Charlotte doet het weer

25 april 2013

Net als je denkt dat je alles in Nederland gezien hebt, nog voordat je ‘Bis, bis!’ hebt kunnen roepen, komt Charlotte Dematons met een toegift.

In Duizend dingen over Nederland staat alles wat ze nog heeft willen zeggen: haar beweegredenen, haar verwondering, de geheimpjes die ze in de tekeningen verstopt heeft. Het is alsof ze bij je op de bank komt zitten, je eerst rustig de gelegenheid geeft om op de bladzijden te turen en daarna zegt: ‘Heb je dit al gezien?’

Klik op het plaatje voor een stukje uit het boek (pdf)

Naast Charlottes eigen stem – afgedrukt in blauwe letters – hoor je bij elk onderwerp ook een uitleg, geschiedenisverhaal of weetje. De kinderliedjes zijn integraal opgenomen, de vijftig geschiedenisvensters hebben elk een eigen kolom en alle getekende personen, kinderboekenfiguren, voorwerpen, festiviteiten en gebeurtenissen worden toegelicht door Jesse Goossens.

Die toelichting had wat mij betreft wat levendiger en ontspannener gemogen. Er is niets verkeerds aan, de tekst is duidelijk, maar het klinkt zo stroef naast de keuvelende, sympathieke toon van Dematons. Waar Charlotte onze vaderlandse opruimdrift typeert met ‘overal staan vuilnisbakken’, gaat het in de uitleg over het ‘Landelijk afvalbeheerplan’ en waar in blauwe Dematonsletters over de Rotterdamse haven staat dat er ‘een soort hefapparaat met een magneet’ gebruikt wordt, vertelt de toelichting dat Rotterdam ‘een directe verbinding [verschafte]  met de mijn- en industriegebieden in het Ruhrgebied in Duitsland’. Kortom, met de informatie is niks mis, maar het leest meer als een lemma in de Winkler Prins dan als een mooie vertelling.

En toch moet je het natuurlijk lezen. Het is een fantastisch snuffelboek bomvol dingen die je nog niet wist en die je voor altijd zult onthouden als je ze samen met de platen van Dematons tot je neemt. Als de toelichting niet lekker voorleest, dan lees je het toch gewoon eerst zelf? Kun je het daarna in eigen geuren en kleuren aan je kinderen doorvertellen. En als je geen kinderen hebt, word je in iedere geval familiekampioen triviant nadat je Duizend dingen gelezen hebt.

Goed nieuws voor de buitenlandse vrienden en aanhang: er komt ook een Engelstalige uitgave. A Thousand Things About Holland verschijnt in mei, je kunt de website hier in de gaten houden.

—-

  • Duizend dingen over Nederland hoort bij het woordloze prentenboek dat vorig jaar uitkwam. Hier meer over dit boek.
  • Tot 8 juli kost Duizend dingen 9,95, daarna 12,50 euro. Isbn 9789047705642.

Veenhuizen

20 april 2013

Als je de eerste hausse voor het nieuwe Rijks wilt afwachten, kun je net zo goed even een ander museum aandoen. Het Gevangenismuseum bijvoorbeeld! Het is niet helemaal in de buurt van de hoofdstad, maar wat is twee uur reistijd op een mensenleven?

Ik vond het al indrukwekkend om door de poort te lopen van het Tweede Gesticht, waar zo veel sloebers voor mij doorheen waren gelopen, een nieuw leven tegemoet.

Ik moet erbij zeggen: we hadden ons al een poosje ingelezen. Dat kan ik iedereen aanraden. Als gevangenis is het geen overweldigende plek; iedereen die een Louis Therouxtje of Discovery-uitzending gezien heeft over de Ergste Gevangenissen Ter Wereld wordt niet omvergeblazen door Veenhuizen. Maar als historische plek is het heel bijzonder.

Voor wie nog niet ingelezen is: in 1818 was er een barmhartige generaal, Johannes van den Bosch, die begaan was met het lot van de armen. De Franse overheersing had het laatste zetje gegeven tot een grote hoeveelheid armoe en ellende en Van den Bosch wilde de vele sloebers een nieuwe kans geven. Hij richtte de Maatschappij van Weldadigheid op en nodigde armlastige gezinnen uit om naar Drenthe te komen. Daar stond een kolonistenwoning voor hen klaar, kregen ze een koe en een stukje land om het Drentse veen te ontginnen.Men mocht er opnieuw beginnen. Naast de losse kolonistenhuisjes werden er grote gestichten gebouwd waar zo’n 1200 mensen onderdak konden vinden.

Johannes van den Bosch had een goed hart. Het experiment was bedoeld om mensen ‘uit de diepte hunner ellende op te heffen’ en op te voeden tot zelfstandigheid, maar algauw bleek dat het niet helemaal uit de verf kwam. Veel stadse paupers hadden nog nooit een koe gezien, laat staan dat het boeren hen van nature goed afging. Bovendien wilden de meeste mensen helemaal niet naar Drenthe, dat algemeen beschouwd werd als het Siberië van de Nederlanden. Maar bedelaars bleven een probleem, dus besloot de Maatschappij van Weldadigheid dat als men niet uit vrije wil naar het veen afreisde, er onder dwang geholpen diende te worden. Zo werden veel schlemielen en landlopers naar Veenhuizen getransporteerd, waar zij op last van de overheid ‘verpleegd’ werden tot een zelfstandig bestaan. Van een lankmoedig initiatief werd het van lieverlee een rijksinrichting.

Het is allemaal te lezen in Het pauperparadijs, een familiegeschiedenis van Suzanna Jansen, een prachtig boek waar je vast al van gehoord hebt. Jansen vertelt op een ontroerende manier de geschiedenis van een deel van haar familie en tegelijkertijd van negentiende- en twintigste-eeuws Nederland.

Voor kinderen is Ver van huis van Martine Letterie een aanrader. Ook hier kwam de inspiratie uit de voorouders van de schrijfster (veel Nederlanders zijn nazaten van Veenhuizense verpleegden), maar anders dan Het pauperparadijs is Ver van huis een fictieve roman over twee meisjes die vanuit negentiende-eeuws Den Haag uit vrije wil naar de veenkoloniën vertrekken.

Het fascinerende aan Veenhuizen vind ik dat het allemaal niet zo lang geleden is. Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw, mijn jaren tachtig, was het hele dorp Veenhuizen nog afgesneden van de rest van Nederland. Als je van de snelweg kwam, mocht je het dorp gewoon niet in, tenzij je de dienstdoende bromsnor kon vertellen wat je kwam doen en specifieke vragen kon beantwoorden, zoals wat de gezinssamenstelling was van de mensen die je ging bezoeken.

Dertig jaar later rijden we er zomaar met een bus doorheen. Een boevenbus, gerestaureerd en gereden door vrijwilligers van het Gevangenismuseum. Ooit de bus waarmee echte boeven en boefjes naar de gestichten vervoerd werden.

Het is een vreemde gewaarwording. Aan de ene kant de folklore van een authentieke bus met tralieramem en een reisleidster die links en rechts wijzend anekdotes door de microfoon vertelt. Aan de andere kant bestaat het dorp echt. Het is geen filmdecor, geen openluchtmuseum. Het is een tijdsbeeld.

Je kunt je voorstellen dat je vanuit de Jordaan hier naartoe gebracht wordt. Zomaar, omdat het leven niet meezit, omdat je de eindjes aan elkaar moet knopen en er telkens een korter stukje overblijft, totdat er niks meer te knopen valt. En dan kom je hier, langs die eindeloze Drentse wegen, dat kaarsrecht uitgegraven kanaal, terwijl je ooms, tantes en buren, de mensen met wie je je altijd gebroederlijk door de pech heengeslagen had, nog in de Derde Leliedwarsstraat wonen.

De directeursvrouw van de Maatschappij van Weldadigheid had geprobeerd wat allure aan het dorp te geven. Zij verzon de namen op de huizen van de ambtsdragers in Veenhuizen, tot verheffing van het volk.

Niet dat je daar wat aan had, als analfabeet uit de Derde Leliedwarsstraat. Maar de bedoeling was goed.

Het Gevangenismuseum is gevestigd in het voormalige Tweede Gesticht te Veenhuizen. Ik verwachtte niet veel van het museum zelf, want ik vond het al bijzonder genoeg om op de plek te zijn waar we over gelezen hadden en dat zo’n onderdeel is van de Nederlandse geschiedenis.

Maar ook de collectie is een reis waard. Op chronologische volgorde loop je door de misdaad- en strafgeschiedenis van 1600 tot nu, van radbraakkruis en pijnbank tot de huidige cellen van bolletjesslikkers.

Er was een kindertour en Philip, Jet en Cato zijn inmiddels experts op dat gebied. Uit de frequentie waarmee speurtochtboekjes in mijn handen gedrukt worden, kan ik afleiden hoe interessant ze het vinden. Als ik degene ben die met drie boekjes en potloden door het museum wandelt, is het meestal geen indrukwekkende queeste. ‘De vloek van Veenhuizen’ bleek een hit.

Het handelt om Gaius, een jongeman uit ‘een ver verleden’ die niet meer bij zijn geliefde Marieke mag zijn.

De vader van Marieke heeft Gaius laten opsluiten in een verborgen cel en alleen een echte speurneus kan de twee geliefden weer bij elkaar brengen.

Laat ik nou een speurneus bij me hebben.

Die hoef je geen knollen voor citroenen te verkopen. Cato zou het ook heel goed gedaan hebben in het Korps Gestichtwacht.

Terwijl Philip, John en ik rondkeken en onze dribbelende peuter bezighielden en voortlokten met een boterhammetje pesto, volgden Jet en Cato alle aanwijzingen die de vloek van Veenhuizen konden opheffen. Ze communiceerden via verwarmingsbuizen en verzamelden geheime codewoorden die hen steeds dichter bij de verborgen gevangeniscel brachten.

Al speurend maakten ze een tijdreis door vier eeuwen strafgeschiedenis en kwamen voorwerpen tegen die Jet al kende uit Ver van huis. Cato moet nog ingelezen worden, maar die heeft op deze manier wat praktijkervaring opgedaan. Ik denk dat ze de slaapkooi niet zal vergeten; zo brachten ze dus echt hun nachten door – uw en mijn voorouders.

Het ziet er vreselijk uit, een kooi die ’s avonds op slot gaat, maar uit de verhalen in Het pauperparadijs blijkt dat veel bewoners de slaapkooi eigenlijk wel prettig vonden. Het was de enige plek waar ze even alleen waren. En het was allicht beter dan de slaapkist die voor epileptici en geesteszieken gebruikt werd.

Ik zal de spanning niet verder opbouwen: ze hebben de vloek opgeheven, hoor. Gaius werd uit zijn geheime cel bevrijd en leeft voor altijd gelukkig met zijn Marieke.

Victoria vond het allemaal prima. Zolang ze haar boterham met pesto maar kreeg.

Laat ik vooropstellen dat ik een buitengewoon slechte trendwatcher ben. Ik bedoel, ik watch ze wel, maar ik kan ze niet voorspellen. Ik hang te veel aan het verleden om me te kunnen voorstellen hoe de toekomst zal zijn. Het heeft lang geduurd voor ik doorhad dat de mobiele telefoon een blijvertje was, zeg maar. Tot zover ingedekt, wil ik me dan nu aan een voorspelling wagen.

Via de ondergrondse kwam een tip van dit nog te verschijnen boek: Over vroeger en nu, verhalen van de canon. En ik voorspel u: het wordt een standaardwerk. Ten eerste omdat het geschreven is door vrouwen die kennis van zaken hebben en ook nog kunnen schrijven. Ten tweede omdat Els van Egeraat het verluchtigd en aanschouwelijk gemaakt heeft. Ten derde omdat het verzorgd uitgegeven is. Het is kwaliteit en schoonheid – meer dan de pakketjes schroot met een dun laagje chroom die de laatste jaren de winkeltafels bezetten; de kleurtjes- en geurtjespagina’s met een fliezeltje verhaal.

Agave Kruijssen is van de goeie Middeleeuwse bewerkingen, Martine Letterie van de mooie geschiedenisboeken (Ver van huis is sinds jaren een lieveling van Jet) en Janny van der Molen kennen we natuurlijk van haar originele heldenboek. Dat belooft veel.


Ik vermoed dat uitgeverij Ploegsma mijn trendvoorspelling reeds opgepikt heeft, want er is een ware standaardwerkprijs aan gekoppeld. Zegge en schrijve 49,95 euro. Vanaf februari 2013 wordt het zelfs 69,95. Mijn prognose (ik ben op dreef) is dat er over twee jaar een goedkopere editie zal verschijnen, maar voorlopig denk ik dat vijf tientjes een mooie prijs is voor 512 pagina’s geschreven geschiedenis. Als je op het plaatje hieronder klikt, opent er een pdf met het eerste verhaal.

Hallo wereld!

6 oktober 2012

Met zo’n thema van de kinderboekenweek is dit het uitgelezen moment om een nieuwe pagina te publiceren.

Om u te dienen: een lijstje aardrijkskundeboeken. Aardrijkskunde in de breedste zin van het woord, dus ook landschap, cultuur en samenleving. Het is nooit compleet natuurlijk, maar het is een beginnetje; mooie jeugdboeken per land gerangschikt.

Nederland, o Nederland

4 oktober 2012

Als je maar één excuus nodig hebt om deze week een kinderboekenwinkel binnen te lopen, laat het dan dit boek zijn. Pagina na pagina versierd met strooigoed van molens, water, geschiedenis, kunst, kinderliedjes en zwarte pietjes.

Ik noem een Afsluitdijk.
Wie pruttelen daar linksonder in hun groen-rode bootje?
Wie willen rechtsboven te kaap’ren varen?
Wie zit daar op de vangrail?
En nog eentje: wie rennen er rechts door de berm?
(Als je het echt niet weet, kijk dan in het taartenboek van Thé Tjong-Khing.)

Of de verkeerschaos bij Schiphol. Een vrachtwagen met pindakaas, sleurhutten, een oliebol op een aanhangwagentje. Met het Cruquiusgemaal in het midden en de Max Havelaarkoffie linksonder heb je zomaar twee canonvensters te pakken; terwijl je met de groten praat over Saïdjah en Adinda, zoeken de kleintjes verder naar het gele ballonnetje dat ergens op de plaat moet zijn.

De stroopwafelkruimels rollen ervanaf, de garnalenschilletjes zitten nog tussen de band. En als je goed snuffelt, ruik je een brak IJsselmeerluchtje. Zo Hollands is Nederland. En daar hadden we een Française voor nodig. Zoals Charlotte Dematons zelf zei in Het Parool: ‘Elke keer heb ik gedacht: is dit iets wat in mijn oorspronkelijke land ook normaal is? Nee? Hopla, dan gaat het erin.’

Hopla, naar de winkel dus. Ter ere van de kinderboekenweek. Of alvast voor 5 december. Vanwege de tekstloze platen is het trouwens ook een prachtig cadeau voor overzeese vrienden of je Spaanse schoonfamilie.

Charlotte Dematons, Nederland
Isbn: 9789047704980
Hier de website van het boek.

Wakarimasu

14 augustus 2012

Het begon ermee dat John in de bibliotheek kwam. Daar was hij de laatst vijvenveertig jaar niet geweest, dus het was een uitje op zich. Wat iedereen weet die weleens in een bibliotheek komt, maar wat mijn duifje nog niet wist, is dat een bibliotheek eigenlijk een snoepwinkel is waar je gratis mag proeven. Een slechte bibliotheek zet prominent snaaigoed neer dat makkelijk wegglijdt en door iedereen snel meegegrist wordt, maar een goede bibliotheek heeft snoep uitgestald dat je zelf niet een, twee, drie zou pakken. Lekkerigheidjes die nieuwsgierig maken. Ze bevatten net wat andere ingrediënten, kunnen je plotseling verrassen of herinneringen losmaken.

Zo ging John alleen om wat boeken terug te brengen en kwam hij thuis met een stapeltje verrassingen, waaronder deze.

Hij koesterde warme herinneringen aan de tv-serie. Ik was te jong toen Shogun werd uitgezonden en het leek me nu allemaal wel erg gedateerd. Maar: immer bereits iets nieuws te proberen.

Het gegeven is sowieso leuk: het eerste Nederlandse galjoen dat Japan bereikte. In 1598 vertrok een Nederlandse vloot van vijf schepen (Hoop, Geloof, Liefde, Trouw en Blijde Boodschap) naar de Straat van Magellaan. Eigenlijk heette een van de boten Erasmus, maar omdat het beter bij de rest paste, werd hij wedergedoopt tot Liefde. Het was het enige schip dat de reis volbracht; in 1600 bereikte het Japan.

De Liefde had een Engelse stuurman, William Adams (de VOC had vaker Engelse bemanningsleden in dienst), die zich na de eerste cultuurschok zo thuisvoelde in Japan, dat hij er nooit meer wegging. Hij werd een volwaardig lid van de samenleving en vertrouweling van de opperbevelhebber, de shogun. Dankzij Adams’ bemiddeling konden de Nederlanders vanaf 1609 handel drijven met Japan.

Niet alles in de serie en het boek klopt met de geschiedenis, maar wel veel. In Shogun heet de Liefde nog Erasmus en is de naam van Adams veranderd in Blackthorn. Meer hoef je eigenlijk niet te weten. De gedateerdheid valt verrassend mee; alleen de schipbreuk in het zwembad op de filmset geeft weg dat de serie 32 jaar oud is. Wat ik zelf gaaf vind, is dat alle Japanse acteurs onvertaald zijn gebleven. Je begrijpt dus net zoveel als de westerse stuurman.

Zo sloop Japan langzaam ons huis binnen. Jet verscheen eens in kimono aan de ontbijttafel.

De wakarimasu’s en anjin-sans vielen steeds vaker. Anjin is Japans voor ‘stuurman’ en wakarimasu betekent ‘ik begrijp het’  – twee uitdrukkingen waar rijkelijk mee gestrooid wordt in de film.

Er moest met stokjes gegeten worden natuurlijk; en Cato en Jet vonden een Japanse theeceremonie noodzakelijk om zich echt goed te kunnen inleven. Dus togen we naar een uitgelezen plek voor drinkkommetjes:  de kringloopwinkel. Alle soorten en maten, bijna Japanser dan in Japan zelf, met de mooiste tekeningen en gouden randjes, zo uit oma’s vitrinekast. Als je daar groene thee uit drinkt, smaakt het veel lekkerder. Let vooral op de blauwe nagellak. Heel Aziatisch. Die keizerinnen hadden allemaal bijzondere nagels.

Victoria bekwaamde zich ondertussen in het laat-middeleeuwse balletje-balletjespel zoals dat gedurende de Edoperiode gespeeld werd in de voorhoven van de tempels in het amitabha-boeddhistische Kamakura. Daar gaan we veel geld mee verdienen.

Er staat alleen nog een bezoek aan het Sieboldhuis op de agenda. Shogun hebben we aangeschaft, de serie is zo mooi en fascinerend dat we hem zeker nog eens zullen kijken.

Ik zeg: domo arigato en sayonara. Maar niet voordat ik afsluit met een van de haiku’s die Jet gemaakt heeft tijdens het project.

Bloemen zijn speciaal
in een vaas of een plantsoen
zolang ze het doen.


  • De dvd-box Shogun is te koop met EAN-code 8714865559437.
  • Het Sieboldhuis doet ook mee aan de museumjeugduniversiteit die in september weer door het hele land van start gaat.
  • Meer ideeën voor een Japanprojectje in de post ‘Verrassingsmap’ (origami, Japanse beeldende kunst).
  • Het boek Learning from Shogun, Japanese History and Western Fantasy geeft een opsomming van feiten en fictie in Shogun. Hier als gratis pdf.
  • Voor de winderige novemberavond als het bamzaaien is gaan vervelen: twaalf triviantvragen over Shogun.
  • Boeken die we erbij gelezen hebben:
    • Claus Stamm, Drie sterke vrouwen,  een verhaal uit Japan. Mooi volksverhaal waar Cato geen genoeg van kon krijgen.
    • Peter Dennis, Aardbeving, vanaf ca. 3000 voor Chr. tot heden uit de serie: Reis door de tijd. Goede serie, goed boek.
    • Annelore Parot, Kimono en Yumi. Snoezige prentenboekjes over een kokeshi, een traditioneel Japans popje.
    • Mary Pope Osborn, Night of the ninjas. Philip en Jet hebben hem bij wijze van uitdaging in het Engels gelezen, maar er is ook een Nederlandse vertaling: In het land van de zwarte krijgers. De hele serie The Magic Tree House van Pope Osborne is trouwens mooi om Engels mee te leren lezen.
    • Arend van Dam, Mart en de Liefde. Verrassend goed verhaal waarin vroeger en nu samenkomen. Het andere boekje van Arend van Dam, De hofreis, en meer in het genre: Achter de rode zon (Mariska Hammerstein), Thijs en de geheime VOC-kaart (Lizette de Koning) waren drie keer niks: slecht verhaal, slecht geschreven of AVI-nulniveau.

Als je je eenmaal in de open zenuw van de Amerikaanse geschiedenis bevindt, blijkt er natuurlijk een hoeveelheid boeken te bestaan waar je een prairie mee kunt bedekken. Veel voegt het niet toe aan de Kleine Huisreeks, maar eentje stak er toch met kop en schouders bovenuit.A Pioneer Story: The Daily Life of a Canadian Family in 1840van Barbara Greenwood en Heather Collins (ill.). 1)

Het kleine huis in Canada dus. Helaas niet vertaald in het Nederlands, maar voor fans van het genre, de Jettes onder ons, wel een erg mooi boek. Bovendien: voorlezen en vertalen gaat misschien wel niet zo snel, maar is wel erg gezellig.

Het boek is prachtig geïllustreerd en vertelt het verhaal van het echtpaar Robertson, hun zes kinderen en een inwonende grootmoeder. Een jaar lang volg je de familie bij hun werk in en rond het huis: schapen scheren, ahornsuiker winnen, naar school gaan, vissen, honing zoeken. Geen opsomming, maar een mooi verhaal met hier en daar wat spanning, karakters die je een beetje leert kennen en genoeg sfeer om je bij te verkneukelen. De verhaallijn wordt afgewisseld met achtergrondinformatie en ideeën om zelf aan de slag te gaan. Samen met de grote tekeningen maakt dat het net een beetje anders dan de Kleine Huisboeken.

Klik op de foto’s om ze iets groter te zien.

Een heel ouwetje is Het indianenboek van Holling C. Holling. 2) Uit 1935 en een begrip in de Amerikaanse kinderboekengeschiedenis. Volgens mij is Het indianenboek zijn enige werk dat ooit in het Nederlands vertaald is.

De titel is natuurlijk volslagen politiek incorrect. Geen ‘inheemse bevolking’ of ‘eerste volken’, maar ouderwets indiaan. Toch is het geen toonzetting over de edele wilde. Holling Clancy Holling beschrijft met overduidelijke sympathie en affectie vier bevolkingsgroepen, indianen uit alle delen van de Verenigde Staten van oost naar west, in een combinatie van informatieve stukken en spannende verhalen uit het alledaagse leven van indianenkinderen. De mooie, gedetailleerde kleurrijke platen en zwart-wittekeningen dragen veel bij aan de charme van het boek.

Om de boel compleet te maken lezen we enkele indianenlegendes. In Omakayas komen wat mythen voorbij, maar ik wil ook twee boeken van Käthe Recheis met de kinderen lezen: Toen er nog bizons waren en Pijljongen en de geesthonden. Recheis is de bekroonde Oostenrijkse kinderboekenschrijfster die veel heeft geschreven over Noord-Amerika. Zij heeft in reservaten de verhalen opgeschreven uit het collectief geheugen van een aantal stammen die verloren dreigden te gaan.

Als we daarna nog niet krankjorum zijn geworden en als dollemannen door het leven gaan in verentooi en beverhuiden rokje, heb ik Longfellows Het lied van Hiawatha op het menu staan. Voor nu is het wat ambiteus, een dichterlijk epos uit 1855, maar eigenlijk hoort ie er wel bij. Veel Amerikaanse kindertjes hebben de eerste regels ervan uit het hoofd moeten leren.

By the shores of Gitche Gumee,
By the shining Big-Sea-Water,
Stood the wigwam of Nokomis,
Daughter of the Moon, Nokomis.
Dark behind it rose the forest,
Rose the black and gloomy pine-trees,
Rose the firs with cones upon them;
Bright before it beat the water,
Beat the clear and sunny water,
Beat the shining Big-Sea-Water.
There the wrinkled old Nokomis
Nursed the little Hiawatha,
Rocked him in his linden cradle,
Bedded soft in moss and rushes.

Henry Wadsworth Longfellow schreef het gedicht om meer respect te vragen voor de oorspronkelijke bewoners; een tamelijk unieke geste halverwege de negentiende eeuw. Naast bewondering kreeg hij ook nogal wat hoon te verduren, onder meer van collega’s die het gedicht meermalen parodieerden. Er zitten erg geestige bij (hier een paar parodieën), zoals die van Lewis Carroll. Alleen al daarom vind ik het de moeite waard om het gedicht in ons leeslijstje op te nemen.

Maar eigenlijk hebben we niet eens een excuus nodig. Want kijk eens wie er ook over gezongen heeft? Meer rechtvaardiging heeft een mens niet nodig.

———————-

1) Op Google Books kun je hier voorbeeldpagina’s bekijken. Het boek heette oorspronkelijk A Pioneer Sampler en is later verschenen onder de titel A Pioneer Story. De inhoud is gelijk, het maakt dus niet uit welke je op de kop tikt. Het boek is mooi genoeg, maar voor wie er geen genoeg van kan krijgen, is er een educatieve bijlage met lessuggesties voor taal, rekenen, wereldoriëntatie en kunst. Hier staat ie in pdf.

Terug

2)  Bij boekwinkeltjes wordt Het indianenboek volop aangeboden.

Terug

Meer negentiende eeuw: