Meesterwerken

25 november 2012

Omdat het de laatste tijd niet zo vaak lukt om naar een kunstmuseum te gaan, behelpen we ons even met boeken. Zo erg is dat niet natuurlijk. Je zou bijna vergeten dat het gros van de wereldbevolking geen Vermeer in de buurt heeft hangen. Verwende nesten zijn we. Een Australische vriendin vertelde dat haar familie 2000 kilometer had gereisd om een tentoonstelling oude Hollandse meesters te bezoeken. De schilderijen waren maar een paar maanden in Australië, dus men kwam van heinde en ver om een echte Rembrandt te zien. Nee, dan wij, met op iedere straathoek doeken die je tot tranen kunnen roeren.

Als zelfs die straathoek niet lukt, bijvoorbeeld omdat er iemand op je buik hangt die telkens ‘Taaat’ roept -heel hard- en altijd smoezelige handjes heeft omdat ze graag wat te knabbelen met zich meedraagt -een worteltje met houmous, een kaakje, een stukje halfvloeibare geitenkaas of een doosje rozijntjes – zolang het maar een fijn palet van vlekken achterlaat op een museumtapijt –  en omdat je geen puf hebt om met nog drie man in je kielzog naar die straathoek te strompelen en te zeggen dat er géén invasion-of-the-bodysnatchertje gespeeld mag worden in de museumzaal, of als het om een andere reden niet lukt een schilderij te bezoeken, dan zijn er de boeken.

Wij doen het momenteel met Meesterwerken, de kunst van het kijken naar kunst. Schilderijenboeken bij de vleet, maar zo af en toe springt er eentje tussenuit, zoals deze. De aanpak heeft iets weg van Cummings Een andere kijk op kunst, maar dan minder ijdeltuiterig, vriendelijker en beter. Meesterwerken geeft van 66 kunstwerken één pagina schilderij en drie pagina’s uitgelichte details met ‘rondleiding’.

Zoals de Stoel met pijp.

Toen ik de kinderen vroeg welk schilderij ze het mooist vonden, konden ze moeilijk kiezen. Experiment met een vogel in een vacuümpomp vonden ze fascinerend. En 3 mei 1808 zielig. Uiteindelijk koos Philip de Sixtijnse kapel, ‘omdat je dan meteen een paar schilderijen hebt, veel om naar te kijken.’

Jet nam tot mijn verbazing een stilleven. Ze vond het zo mooi omdat het bijna te echt lijkt, ‘ook al weet je dat hij het nooit allemaal tegelijk zo geschilderd kan hebben; al die verschillende bloemen en vruchten komen helemaal niet in dezelfde seizoenen voor’.

De meerwaarde van Meesterwerken zit voor mij in de tekst. De rondleiding is gezellig en zit vol opzienbarende weetjes. Alsof de schrijvers met je meewandelen op zaal, hier en daar een hoekje aanwijzend of een verborgen symbool. Soms laten ze je meer afstand nemen zodat je de compositie beter ziet.

Een ander boek dat hierbij aansluit is Hall’s iconografisch handboek, waarin honderden symbolen uitgelegd worden. Altijd goed om in de kast te hebben staan. Er moet vast ook een appje voor bestaan, maar sinds onze iPad gejat is, ben ik niet meer zo gemotiveerd die te zoeken en gebruiken we het boek dat al twintig jaar trouwe dienst doet. Als je bijvoorbeeld een hondje op een schilderij ziet, zoek je onder ‘hond’ en vertelt Hall je dat het een teken van trouw is. Geliefden lieten er vaak eentje bij schilderen dus. Zo vroeg Philip zich bij Titiaans Bacchus en Ariadne af waarom een figuur een slang om zijn arm gekronkeld had. Het bleek een middel om bacchanten uit te beelden; waarom moet je zelf maar even lezen.

Een andere bekende is de schedel, een doodshoofd dat schijnbaar achteloos in een hoekje ligt. Het staat voor vergankelijkheid: het leven is kort. Zeepbellen betekenen hetzelfde – en de insecten op het stilleven dat Jette uitkoos ook.

Op deze manier verklaart Hall spreekwoorden, dieren, personages. Hoe worden de vijf zintuigen afgebeeld? Hoe herken je de vier seizoenen?

Wat je van een kunstwerk vindt, is natuurlijk persoonlijk. Maar hoe je ernaar kijkt, heeft te maken met hoeveel je ervan snapt.

Laat ik vooropstellen dat ik een buitengewoon slechte trendwatcher ben. Ik bedoel, ik watch ze wel, maar ik kan ze niet voorspellen. Ik hang te veel aan het verleden om me te kunnen voorstellen hoe de toekomst zal zijn. Het heeft lang geduurd voor ik doorhad dat de mobiele telefoon een blijvertje was, zeg maar. Tot zover ingedekt, wil ik me dan nu aan een voorspelling wagen.

Via de ondergrondse kwam een tip van dit nog te verschijnen boek: Over vroeger en nu, verhalen van de canon. En ik voorspel u: het wordt een standaardwerk. Ten eerste omdat het geschreven is door vrouwen die kennis van zaken hebben en ook nog kunnen schrijven. Ten tweede omdat Els van Egeraat het verluchtigd en aanschouwelijk gemaakt heeft. Ten derde omdat het verzorgd uitgegeven is. Het is kwaliteit en schoonheid – meer dan de pakketjes schroot met een dun laagje chroom die de laatste jaren de winkeltafels bezetten; de kleurtjes- en geurtjespagina’s met een fliezeltje verhaal.

Agave Kruijssen is van de goeie Middeleeuwse bewerkingen, Martine Letterie van de mooie geschiedenisboeken (Ver van huis is sinds jaren een lieveling van Jet) en Janny van der Molen kennen we natuurlijk van haar originele heldenboek. Dat belooft veel.


Ik vermoed dat uitgeverij Ploegsma mijn trendvoorspelling reeds opgepikt heeft, want er is een ware standaardwerkprijs aan gekoppeld. Zegge en schrijve 49,95 euro. Vanaf februari 2013 wordt het zelfs 69,95. Mijn prognose (ik ben op dreef) is dat er over twee jaar een goedkopere editie zal verschijnen, maar voorlopig denk ik dat vijf tientjes een mooie prijs is voor 512 pagina’s geschreven geschiedenis. Als je op het plaatje hieronder klikt, opent er een pdf met het eerste verhaal.

Nederland, o Nederland

4 oktober 2012

Als je maar één excuus nodig hebt om deze week een kinderboekenwinkel binnen te lopen, laat het dan dit boek zijn. Pagina na pagina versierd met strooigoed van molens, water, geschiedenis, kunst, kinderliedjes en zwarte pietjes.

Ik noem een Afsluitdijk.
Wie pruttelen daar linksonder in hun groen-rode bootje?
Wie willen rechtsboven te kaap’ren varen?
Wie zit daar op de vangrail?
En nog eentje: wie rennen er rechts door de berm?
(Als je het echt niet weet, kijk dan in het taartenboek van Thé Tjong-Khing.)

Of de verkeerschaos bij Schiphol. Een vrachtwagen met pindakaas, sleurhutten, een oliebol op een aanhangwagentje. Met het Cruquiusgemaal in het midden en de Max Havelaarkoffie linksonder heb je zomaar twee canonvensters te pakken; terwijl je met de groten praat over Saïdjah en Adinda, zoeken de kleintjes verder naar het gele ballonnetje dat ergens op de plaat moet zijn.

De stroopwafelkruimels rollen ervanaf, de garnalenschilletjes zitten nog tussen de band. En als je goed snuffelt, ruik je een brak IJsselmeerluchtje. Zo Hollands is Nederland. En daar hadden we een Française voor nodig. Zoals Charlotte Dematons zelf zei in Het Parool: ‘Elke keer heb ik gedacht: is dit iets wat in mijn oorspronkelijke land ook normaal is? Nee? Hopla, dan gaat het erin.’

Hopla, naar de winkel dus. Ter ere van de kinderboekenweek. Of alvast voor 5 december. Vanwege de tekstloze platen is het trouwens ook een prachtig cadeau voor overzeese vrienden of je Spaanse schoonfamilie.

Charlotte Dematons, Nederland
Isbn: 9789047704980
Hier de website van het boek.

Wakarimasu

14 augustus 2012

Het begon ermee dat John in de bibliotheek kwam. Daar was hij de laatst vijvenveertig jaar niet geweest, dus het was een uitje op zich. Wat iedereen weet die weleens in een bibliotheek komt, maar wat mijn duifje nog niet wist, is dat een bibliotheek eigenlijk een snoepwinkel is waar je gratis mag proeven. Een slechte bibliotheek zet prominent snaaigoed neer dat makkelijk wegglijdt en door iedereen snel meegegrist wordt, maar een goede bibliotheek heeft snoep uitgestald dat je zelf niet een, twee, drie zou pakken. Lekkerigheidjes die nieuwsgierig maken. Ze bevatten net wat andere ingrediënten, kunnen je plotseling verrassen of herinneringen losmaken.

Zo ging John alleen om wat boeken terug te brengen en kwam hij thuis met een stapeltje verrassingen, waaronder deze.

Hij koesterde warme herinneringen aan de tv-serie. Ik was te jong toen Shogun werd uitgezonden en het leek me nu allemaal wel erg gedateerd. Maar: immer bereits iets nieuws te proberen.

Het gegeven is sowieso leuk: het eerste Nederlandse galjoen dat Japan bereikte. In 1598 vertrok een Nederlandse vloot van vijf schepen (Hoop, Geloof, Liefde, Trouw en Blijde Boodschap) naar de Straat van Magellaan. Eigenlijk heette een van de boten Erasmus, maar omdat het beter bij de rest paste, werd hij wedergedoopt tot Liefde. Het was het enige schip dat de reis volbracht; in 1600 bereikte het Japan.

De Liefde had een Engelse stuurman, William Adams (de VOC had vaker Engelse bemanningsleden in dienst), die zich na de eerste cultuurschok zo thuisvoelde in Japan, dat hij er nooit meer wegging. Hij werd een volwaardig lid van de samenleving en vertrouweling van de opperbevelhebber, de shogun. Dankzij Adams’ bemiddeling konden de Nederlanders vanaf 1609 handel drijven met Japan.

Niet alles in de serie en het boek klopt met de geschiedenis, maar wel veel. In Shogun heet de Liefde nog Erasmus en is de naam van Adams veranderd in Blackthorn. Meer hoef je eigenlijk niet te weten. De gedateerdheid valt verrassend mee; alleen de schipbreuk in het zwembad op de filmset geeft weg dat de serie 32 jaar oud is. Wat ik zelf gaaf vind, is dat alle Japanse acteurs onvertaald zijn gebleven. Je begrijpt dus net zoveel als de westerse stuurman.

Zo sloop Japan langzaam ons huis binnen. Jet verscheen eens in kimono aan de ontbijttafel.

De wakarimasu’s en anjin-sans vielen steeds vaker. Anjin is Japans voor ‘stuurman’ en wakarimasu betekent ‘ik begrijp het’  – twee uitdrukkingen waar rijkelijk mee gestrooid wordt in de film.

Er moest met stokjes gegeten worden natuurlijk; en Cato en Jet vonden een Japanse theeceremonie noodzakelijk om zich echt goed te kunnen inleven. Dus togen we naar een uitgelezen plek voor drinkkommetjes:  de kringloopwinkel. Alle soorten en maten, bijna Japanser dan in Japan zelf, met de mooiste tekeningen en gouden randjes, zo uit oma’s vitrinekast. Als je daar groene thee uit drinkt, smaakt het veel lekkerder. Let vooral op de blauwe nagellak. Heel Aziatisch. Die keizerinnen hadden allemaal bijzondere nagels.

Victoria bekwaamde zich ondertussen in het laat-middeleeuwse balletje-balletjespel zoals dat gedurende de Edoperiode gespeeld werd in de voorhoven van de tempels in het amitabha-boeddhistische Kamakura. Daar gaan we veel geld mee verdienen.

Er staat alleen nog een bezoek aan het Sieboldhuis op de agenda. Shogun hebben we aangeschaft, de serie is zo mooi en fascinerend dat we hem zeker nog eens zullen kijken.

Ik zeg: domo arigato en sayonara. Maar niet voordat ik afsluit met een van de haiku’s die Jet gemaakt heeft tijdens het project.

Bloemen zijn speciaal
in een vaas of een plantsoen
zolang ze het doen.


  • De dvd-box Shogun is te koop met EAN-code 8714865559437.
  • Het Sieboldhuis doet ook mee aan de museumjeugduniversiteit die in september weer door het hele land van start gaat.
  • Meer ideeën voor een Japanprojectje in de post ‘Verrassingsmap’ (origami, Japanse beeldende kunst).
  • Het boek Learning from Shogun, Japanese History and Western Fantasy geeft een opsomming van feiten en fictie in Shogun. Hier als gratis pdf.
  • Voor de winderige novemberavond als het bamzaaien is gaan vervelen: twaalf triviantvragen over Shogun.
  • Boeken die we erbij gelezen hebben:
    • Claus Stamm, Drie sterke vrouwen,  een verhaal uit Japan. Mooi volksverhaal waar Cato geen genoeg van kon krijgen.
    • Peter Dennis, Aardbeving, vanaf ca. 3000 voor Chr. tot heden uit de serie: Reis door de tijd. Goede serie, goed boek.
    • Annelore Parot, Kimono en Yumi. Snoezige prentenboekjes over een kokeshi, een traditioneel Japans popje.
    • Mary Pope Osborn, Night of the ninjas. Philip en Jet hebben hem bij wijze van uitdaging in het Engels gelezen, maar er is ook een Nederlandse vertaling: In het land van de zwarte krijgers. De hele serie The Magic Tree House van Pope Osborne is trouwens mooi om Engels mee te leren lezen.
    • Arend van Dam, Mart en de Liefde. Verrassend goed verhaal waarin vroeger en nu samenkomen. Het andere boekje van Arend van Dam, De hofreis, en meer in het genre: Achter de rode zon (Mariska Hammerstein), Thijs en de geheime VOC-kaart (Lizette de Koning) waren drie keer niks: slecht verhaal, slecht geschreven of AVI-nulniveau.

Als je je eenmaal in de open zenuw van de Amerikaanse geschiedenis bevindt, blijkt er natuurlijk een hoeveelheid boeken te bestaan waar je een prairie mee kunt bedekken. Veel voegt het niet toe aan de Kleine Huisreeks, maar eentje stak er toch met kop en schouders bovenuit.A Pioneer Story: The Daily Life of a Canadian Family in 1840van Barbara Greenwood en Heather Collins (ill.). 1)

Het kleine huis in Canada dus. Helaas niet vertaald in het Nederlands, maar voor fans van het genre, de Jettes onder ons, wel een erg mooi boek. Bovendien: voorlezen en vertalen gaat misschien wel niet zo snel, maar is wel erg gezellig.

Het boek is prachtig geïllustreerd en vertelt het verhaal van het echtpaar Robertson, hun zes kinderen en een inwonende grootmoeder. Een jaar lang volg je de familie bij hun werk in en rond het huis: schapen scheren, ahornsuiker winnen, naar school gaan, vissen, honing zoeken. Geen opsomming, maar een mooi verhaal met hier en daar wat spanning, karakters die je een beetje leert kennen en genoeg sfeer om je bij te verkneukelen. De verhaallijn wordt afgewisseld met achtergrondinformatie en ideeën om zelf aan de slag te gaan. Samen met de grote tekeningen maakt dat het net een beetje anders dan de Kleine Huisboeken.

Klik op de foto’s om ze iets groter te zien.

Een heel ouwetje is Het indianenboek van Holling C. Holling. 2) Uit 1935 en een begrip in de Amerikaanse kinderboekengeschiedenis. Volgens mij is Het indianenboek zijn enige werk dat ooit in het Nederlands vertaald is.

De titel is natuurlijk volslagen politiek incorrect. Geen ‘inheemse bevolking’ of ‘eerste volken’, maar ouderwets indiaan. Toch is het geen toonzetting over de edele wilde. Holling Clancy Holling beschrijft met overduidelijke sympathie en affectie vier bevolkingsgroepen, indianen uit alle delen van de Verenigde Staten van oost naar west, in een combinatie van informatieve stukken en spannende verhalen uit het alledaagse leven van indianenkinderen. De mooie, gedetailleerde kleurrijke platen en zwart-wittekeningen dragen veel bij aan de charme van het boek.

Om de boel compleet te maken lezen we enkele indianenlegendes. In Omakayas komen wat mythen voorbij, maar ik wil ook twee boeken van Käthe Recheis met de kinderen lezen: Toen er nog bizons waren en Pijljongen en de geesthonden. Recheis is de bekroonde Oostenrijkse kinderboekenschrijfster die veel heeft geschreven over Noord-Amerika. Zij heeft in reservaten de verhalen opgeschreven uit het collectief geheugen van een aantal stammen die verloren dreigden te gaan.

Als we daarna nog niet krankjorum zijn geworden en als dollemannen door het leven gaan in verentooi en beverhuiden rokje, heb ik Longfellows Het lied van Hiawatha op het menu staan. Voor nu is het wat ambiteus, een dichterlijk epos uit 1855, maar eigenlijk hoort ie er wel bij. Veel Amerikaanse kindertjes hebben de eerste regels ervan uit het hoofd moeten leren.

By the shores of Gitche Gumee,
By the shining Big-Sea-Water,
Stood the wigwam of Nokomis,
Daughter of the Moon, Nokomis.
Dark behind it rose the forest,
Rose the black and gloomy pine-trees,
Rose the firs with cones upon them;
Bright before it beat the water,
Beat the clear and sunny water,
Beat the shining Big-Sea-Water.
There the wrinkled old Nokomis
Nursed the little Hiawatha,
Rocked him in his linden cradle,
Bedded soft in moss and rushes.

Henry Wadsworth Longfellow schreef het gedicht om meer respect te vragen voor de oorspronkelijke bewoners; een tamelijk unieke geste halverwege de negentiende eeuw. Naast bewondering kreeg hij ook nogal wat hoon te verduren, onder meer van collega’s die het gedicht meermalen parodieerden. Er zitten erg geestige bij (hier een paar parodieën), zoals die van Lewis Carroll. Alleen al daarom vind ik het de moeite waard om het gedicht in ons leeslijstje op te nemen.

Maar eigenlijk hebben we niet eens een excuus nodig. Want kijk eens wie er ook over gezongen heeft? Meer rechtvaardiging heeft een mens niet nodig.

———————-

1) Op Google Books kun je hier voorbeeldpagina’s bekijken. Het boek heette oorspronkelijk A Pioneer Sampler en is later verschenen onder de titel A Pioneer Story. De inhoud is gelijk, het maakt dus niet uit welke je op de kop tikt. Het boek is mooi genoeg, maar voor wie er geen genoeg van kan krijgen, is er een educatieve bijlage met lessuggesties voor taal, rekenen, wereldoriëntatie en kunst. Hier staat ie in pdf.

Terug

2)  Bij boekwinkeltjes wordt Het indianenboek volop aangeboden.

Terug

Meer negentiende eeuw:

Net als de gasbel van Slochteren is Spinoza geen canonvenster waar we maandenlang bij stil staan. Goed om te weten, fijn voor de algemene ontwikkeling en als je er ooit meer over wilt lezen, heb je alvast een beginnetje. We besteden meer aandacht aan andere geschiedenissen. Maar toen we een paar weken geleden in het Joods Historisch Museum waren en dit boek zagen, heb ik het wel gekocht.

Over Spinoza kon ik nauwelijks goede jeugdboeken vinden. Nou is De lens van Spinoza geen kinderboek, maar het visuele element maakt het wel geschikt voor die doelgroep. Het is namelijk een stripboek. En een mooie ook. Jaron Beekes heeft het leven van Baruch Spinoza gevat in prachtige zwart-wit tekeningen en begrijpelijke taal. Je ziet dat Beekes veel aandacht besteed heeft aan een realistisch tijdsbeeld, en dat is gelukt. Er hangt een zeventiende-eeuwse adem over de joodse buurt, de kleding, de mores, de taal.

Ook de inhoud is evenwichtig gebracht. Ik weet te weinig van Spinoza om te zeggen of zijn gedachtengoed naar de letter wordt overgebracht, maar ik vond het overtuigend en ontroerend. En de vorm sprak me aan. Er zijn geen halve tractaten in een tekstballonnetje geperst, maar de verhouding tussen tekst en plaatje is rustig, waardoor het verhaal goed overkomt.

Een aanwinst dus. De eerlijkheid gebiedt me wel te zeggen dat Philip er geen ruk aan vond. Hij heeft uit inschikkelijkheid het halve boek gelezen, maar toen ik vroeg: ‘En?’ was hij met al zijn dertienjarige oprechtheid volkomen helder: het was niks. Hij vond het eigenlijk vreemd dat ik nog om een motivatie vroeg: het was toch overduidelijk een saai boek? Misschien ook wat te hoog gegrepen. ‘Het enige wat ik ervan begrijp, is dat hij verbannen wordt om zijn denkbeelden. En dat hij die verbanning zelf wil.’ Ik blijf ervan overtuigd dat het boek geschikt kan zijn voor deze leeftijd, maar bij ons is er dus iets meer uitleg nodig. We wachten even met een nieuwe poging. Of anders lees ik hem voor. Ik heb sowieso nog drie proefkonijntjes in de wachtrij om De lens van Spinoza op uit te proberen.

Het Klokhuis heeft ook een canonfilmpje over Spinoza gemaakt. Het is me af en toe te simplistisch, zoals wanneer vrijheid van meningsuiting wordt gereduceerd tot: ‘Treiteren mag!’  Maar daarover kunnen we gezellig filosoferen en van mening verschillen en dat is waar het om gaat. Het past natuurlijk bij Klokhuis om baldadig te vereenvoudigen. Bovendien maakt Lisa Wade met haar klare taal veel goed.

Zoals Bas Haring al in het filmpje vertelt: filosoferen is goed nadenken en met verwondering vragen stellen. Er zijn talloze onderwijsboeken en -projecten over filosoferen met kinderen. Maar je kunt het gewoon met kinderboeken doen. Waarschijnlijk gebeurt dat al wanneer je voorleest: je spreekt je verbazing uit over iets wat je niet zag aankomen, je kind vraagt opheldering over dingen die voor jou normaal lijken, je geeft je mening over het gedrag van een personage.

Eigenlijk zijn bijna alle kinderboeken filosofieproof, maar er zijn boeken en schrijvers die zich er bij uitstek voor lenen. Toon Tellegen met zijn dierenverhalen, Kikker en Pad, De kleine prins, Max Velthuijs en Geert De Kockere. Van die laatste lazen we een paar jaar geleden met veel plezier Dat had je gedacht!, maar nu zag ik nog iets moois van hem: De tuinmannen.

Prachtige foto’s met tekstjes. De Kockere noemt de diertjes die hij fotografeert tuinmannen: ‘Er zijn tuinmannen in de tuin: sprinkhanen en spinnen, wantsen en mieren. Maar soms zijn ze niet te zien. Er is een verschil tussen zien en zijn.’

Mooie woorden bij mooie plaatjes: ‘De tuinmannen zoeken elk op hun manier naar het oneindige geluk. Ze zoeken op plekjes dichtbij of veraf, in donkere hoekjes of in het licht van de zon.’

Of hiero: ‘De bloedrode heidelibel verstopt zich achter haar vleugels. Maar voor de liefde kan je je niet verstoppen.’

Daar ga je vanzelf met verwondering naar kijken.

Er zijn tot op heden vier delen uit: De tuinmannen en de grote vragenDe tuinmannen en het geheim van de liefdeDe tuinmannen en het oneindige geluk en De tuinmannen en de kunst van zijn en zien. Op deze pagina kun je wat van die schitterende foto’s bekijken.

Ovidius voor kinderen

11 april 2012

Het is niet zo dat ze geen stomme boeken mogen lezen. Het is meer dat ik de kinderen probeer voor te houden: waarom zou je stomme boeken lezen? Er zijn zo ontzettend veel mooie boeken. En er gaan maar vierentwintig uren in een dag. Als je nou alle mooie boeken gelezen hebt en er is nog tijd over, dan kun je altijd nog aan de stomme beginnen.

Blijft natuurlijk het dilemma: wat ik stom vind, hoeven zij niet stom te vinden. Dat is waar. Ze hoeven mijn smaak ook niet over te nemen. Maar er is wel zoiets als het bezielde boek. Smaak of niet je smaak, dik of dun, met platen of zonder, dat bezielde blijft ervan af stralen. En ik geloof erg dat je, als je genoeg moois gelezen en gehoord hebt, je een stom boek sneller terzijde legt, omdat je herkent dat het iets mist. Daarvoor hoef je boeken niet stuk te analyseren met geeuwlange sessies over motieven en thema’s. Voorlezen is genoeg. Of lezen.

Het is een beetje schipperen met leeftijd en interesse om dat bezielde tot zijn recht te laten komen. Dostojevski is ontroerend mooi, maar als je hem in de brugklas moet doorploegen, is dat de beste manier om een mens nooit meer aan het lezen te krijgen. Daarentegen kan iemand van vier al heel goed de bezieling voelen in Winnie de Pooh. Of in Mees Kees.

Ovidius is ook mooi. En al vaak vertaald. De beste mythologiebewerkingen voor kinderen vind ik nog altijd die van Simone Kramer. Imme Dros is ook goed, maar pas vanaf een jaar of veertien, denk ik. Anders krijg je dat Dostojevskieffect.

De samenwerking tussen Simone Kramer en Els van Egeraat, die fantastische illustraties maakt, is buitengewoon gelukkig en beslaat inmiddels zowat de hele Europese oudheid. De val van Troje, Jason en het gulden vlies, Icarus, Pegasus. Ze hebben zelfs Beowulf, het Nibelungenlied en de Griekse tragedies toegankelijk gemaakt voor kinderen.

Buiten dat de verhalen prachtig zijn, helpen ze je ook om meer van andere kunst, literatuur en cultuur te snappen. Als je een museum bezoekt, is het leuk om te begrijpen wat er wordt afgebeeld. Als je langs het Paleis op de Dam rijdt, is het leuk om Atlas op het dak te herkennen. Als je Dissus leest, Gouden Griffel 2011, is dat een stuk leuker wanneer je de Odyssee kent. Het is bijzonder om te weten dat er een lange lijn van mensen is die allemaal de verhalen kenden die jij nu ook kent. Dat er vijfhonderd, duizend, tweeduizend jaar geleden ook een jongetje heeft geluisterd naar de sage van koning Midas. Cultureel erfgoed laat je zien dat je deel uitmaakt van een groter geheel.

Zoals Philip en Jet bij vlagen gegrepen werden door de mythologie, zo zit Cato nu ook ademloos te luisteren. Ik vond laatst een prachtige uitvoering van Michael de Cock, Diep in het woud, verzamelde verhalen van Ovidius. Er zit een cd bij met hoorspelen van een aantal verhalen uit het boek. Zoete Vlaamse stemmen, een suizende bries, geknerp van grint en muziek van het Brussels Jazz Orchestra. Ahhh.

Het eerste hoofdstuk ‘Philemon en Baucis’ kun je hier op pdf downloaden. En hieronder het verhaal van de cd. Daarna moet je natuurlijk even gaan lunchen bij Café Eik en Linde, om de hoek bij Artis. Ook cultuur.

De Cock bewerkte al eerder enkele Griekse mythen voor kinderen. Over een paar maanden verschijnt er een boek van hem over de Carthaagse veldheer Hannibal.

—-