De schilder Frans Hals (ca. 1583-1666) was een notoire drinker. Althans, zo staat het in de biografie die in de achttiende eeuw over hem verscheen: ‘Frans was gemeenlyk allen avond tot de keel toe vol met drank’.

Als het weer eens zover was, hielpen zijn leerlingen hem naar huis, trokken zijn schoenen uit en zorgden dat hij veilig in zijn bed terechtkwam. De schilder placht iedere avond nog een gebed te zeggen, dat hij steevast besloot met de woorden: ‘Lieve Heer, haal my vroeg in uwen hoogen hemel.’

Hals’ leerlingen vroegen zich af of hij deze bede werkelijk meende en besloten de proef op de som te nemen. Zij boorden vier gaten in het plafond boven de bedstee van de schilder. Door die gaten lieten zij vier sterke touwen zakken, die zij aan de hoeken van het bed vastknoopten.

Toen de beschonken Hals de volgende avond weer in bed was gelegd en het licht de slaapkamer was uitgedragen, slopen de leerlingen op kousenvoeten de trap op naar boven. Ze luisterden stil naar het avondgebed, dat Hals gewoonte-getrouw eindigde: ‘Lieve Heer, haal my vroeg in uwen hoogen hemel.’ Op dat moment trokken zij hem met bed en al naar boven. Ondanks zijn roes merkte de schilder wat er gebeurde en riep luid op deze gebedsverhoring: ‘Zoo haastig niet, lieve Heer, zoo haastig niet, zoo haastig niet’ – waarop de leerlingen hem weer zachtjes lieten zakken. Toen hij vast in slaap gevallen was, haalden zij de touwen weer van het bed weg.

Pas jaren later ontdekte Frans Hals wat er gebeurd was, ‘maar Frans gebruikte na dien tyd die wyze van bidden niet meer.’

Uit:  Antoon Erftemeijer, De aap van Rembrandt, kunstenaarsanekdotes van de klassieke oudheid tot heden. Gedeeltelijk ingekort en geparafraseerd.