Dankjewel!

4 oktober 2013

Alsjeblieft, een bloemetje voor jullie. Een veld vol IJslandse lupines als dank omdat jullie in één dag tijd al zo groots hebben gedeeld, geschreven en getekend. En dat voor zo’n piepklein onderwerpje.

De lupines heb ik gepikt van mevrouw Rumphius, het is tenslotte Kinderboekenweek.

In the evening Alice sat on her grandfather’s knee and listened to his stories of faraway places. When he had finished, Alice would say, “When I grow up, I too will go to faraway places, and when I grow old, I too will live beside the sea.”

That is all very well, little Alice,” said her grandfather, “but there is a third thing you must do.”

“What is that?” asked Alice.

“You must do something to make the world more beautiful,” said her grandfather.

“All right,” said Alice. But she did not know what that could be.

Uit: Miss Rumphius van Barbara Cooney

Helaas niet vertaald in het Nederlands, maar niet ingewikkeld en erg mooi.

Arend doet het weer

30 april 2013

Mijn 85-jarige buurman kwam graag op de koffie. Of hij wipte aan rond etenstijd, riep omstandig dat hij zéker niet zou mee-eten (hij had niet eens honger), liet ons vijf keer aandringen, vroeg wat we dan precies aten, nou vooruit, een klein bordje dan, en bunkerde vervolgens een hele maaltijd weg plus twee toetjes.

We waren dol op hem en hij op ons. Hij hield monologen over zijn leven als scheepskok en de oorlogsdagen in Putten en gaf uitgebreide ooggetuigenverslagen van documentaires die hij op National Geographic gezien had. Hij onderwees graag. Dan is een thuisonderwijsgezin op loopafstand een goudmijn. Daar kun je alles aan kwijt. Scheepsknopen, het enige juiste recept voor biscuitdeeg, citaten uit Mijnheer Prikkebeen, de geur van Indonesië, politiek in het algemeen en geschiedenis in het bijzonder. Als bewijs van een deugdelijke lagereschooltijd dreunde hij deze vaak op:

Dikkie Dikkie Arnout,
Dikkie Dikkie Flo,
Dikkie Flo,
Dikkie Flo,
Dikkie Ada Wimpie Flo,
Wimpie Flo, Jan.

U had ze al herkend, de graven van Holland op chronologische volgorde – van Dirk I in 896 via alle Willems en Florissen tot Jan I in 1299. Nu de buurman sinds een halfjaar vertroeteld wordt in het verzorgingshuis, is er een gat gevallen in onze geschiedenislessen – helemaal met de nakende troonswisseling. En wie kan dat gat opvullen, denkt u? Precies. Arend van Dam.

Hij was al leraar aardrijkskunde en (kunst)geschiedenis van de huidige generatie opgroeiende kinderen, nu is hij ook meester in de Oranjedynastie. In tien verhalen vertelt Van Dam over de prinsen, prinsessen, koninginnen en de twee koningen van het Huis Van Oranje.

Net als Van Dams vorige boeken heeft Leve de koning! herkenbare perspectieven. Je kunt je verplaatsen in de vorstenkinderen, hun nukken en speelsheid en de balans tussen gewoon zijn en het comfortabele, bevoorrechte paleisleven.

  

Ik vind het lastig om een leeftijdsindicatie te geven. Stilistisch is het voor jongere kinderen -Van Dam schrijft geen belletrie- maar het onderwerp zal vooral vanaf een jaar of negen aanspreken. Bovendien gaat het diep genoeg om ook volwassenen te boeien. Troonswisselingen, anekdotes van historische waarde en niet te vergeten de handige stamboom, het zijn dingen die ik op school niet geleerd heb. Ik ga me nog beraden op een toepasselijke ezelsbrug voor mijn kinderen, maar zelf ben ik alvast erg blij met mijn eigen ‘Dikkie, Dikkie, Arnout’ in kinderboekenformaat.

  • Leve de koning! van Arend van Dam en Georgien Overwater, isbn 9789000313884.
  • Twee recensies over andere boeken van Arend van Dam staan hier en hier.

Charlotte doet het weer

25 april 2013

Net als je denkt dat je alles in Nederland gezien hebt, nog voordat je ‘Bis, bis!’ hebt kunnen roepen, komt Charlotte Dematons met een toegift.

In Duizend dingen over Nederland staat alles wat ze nog heeft willen zeggen: haar beweegredenen, haar verwondering, de geheimpjes die ze in de tekeningen verstopt heeft. Het is alsof ze bij je op de bank komt zitten, je eerst rustig de gelegenheid geeft om op de bladzijden te turen en daarna zegt: ‘Heb je dit al gezien?’

Klik op het plaatje voor een stukje uit het boek (pdf)

Naast Charlottes eigen stem – afgedrukt in blauwe letters – hoor je bij elk onderwerp ook een uitleg, geschiedenisverhaal of weetje. De kinderliedjes zijn integraal opgenomen, de vijftig geschiedenisvensters hebben elk een eigen kolom en alle getekende personen, kinderboekenfiguren, voorwerpen, festiviteiten en gebeurtenissen worden toegelicht door Jesse Goossens.

Die toelichting had wat mij betreft wat levendiger en ontspannener gemogen. Er is niets verkeerds aan, de tekst is duidelijk, maar het klinkt zo stroef naast de keuvelende, sympathieke toon van Dematons. Waar Charlotte onze vaderlandse opruimdrift typeert met ‘overal staan vuilnisbakken’, gaat het in de uitleg over het ‘Landelijk afvalbeheerplan’ en waar in blauwe Dematonsletters over de Rotterdamse haven staat dat er ‘een soort hefapparaat met een magneet’ gebruikt wordt, vertelt de toelichting dat Rotterdam ‘een directe verbinding [verschafte]  met de mijn- en industriegebieden in het Ruhrgebied in Duitsland’. Kortom, met de informatie is niks mis, maar het leest meer als een lemma in de Winkler Prins dan als een mooie vertelling.

En toch moet je het natuurlijk lezen. Het is een fantastisch snuffelboek bomvol dingen die je nog niet wist en die je voor altijd zult onthouden als je ze samen met de platen van Dematons tot je neemt. Als de toelichting niet lekker voorleest, dan lees je het toch gewoon eerst zelf? Kun je het daarna in eigen geuren en kleuren aan je kinderen doorvertellen. En als je geen kinderen hebt, word je in iedere geval familiekampioen triviant nadat je Duizend dingen gelezen hebt.

Goed nieuws voor de buitenlandse vrienden en aanhang: er komt ook een Engelstalige uitgave. A Thousand Things About Holland verschijnt in mei, je kunt de website hier in de gaten houden.

—-

  • Duizend dingen over Nederland hoort bij het woordloze prentenboek dat vorig jaar uitkwam. Hier meer over dit boek.
  • Tot 8 juli kost Duizend dingen 9,95, daarna 12,50 euro. Isbn 9789047705642.

Veenhuizen

20 april 2013

Als je de eerste hausse voor het nieuwe Rijks wilt afwachten, kun je net zo goed even een ander museum aandoen. Het Gevangenismuseum bijvoorbeeld! Het is niet helemaal in de buurt van de hoofdstad, maar wat is twee uur reistijd op een mensenleven?

Ik vond het al indrukwekkend om door de poort te lopen van het Tweede Gesticht, waar zo veel sloebers voor mij doorheen waren gelopen, een nieuw leven tegemoet.

Ik moet erbij zeggen: we hadden ons al een poosje ingelezen. Dat kan ik iedereen aanraden. Als gevangenis is het geen overweldigende plek; iedereen die een Louis Therouxtje of Discovery-uitzending gezien heeft over de Ergste Gevangenissen Ter Wereld wordt niet omvergeblazen door Veenhuizen. Maar als historische plek is het heel bijzonder.

Voor wie nog niet ingelezen is: in 1818 was er een barmhartige generaal, Johannes van den Bosch, die begaan was met het lot van de armen. De Franse overheersing had het laatste zetje gegeven tot een grote hoeveelheid armoe en ellende en Van den Bosch wilde de vele sloebers een nieuwe kans geven. Hij richtte de Maatschappij van Weldadigheid op en nodigde armlastige gezinnen uit om naar Drenthe te komen. Daar stond een kolonistenwoning voor hen klaar, kregen ze een koe en een stukje land om het Drentse veen te ontginnen.Men mocht er opnieuw beginnen. Naast de losse kolonistenhuisjes werden er grote gestichten gebouwd waar zo’n 1200 mensen onderdak konden vinden.

Johannes van den Bosch had een goed hart. Het experiment was bedoeld om mensen ‘uit de diepte hunner ellende op te heffen’ en op te voeden tot zelfstandigheid, maar algauw bleek dat het niet helemaal uit de verf kwam. Veel stadse paupers hadden nog nooit een koe gezien, laat staan dat het boeren hen van nature goed afging. Bovendien wilden de meeste mensen helemaal niet naar Drenthe, dat algemeen beschouwd werd als het Siberië van de Nederlanden. Maar bedelaars bleven een probleem, dus besloot de Maatschappij van Weldadigheid dat als men niet uit vrije wil naar het veen afreisde, er onder dwang geholpen diende te worden. Zo werden veel schlemielen en landlopers naar Veenhuizen getransporteerd, waar zij op last van de overheid ‘verpleegd’ werden tot een zelfstandig bestaan. Van een lankmoedig initiatief werd het van lieverlee een rijksinrichting.

Het is allemaal te lezen in Het pauperparadijs, een familiegeschiedenis van Suzanna Jansen, een prachtig boek waar je vast al van gehoord hebt. Jansen vertelt op een ontroerende manier de geschiedenis van een deel van haar familie en tegelijkertijd van negentiende- en twintigste-eeuws Nederland.

Voor kinderen is Ver van huis van Martine Letterie een aanrader. Ook hier kwam de inspiratie uit de voorouders van de schrijfster (veel Nederlanders zijn nazaten van Veenhuizense verpleegden), maar anders dan Het pauperparadijs is Ver van huis een fictieve roman over twee meisjes die vanuit negentiende-eeuws Den Haag uit vrije wil naar de veenkoloniën vertrekken.

Het fascinerende aan Veenhuizen vind ik dat het allemaal niet zo lang geleden is. Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw, mijn jaren tachtig, was het hele dorp Veenhuizen nog afgesneden van de rest van Nederland. Als je van de snelweg kwam, mocht je het dorp gewoon niet in, tenzij je de dienstdoende bromsnor kon vertellen wat je kwam doen en specifieke vragen kon beantwoorden, zoals wat de gezinssamenstelling was van de mensen die je ging bezoeken.

Dertig jaar later rijden we er zomaar met een bus doorheen. Een boevenbus, gerestaureerd en gereden door vrijwilligers van het Gevangenismuseum. Ooit de bus waarmee echte boeven en boefjes naar de gestichten vervoerd werden.

Het is een vreemde gewaarwording. Aan de ene kant de folklore van een authentieke bus met tralieramem en een reisleidster die links en rechts wijzend anekdotes door de microfoon vertelt. Aan de andere kant bestaat het dorp echt. Het is geen filmdecor, geen openluchtmuseum. Het is een tijdsbeeld.

Je kunt je voorstellen dat je vanuit de Jordaan hier naartoe gebracht wordt. Zomaar, omdat het leven niet meezit, omdat je de eindjes aan elkaar moet knopen en er telkens een korter stukje overblijft, totdat er niks meer te knopen valt. En dan kom je hier, langs die eindeloze Drentse wegen, dat kaarsrecht uitgegraven kanaal, terwijl je ooms, tantes en buren, de mensen met wie je je altijd gebroederlijk door de pech heengeslagen had, nog in de Derde Leliedwarsstraat wonen.

De directeursvrouw van de Maatschappij van Weldadigheid had geprobeerd wat allure aan het dorp te geven. Zij verzon de namen op de huizen van de ambtsdragers in Veenhuizen, tot verheffing van het volk.

Niet dat je daar wat aan had, als analfabeet uit de Derde Leliedwarsstraat. Maar de bedoeling was goed.

Het Gevangenismuseum is gevestigd in het voormalige Tweede Gesticht te Veenhuizen. Ik verwachtte niet veel van het museum zelf, want ik vond het al bijzonder genoeg om op de plek te zijn waar we over gelezen hadden en dat zo’n onderdeel is van de Nederlandse geschiedenis.

Maar ook de collectie is een reis waard. Op chronologische volgorde loop je door de misdaad- en strafgeschiedenis van 1600 tot nu, van radbraakkruis en pijnbank tot de huidige cellen van bolletjesslikkers.

Er was een kindertour en Philip, Jet en Cato zijn inmiddels experts op dat gebied. Uit de frequentie waarmee speurtochtboekjes in mijn handen gedrukt worden, kan ik afleiden hoe interessant ze het vinden. Als ik degene ben die met drie boekjes en potloden door het museum wandelt, is het meestal geen indrukwekkende queeste. ‘De vloek van Veenhuizen’ bleek een hit.

Het handelt om Gaius, een jongeman uit ‘een ver verleden’ die niet meer bij zijn geliefde Marieke mag zijn.

De vader van Marieke heeft Gaius laten opsluiten in een verborgen cel en alleen een echte speurneus kan de twee geliefden weer bij elkaar brengen.

Laat ik nou een speurneus bij me hebben.

Die hoef je geen knollen voor citroenen te verkopen. Cato zou het ook heel goed gedaan hebben in het Korps Gestichtwacht.

Terwijl Philip, John en ik rondkeken en onze dribbelende peuter bezighielden en voortlokten met een boterhammetje pesto, volgden Jet en Cato alle aanwijzingen die de vloek van Veenhuizen konden opheffen. Ze communiceerden via verwarmingsbuizen en verzamelden geheime codewoorden die hen steeds dichter bij de verborgen gevangeniscel brachten.

Al speurend maakten ze een tijdreis door vier eeuwen strafgeschiedenis en kwamen voorwerpen tegen die Jet al kende uit Ver van huis. Cato moet nog ingelezen worden, maar die heeft op deze manier wat praktijkervaring opgedaan. Ik denk dat ze de slaapkooi niet zal vergeten; zo brachten ze dus echt hun nachten door – uw en mijn voorouders.

Het ziet er vreselijk uit, een kooi die ’s avonds op slot gaat, maar uit de verhalen in Het pauperparadijs blijkt dat veel bewoners de slaapkooi eigenlijk wel prettig vonden. Het was de enige plek waar ze even alleen waren. En het was allicht beter dan de slaapkist die voor epileptici en geesteszieken gebruikt werd.

Ik zal de spanning niet verder opbouwen: ze hebben de vloek opgeheven, hoor. Gaius werd uit zijn geheime cel bevrijd en leeft voor altijd gelukkig met zijn Marieke.

Victoria vond het allemaal prima. Zolang ze haar boterham met pesto maar kreeg.

Vos-en-Haasfrenzy

25 maart 2013

Een nieuwe Vos en Haas betekent ook de oude herlezen. Als je Jak tegenkomt (Jak Hals, boef voor alle werk, specialist in snoodheid), dan wil je de Dief van Iek weer lezen. En eigenlijk ook het eerste begin van Vos en Haas, als Uil zich met hart en ziel geeft voor zijn vondelingenei.

Dus zit Cato in een Vos-en-Haasflow. Of eigenlijk een Everflow. Want Ever is sinds het vorige boek haar favoriete personage.

Het is dan ook een stoererd, Ever. Stoer en grappig. Net als Cato. We lazen de nieuwste Vos en Haas, Waar is het ijs? en direct daarna Een echt zwijn is stoer, om opnieuw te zien hoe Ever z’n entree maakt op de verjaardag van Haas. Ik lees ze voor, want Sylvia Vanden Heede bezit de zeldzame gave om boeken te maken die én fijn voorlezen én geschikt zijn als beginnersleesboek. Dus lezen we samen, inclusief verschillende stemmen -samen lachen is ook leuker dan alleen- en dan leest Cato het vaak nog eens, in haar eentje.

Waar is het ijs? heeft meer ingewikkelde woordspelingen dan de vorige boeken. Sommige zijn ook voor kleuters meteen duidelijk, zoals de bever: 


Klik voor groot.

Andere hebben bij mijn zesjarige meer uitleg nodig: de woordgrapjes over pinguïn en pingping (duim over wijsvinger) bijvoorbeeld. Het mooie van Sylvia Vanden Heede is dat kinderen een joekel van een woordenschat meekrijgen, net als bij de paulusboeken van Jean Dulieu. En net als bij Paulus zijn de tekeningen magistraal – ik kan me Ever niet voorstellen zonder de lichaamstaal die Khing hem meegaf.

Onze Vos en Haasmarathon wordt voortgezet. We hebben wel besloten dat Ever wat meer geluk in de liefde mag krijgen nu zijn hoofse avances bij Ping Wing zo genadeloos afgeslagen zijn. Met z’n vieren debateerden we over een geschikt dier, maar daar kwamen we niet uit. Misschien moet hij toch vrijgezel blijven? Zolang hij er zelf maar vrede mee heeft.

P.S. De afgelopen dagen heb ik de boekenlijstjes aangevuld met een stuk of dertig nieuwe titels. Vooral de 5+10+, biologie en kunst zijn gegroeid, maar ook de overige genres en leeftijden.

Sebastian Meschenmoser

14 januari 2013

Waar dachten jullie aan toen vanmiddag de eerste vlokken vielen? Sprookjeslandschappen, rode wangen, aangepaste dienstregelingen van de NS? Nee, toch? Jullie dachten toch ook aan het leukste kindersneeuwboek?

Natuurlijk wel.

Over mijnheer Eekhoorn, die van horen zeggen heeft dat sneeuw zó bijzonder is, dat hij besluit er zijn winterslaap voor uit te stellen. En omdat mijnheer Eekhoorn hard zijn best doet om wakker te blijven, worden er meer dieren uit hun slaap gehouden.

slaperige beer

En dan zit er niets anders op dan samen te wachten. Tot de sneeuw komt. Sneeuw -dat is algemeen bekend-  is wit, koud, nat en zacht. Maar hoe het er precies uitziet, weet geen van de bosdieren.

Als je één boek van Sebastian Meschenmoser hebt gelezen, dan wil je ze allemaal lezen. Alle mijnheer Eekhoorns zijn goed, zowel de verhalen als de tekeningen, hoewel Mijnheer Eekhoorn en de eerste sneeuw wel mijn hart gestolen heeft.

Sebastian Meschenmoser, Leren vliegenMeschenmosers debuut, Leren vliegen, vonden Cato en ik een beetje tegenvallen. Dat ligt niet aan de tekeningen – die zijn net zo magnifiek als alle andere, maar het verhaal gaat me te veel over kinderhoofden heen. De thematiek is prachtig, daar niet van. Over streven naar het schijnbaar onmogelijke, verlangen, volharding en collectieve aannames aan je laars lappen. Nou ja, dat zie ik erin. Cato zag een pinguïn die gelooft dat hij kan vliegen. En pinguïns kunnen niet vliegen. Dus gaat de metafoor aan haar voorbij en dat is jammer. En wat mij betreft daarom minder geslaagd als kinderboek.

Een beter voorbeeld van Meschenmosers kracht om zowel volwassenen als kinderen te verrassen en aan het lachen te maken, is 3 wensen voor Mopsman, het ultieme antwoord op roze-prinsessensprookjes. Wat Cato en mij betreft een gedeelde eerste plaats met Mijnheer Eekhoorn en de eerste sneeuw.

Sebastian Meschenmoser, 3 wensen voor Mopsman

Ik zal er niet te veel over zeggen, maar het zit Mopsman niet mee. Dat kun je aan alles zien.

Mopsman

Hij verwacht weinig van de dag die voor hem ligt, maar zelfs dat weinige lijkt nog te veel gevraagd. Totdat er een toverfee langskomt.

Hoe het komt dat je zo weinig over Sebastian Meschenmoser hoort, is me een raadsel. Zijn boeken liggen niet in dubbele stapels opgetast op verkooptafels en bij de bibliotheek wordt hij magertjes ingekocht – Zilveren Penseel of niet. Maar daar gaat verandering in komen, hoor. Let maar op.

  • Meer kinderboeken in de sneeuw: ‘Sneeuwboeken’.
  • Tot nu toe verschenen over mijnheer Eekhoorn:
    • Mijnheer Eekhoorn en de eerste sneeuw
    • Mijnheer Eekhoorn en de maan
    • Mijnheer Eekhoorn en de weg naar het geluk
    • Mijnheer Eekhoorn en de bezoeker van de blauwe planeet 

Laat ik vooropstellen dat ik een buitengewoon slechte trendwatcher ben. Ik bedoel, ik watch ze wel, maar ik kan ze niet voorspellen. Ik hang te veel aan het verleden om me te kunnen voorstellen hoe de toekomst zal zijn. Het heeft lang geduurd voor ik doorhad dat de mobiele telefoon een blijvertje was, zeg maar. Tot zover ingedekt, wil ik me dan nu aan een voorspelling wagen.

Via de ondergrondse kwam een tip van dit nog te verschijnen boek: Over vroeger en nu, verhalen van de canon. En ik voorspel u: het wordt een standaardwerk. Ten eerste omdat het geschreven is door vrouwen die kennis van zaken hebben en ook nog kunnen schrijven. Ten tweede omdat Els van Egeraat het verluchtigd en aanschouwelijk gemaakt heeft. Ten derde omdat het verzorgd uitgegeven is. Het is kwaliteit en schoonheid – meer dan de pakketjes schroot met een dun laagje chroom die de laatste jaren de winkeltafels bezetten; de kleurtjes- en geurtjespagina’s met een fliezeltje verhaal.

Agave Kruijssen is van de goeie Middeleeuwse bewerkingen, Martine Letterie van de mooie geschiedenisboeken (Ver van huis is sinds jaren een lieveling van Jet) en Janny van der Molen kennen we natuurlijk van haar originele heldenboek. Dat belooft veel.


Ik vermoed dat uitgeverij Ploegsma mijn trendvoorspelling reeds opgepikt heeft, want er is een ware standaardwerkprijs aan gekoppeld. Zegge en schrijve 49,95 euro. Vanaf februari 2013 wordt het zelfs 69,95. Mijn prognose (ik ben op dreef) is dat er over twee jaar een goedkopere editie zal verschijnen, maar voorlopig denk ik dat vijf tientjes een mooie prijs is voor 512 pagina’s geschreven geschiedenis. Als je op het plaatje hieronder klikt, opent er een pdf met het eerste verhaal.