 17.000 kilometer aan dijk ligt? Dat is verder dan van hier naar Australië. Een gezin uit onze groep komt daar vandaan, die weten hoe ver dat vliegen is. En wist je dat de stormvloedkering er tweeënhalf uur over doet om helemaal te sluiten? Nadat de enorme armen tegen elkaar geschoven zijn, laten ze ze heel langzaam zakken, zodat alle slib eronder weggespoeld wordt door de druk van het water.

Ik heb de serie al eens eerder genoemd bij onze tijdreis door de Beemster, maar Rondje Nederland sluit hier goed bij aan. We hebben met veel plezier alle zes delen gevolgd over de variëteit in het Nederlands landschap. Deze aflevering over de Deltawerken was bij uitstek geschikt voor onze waterworkshop.  

Een van de moeders had Tinka’s toverreis mee, een relatief onbekend prentenboek over de Nederlandse watergeschiedenis en -toekomst. Het is geen parel van schone letteren, maar de uitgave is mooi verzorgd met kleurige, duidelijke tekeningen en het verhaal is leuk. Bovendien is het het enige boek dat ik ken dat zowel de Deltawerken als het Cruquiusgemaal in verhaalvorm verwerkt heeft. De armen van de stormvloedkering worden vergeleken met vleugels van een beschermengel – da’s mooi toch?

Om nog eens te zien waar die Deltawerken voor nodig zijn, hier een paar filmpjes over de Watersnoodramp van 1953. Polygoonjournaals en buitenlandse ontwikkelingshulp voor Nederland.

Na afloop van de waterklas bleek de lente te zijn doorgebroken. Jassen op het gras, uitrazende kinderen, boterhammen uit de tas. Zo konden we geheel in stijl lunchen. Op een dijk, de blik gericht op de Maeslantkering, de Nieuwe Waterweg en de enorme schepen die, sinds jaar en dag, naar verre, vreemde oorden voeren.