In ’t Parool

18 november 2010

Als het weer niet te koud en te nat is *)
en vooral niet te warm en te droog,
als er NIET in de omtrek een kat is
en de sterretjes staan niet te hoog,
als de maan een klein beetje wil schijnen
en de waterkers bloeit in ’t plantsoen,
ja, dan komen de nozebedijnen
om ondeugende dingen te doen.

Er zijn tientallen nozebedijnen,
heel erg jong of verschrikkelijk oud;
er zijn lange en dikke en kleine,
maar ze zijn over ’t algemeen stout.
En er zijn er die heel zachtjes blaten,
en er zijn er die spelen viool,
en er zijn er die Achterhoeks praten
en er zijn er die lusten geen kool,
en sommige hebben een baardje
en sommige hebben een spriet
en sommige hebben een staartje
en sommige hebben dat niet.

Ik heb er donderdag eentje gevangen
en ik nam hem meteen mee naar school.
Hij beet meester Van Rijn in z’n wangen,
maar die zei dat mocht niet in ’t Parool.

 

Maar wat zag ik vandaag in ’t Parool? Drie nozebedijntjes.

Foto: Suzanne Blanchard

Klik op de foto om hem groot te zien

Drie schattige nozebedijntjes op bezoek in het Joods Historisch Museum. Ze waren daar muziek aan het maken, hun namen aan het schrijven in het Hebreeuws en versgebakken, zelfgevlochten broodjes aan het opsmikkelen.

De fotografe was blij dat ze er waren, want anders had ze rekwisieten uit de nabijgelegen ballenbak moeten plukken. ‘Het is toch leuker als kinderen uit vrije wil in het museum zijn’, zei ze. Er zijn namelijk niet zoveel kinderen die op een doordeweekse donderdag naar een van de gaafste musea van Nederland gaan. Daar komt nu natuurlijk verandering in door dit stukje in Het Parool. En wie weet kom je er nog eens een paar nozebedijnen tegen.

Foto: Suzanne Blanchard

*)   Het gedichtje is deels geciteerd uit ‘De nozebedijnen’ van Annie M.G. Schmidt, Ziezo, de 347 kinderversjes.

**)  Hier een eerder verslag over ons bezoek aan het Joods Historisch Museum.

Terug