Dialoog (2)

5 mei 2010

Okee, voort met de vragen. Hier de vorige post voor wie hem gemist heeft. Of je klikt op de categorie ‘veelgestelde vragen’ in de onderwerpenwolk in de kantlijn.

‘Wat doe je na de basisschoolleeftijd? Je kunt een kind niet eeuwig blijven thuisonderwijzen.’

Ja hoor, dat kan prima. Sterker nog, in veel landen doen kinderen juist het voorgezet onderwijs thuis, nadat ze niet zulke blije ervaringen gehad hebben op de basisschool.

‘Hoe werkt dat dan? Ga jij je kinderen alle vakken van de middelbare school bijbrengen?’

Nee, gelukkig hoeft dat niet. Er zijn verschillende opties. In Nederland is de meest gangbare op dit moment: staatsexamens. Als je drie vakken per jaar doet, ben je in vier jaar klaar met je vwo. Kun je op je twaalfde beginnen en op je zestiende naar de universiteit. Of je begint op je veertiende en gaat op je achttiende studeren. Of je bereidt je voor op een mbo-opleiding. Alles afhankelijk van de persoonlijkheid en capaciteiten van het kind.

Een staatsexamen kun je voorbereiden via LOI, NTI of NHA; dan krijg je al je boeken en word je begeleid door een privéleraar op afstand. Je begint met de vakken waar je goed in bent en kiest ieder jaar nieuwe.

Er zijn ook educatieve uitgeverijen als Noordhoff die digitaal lesmateriaal aanbieden voor een schappelijke prijs. Een licentie voor een jaar en digitale werk- en tekstboeken. Zo’n werkboek kijkt zichzelf na en bevat geluidsfragmenten en videobestanden. Hier een demo voor het vak Frans, methode Grandes Lignes. De methodes van uitgeverij EPN staan hier. Klik op de methode die je wilt inzien, vervolgens bovenaan op ‘Over de methode’ en daaronder op ‘Digitaal lesmateriaal’. De ePacks van uitgeverij Malmberg vind je hier. Per methode kun je linksonder klikken op ‘Demo van het ePack’.

Verder is er de mogelijkheid van schoolonderwijs thuis. Daarbij schrijf je je in op een school die afstandsonderwijs aanbiedt, zoals Clonlara. Zij werken met credit hours, het aantal uur dat je aan een vak besteedt, en maandelijkse rapportages. Aan het eind van de rit heeft je kind een volwaardig high school diploma waarmee het naar een hbo of wo kan.

In Amerika is het ook vrij gangbaar om op basis van een portfolio te worden toegelaten tot een universiteit of college. Met een portfolio laat je zien wat je de afgelopen jaren hebt gedaan: welke boeken je hebt gelezen, de werkstukken en excursies die je hebt gemaakt, workshops die je hebt gevolgd. Wie weet kan dat hier over een aantal jaar ook.

‘Als je kind ooit een baan wil, moet het toch schoolonderwijs genoten hebben? Zonder opleiding kom je tegenwoordig nergens. Is zo’n kind niet totaal ontvreemd? Waarom zou hij nu ineens wel onderwijs aankunnen?’

Zie de vorige vraag. Je kunt gewoon een middelbare schooldiploma halen terwijl je thuisonderwijs geeft. En thuisonderwijskinderen redden zich uitstekend op een vervolgopleiding.

In de VS is meer onderzoek gedaan naar deze groep, omdat daar a) meer kinderen zijn die thuisonderwijs krijgen (ongeveer twee miljoen) en b) het fenomeen al langer bestaat. Daar zijn thuisgeschoolde kinderen van harte welkom op Ivy League-instituten als Harvard, Brown en Yale. Er zijn ook universiteiten die juist thuisonderwijskinderen werven, omdat deze studenten naar hun mening erg gemotiveerd zijn en goed zelfstandig kunnen werken.

Een paar links:

Daarbij, een hbo of universitaire opleiding is iets heel anders dan een middelbare school. Je hebt weinig ‘ruis’ van vakken die je helemaal niet liggen en die je nooit nodig zult hebben. Je hebt specifiek iets gekozen wat je leuk vindt.

Niet onbelangrijk ook: je bent volwassener, je hersenen zijn gerijpt en je weet dus beter wat je wil. Uit onderzoek is gebleken dat het deel van de hersenen waarmee je keuzes maakt en gevolgen kunt overzien (de prefrontale cortex, voor de triviantverzamelaars onder ons) pas na het 24e levensjaar volledig ontwikkeld is. De Maastrichtse hoogleraar neuropsychologie en psychobiologie Jelle Jolles zegt daarover:

‘Complexere vormen van plannen – anticiperen, plannen voor de langere termijn – […] zijn uitgerekend vaardigheden die pas helemaal aan het einde van de hersenontwikkeling gaan rijpen. Datzelfde geldt voor het vermogen om de consequenties van bepaalde beslissingen te overzien. Maar ondertussen moeten adolescenten wel zeer cruciale beslissingen nemen over het studieprofiel dat ze willen gaan volgen.’

Het citaat heb ik overgenomen uit een artikel in J/Malinea ‘School en studiehuis’ (pagina 43 rechts onderaan).

‘Ik heb veel aan je blog, maar soms overweldigt het me ook een beetje. Als ik jouw site lees denk ik: dat kan ik nooit!’

Dat is natuurlijk een fijn compliment, maar wel onverdiend. Het blijft een blog. En dat is geen weergave van de hele werkelijkheid. Zelf lees ik blogs van anderen zo: als stukjes die de schrijver jou wil laten zien.

Alleen, die kennis werkt in de praktijk niet helemaal. Als je onzeker bent of niet lekker in je vel zit, dan lees je in de verhalen van anderen vooral je eigen falen. Je laat je overweldigen door alles wat die ander kan en meemaakt en daar steken je eigen armetierige verhalen op zo’n moment schril bij af. Dat heb ik zelf natuurlijk ook wel ondervonden bij het lezen van andermans blog. Maar dan helpt het om de dingen in perspectief te zien.

Ik heb ervoor gekozen op mijn blog vooral de dingen te laten zien die ik wil onthouden, voor later. Meer dan een dagboek waarin ik mijn twijfels en zieleroerselen zou blootgeven, zie ik dit blog als een fotoboek. Daarin plak je plaatjes van feestjes, mooie gebeurtenissen, vakanties, dagelijkse dingen, hier en daar een gebroken been, momenten die een foto waard waren.

Dat betekent dat het niet de hele realiteit weergeeft. Die indruk kun je wel krijgen omdat alles achter elkaar geplakt staat; alsof we van de ene academische vaardigheid in de andere culturele excursie rollen, maar zo is het natuurlijk niet. Bovendien post ik maar zo’n tien keer per maand, dus er zijn nog twintig dagen over waarop we verder leven.

Daarnaast wil ik met het blog wat meer duidelijkheid geven over een schimmig fenomeen als thuisonderwijs, met links die ikzelf kan gebruiken en waarvan ik hoop dat een ander er ook iets aan heeft.

Dialoog (1)

28 april 2010

Het veelgesteldevragenseizoen is weer geopend. Ik krijg wel vaker mails met vragen over thuisonderwijs, maar soms is het drukker dan anders. De komende tijd zal ik een paar terugkerende vragen beantwoorden van mensen die thuisonderwijs willen gaan geven of er net mee begonnen zijn. In het land der blinden is eenoog koning, dus als je zoals ik een tienjarige zoon hebt, ben je al gauw ervaren.

Het is een vrij letterlijke weergave van de mailwisselingen die ik gevoerd heb, de vraagstelling heb ik zo uit de mails overgenomen.

Stel, zo’n kind is veertig, wat voor type is het dan? Een ‘alleenganger’ die zich afzondert van de maatschappij? Of juist een sociaal iemand die dankzij thuisonderwijs een veilige basis heeft en daardoor sterk is?

Mag ik deze vraag herformuleren?

Stel, een schoolgaand kind is veertig, wat voor type is het dan? Een meeloper, die op school niet genoeg leiderscapaciteiten had om het baasje van de klas te zijn – maar net genoeg binnen de groep viel om niet gepest te worden? Een underdog, die in zijn kinderjaren telkens afgezeken werd? Een weifelaar, die geen keuzes kan maken omdat andere mensen zijn agenda altijd bepaald hebben? Of een alleenganger die zich afzondert van de maatschappij, omdat hij de eerste achttien jaar van zijn leven tussen dertig mensen gezeten heeft die voortdurend met elkaar in competitie waren en hij dat helemaal zat was?

Ik wil maar zeggen: wie kan er überhaupt voorspellen wat voor mens je kind op zijn veertigste zal zijn? Tot op heden zijn alle ‘alleengangers’ in Nederland, alle zonderlingen, alle verschoppelingen allemaal schoolkinderen geweest. School is dus geen garantie voor het opkweken van sociale wezens.

Sterker nog, uit onderzoeken díe gedaan zijn, blijkt dat thuisonderwezen kinderen socialer zijn: minder ruzies bij het spelen, elkaar meer gunnen, gelukkiger volwassenen. Hoewel thuisonderwijs geen grote prioriteit heeft bij wetenschappelijk onderzoek (het is immers een klein percentage), zijn er toch tamelijk wat studies gedaan. Je kunt ze allemaal opzoeken; deze drie vind ik zelf duidelijk:

Deze resultaten kunnen in twijfel getrokken worden door mensen die tegen thuisonderwijs zijn, maar zulke twijfel is alleen gebaseerd op een ‘gevoel’. Hetzelfde gevoel waarmee ik kan zeggen: ‘Ik denk dat dát willekeurige kind zal opgroeien tot een ongelukkige veertigjarige.’ Nergens op gebaseerd, behalve op mijn gevoel.

Natuurlijk worden niet alle thuisgeschoolde kinderen sociale uitschieters. Thuisonderwijs is juist fijn voor kinderen die niet uitblinken in groepsprocessen – en ook die worden groot. Maar in principe zijn alle ‘gevoelens’ over achter de geraniums wegkwijnende rariteiten nergens op gebaseerd.

Laat mensen nou eens met één tegenonderzoek komen. Eentje maar, waaruit blijkt dat thuisonderwezen kinderen asocialer of eenzelviger worden dan schoolgaande kinderen. Dan praten we weer verder.

Een thuisonderwijskind zal altijd een uitzondering zijn. Kinderen hebben het onderling over schoolse zaken en een thuisondewijskind valt daar buiten.

Ja, een kind dat thuisonderwijs krijgt, zal altijd een uitzondering zijn. Zelfs in landen waar het ronduit mag, wordt het maar door 3 procent van de schoolkinderen genoten. (Waarmee meteen de angst uit de wereld geholpen mag zijn dat ‘iedereen het gaat doen’, als de acceptatie in Nederland groter zou zijn.)

Nee, kinderen hebben het onderling niet voornamelijk over schoolse zaken. Alle vriendjes en vriendinnetjes van mijn kinderen die hier over de vloer komen (de meeste zijn tussen de zeven en twaalf jaar) hebben het nauwelijks over school. Ze spelen gewoon, of ze praten. Over van alles, maar school is echt niet het hoofdonderwerp. Ik ben altijd degene die vraagt: ‘Hoe was het op school?’ of ‘Is er nog iets leuks gebeurd?’ en negen van de tien keer krijg ik een één-woord-antwoord: ‘goed’ of ‘nee’. Daarna gaan hun gesprekken verder over dingen die ze belangrijk vinden. 

Bovendien is het alleen akelig om een uitzondering te zijn, als het een vervelende uitzondering betreft. Als het een uitzondering is waar je zelf gelukkig mee bent, zit je er meestal niet zo mee. Als je contrabas speelt, ben je ook een uitzondering. Of als je op cricket zit. Als je hindoe bent in Nederland, geen Pokemon kijkt, als je ouders geen auto hebben, als je op de Vrije School zit of op een Leonardoschool.

Wanneer je tot een minderheid behoort, moet je vaak motiveren waarom. Niet alleen naar andere mensen toe, maar ook naar jezelf. Dat is niet altijd gemakkelijk, maar het scherpt je wel.

Goed, thuisonderwijs is een curiositeit in Nederland. In België is het al een stuk normaler, in Groot Brittanië en Amerika is het gewoon een optie.

Nee, dat is niet vanwege de afstanden. Die miljoenen thuisonderwezen kinderen wonen echt niet allemaal op de Kansas prairie vanwaar zij met een krakerige telefoonverbinding contact zoeken met een leraar in de bewoonde wereld. Het is een optie waar ieder gezin om haar moverende redenen voor mag kiezen. Een kind dat verzwolgen werd door de structuur van een school. Een kind dat ten onder ging aan het groepsproces dat sociaal heette te zijn. Een kind dat thuis veel meer leert. Of ouders die gewoon een aanzienlijk deel van hun tijd willen doorbrengen met de kinderen die zij op de wereld hebben gezet.

In Nieuw Zeeland kun je zelfs een toelage krijgen. Op zich niet zo vreemd, want een thuisonderwijzend gezin bespaart de overheid flink wat geld. In Nederland 5600 euro per jaar voor een basisschoolleerling en zo’n 7500 euro voor kind op het voortgezet onderwijs (bron: website Rijksoverheid).

Toch zijn er landen waar thuisonderwijs resoluut verboden is. Dat zijn er weinig. Eigenlijk is het alleen onmogelijk in Noord-Korea (waar wel meer onmogelijk is) en in de Duitse deelstaten. Maar in ieder land zijn er mensen die blijven doorzetten om het beste voor hun gezin te bereiken. Ook als er bij thuisonderwijs drie maanden gevangenisstraf gevonnist wordt. Per ouder. Ook als hun bankrekening geblokkeerd wordt, als chantagemiddel om de kinderen niet langer thuis te onderwijzen.

Afgelopen dinsdag zond ZDF een prachtige documentaire uit over twee gezinnen die thuisonderwijs geven in Duitsland. Eén gezin met zeven kinderen waarvan de ouders gekozen hebben voor een minder overvloedig salaris, zodat zij zich allebei kunnen wijden aan het onderwijs van de kinderen.

En één unschoolend gezin met twee kinderen. Unschoolen betekent dat ouders ervan uitgaan dat hun kinderen uit eigen motivatie zullen leren wat zij nodig hebben in een arbeidzaam leven. In dit geval kozen de kinderen ervoor om vroeg op te staan en zich aan wiskunde, Engels en Spaans te zetten, zodat zij ’s middags tijd konden maken voor andere dingen.

De hele uitzending duurt dertig minuten. Zolang het een internetleven beschoren is, kun je het hier terugkijken op de programmasite. Unterricht am Küchentisch, een documentaire van Gregor Bialas.

Hoe doe je het!

5 november 2009

‘Weet je, Jet’, zei Philip, ‘als je iets graag wilt, moet je er juist niet op hopen. Dan kan het alleen maar meevallen. Zoals nu, ik dénk dat er geen schone onderbroeken in mijn la liggen, maar ik ga toch even kijken.’

la

Er zijn mensen die niet begrijpen waarom ik er geen baan bij neem: ‘Wat doe je nou zo’n hele dag?’

Er zijn ook mensen die juist vragen hoe ik het voor elkaar krijg, thuisonderwijs geven en voorbereiden én een peuter én al die andere dingen die er bij iedereen dagelijks bij komen.

Ik kan u zeggen, sommige van die dingen schieten er weleens bij in.

Mount Washmore

Doen wat bij je past

4 juni 2009

In de populaire serie ‘Veelgestelde vragen’ vandaag:

Kost thuisonderwijs geven veel moeite?

Gek eigenlijk. Eerst maken mensen zich zorgen of thuisgeschoolde kinderen niets tekortkomen, en als zij vervolgens zien wat deze gezinnen ondernemen, zeggen ze soms vermoeid: ‘Wat een gedoe. Zou niks voor mij zijn.’ 

Iedereen die weleens afwijkende keuzes maakt, weet: je doet het als minderheid niet snel goed in de ogen van toeschouwers. Maar om de hoofdvraag te beantwoorden, je kunt van thuisonderwijs net zo’n toestand maken als je zelf wilt. 

Ik benadruk nog maar eens dat mijn verhaal niet hét thuisonderwijsverhaal is. Net zoals je aan de hand van het weblog van één moeder met een schoolgaand kind niet kunt zien hoe alle families met schoolgaande kinderen hun leven leiden.

Dit weblog is geen mal om het juiste onderwijs uit af te gieten. Het gaat slechts over wat míj aan het hart ligt. Dat is het mooie van het onderwijs zelf ter hand nemen, dat je jouw waarden en passies kunt overbrengen op je kinderen. Ouders met groene vingers kunnen met hun kinderen veel tijd doorbrengen in de tuin, mathematisch aangelegde ouders kunnen het wonder van de wiskunde keer op keer overbrengen, crea-ouders kunnen losgaan met de pottenbakkersschijf. 

En ik hou van verhalen. Verhalen op papier, verhalen achter schilderijen, piepjonge verhalen of verhalen van lang geleden. Mooie verhalen. Dus dat wil ik mijn kinderen meegeven. Ik hou ervan om samen op stap te gaan, verhalen op te zoeken en te delen, in musea en bij andere mensen. Om de dingen aan den lijve te ondervinden, de wind en het zand op het strand te voelen en de geiten op de kinderboerderij. Ik heb gemerkt dat alles in ons huis fijner gaat als de tv en (spel)computers niet zo vaak aan staan, dus we hebben een lekker ritme waarin we veel voorlezen en veel tijd aan tafel doorbrengen met spelletjes spelen, eten, drinken en ouwehoeren. Ik heb een echtgenoot die daar hetzelfde over denkt en zijn interesses met de kinderen (en met mij) deelt. Het is ons ritme.

Dat wil niet zeggen dat thuisonderwijs op die manier uitgevoerd moet worden. Het kan ook door veel muziek te maken en veel minder te lezen. Of door juist niet op stap te gaan, maar in en om het huis te scharrelen. Ik schreef het al in mijn introductie:  zoveel mensen zoveel manieren. 

Er zijn mensen die het hele boekenpakket van de school om de hoek overnemen. Je hoeft geen buitenlandse rekenboeken te gebruiken, je kunt ook gewoon vertrouwen op de expertise van het basisonderwijs. Dan werk je dagelijks per vak, houdt je kind het groepsniveau van een school aan en hoef je niets meer uit te zoeken over methodes of niveaus. Je informeert welke lesmethode zij voor ieder vak gebruiken en vervolgens bestel je één exemplaar van al die boeken via de school. Oudere boeken, lesmethodes waar een nieuwere versie van verschenen is, kun je vaak gratis ophalen; school is allang blij ervan af te zijn en de boeken voldoen vaak uitstekend. Op deze manier volg je een schoolprogramma, maar werk je minder uren per dag dan een school, omdat je een-op-een sneller klaar bent.

Er zijn ook thuisonderwijzers die juist geen enkel programma aanhouden. Zij nemen de dag zoals hij komt, hun ritme is gebaseerd op het ritme van hun leven. Deze kinderen gaan niet aan de slag met werkboeken, tenzij ze er zelf om vragen. Zij leren lezen wanneer het hun tijd is en ‘doen aan’ rekenen en aardrijkskunde als dat in hun leven van pas komt. Je zou kunnen zeggen dat deze thuisonderwijzers het minste ‘gedoe’ hebben. Weinig vaste kosten, weinig druk. Aan de andere kant zijn deze ouders vaak gedreven om te faciliteren in de interesses van hun kinderen. Het vergt inspanning en inventiviteit om te volgen waar je kind naar toe wil: je moet op zoek naar een coöperatieve electricien als jij niks weet van het stroomnetwerk en je kind wil daar wel mee aan de slag. En als je dochter van plan is om een krant uit te geven, dan moet je voorzien in opmaakprogramma’s als QuarkXPress of in journalistieke contacten. Omdat deze onderwijsfilosofie (unschooling) gebaseerd is op leren vanuit het kind, zijn de ouders op een andere manier druk. Niet met schema’s en lesboeken, maar door hun kind te helpen zijn plannen te verwezenlijken.

Er zijn ook thuisonderwijzers die een programma volgen dat nog veel intensiever is dan wat Nederlandse kinderen op school krijgen. Deze gezinnen beginnen bijvoorbeeld al vroeg (op zesjarige leeftijd) met Latijn en houden dagelijks een gestructureerd, vol programma aan. Dit vergt op een andere manier inspanning van de ouders. Zij moeten meer onderzoek doen naar materialen, hechten meer waarde aan structuur en zijn vaak meer geld kwijt aan thuisonderwijsbenodigdheden, maar hebben dat er graag voor over.

Voor al het thuisonderwijs geldt: je bepaalt zelf hoeveel het je kost. Je doet wat bij jouw gezin past. Wat veel lijkt voor de een, is weinig moeite voor de ander. Ik geniet van voorlezen, dus kost het me geen moeite. Mijn kinderen worden er gelukkig van, en daarom ik ook. Als je er niet aan moet dénken om samen met je achtjarige Latijn te leren, dan is de klassieke methode waarschijnlijk niet iets dat bij jouw gezin past. Als je een museumjaarkaart er van z’n lang zal ze leven niet uithaalt, dan moet je hem natuurlijk niet kopen.

Doe wat bij je past. Uit recent onderzoek (pagina 10 e.v.) is gebleken dat thuisonderwijzers per week gemiddeld vijftien uur besteden aan ‘formeel’ leren – met de boeken op tafel, zeg maar. Dus blijft er heel veel tijd over om te wijden aan passies en hartstochten. En dat is iets wat alle thuisonderwijzers gemeen hebben.

Nieuwsflits.

In opdracht van de staatssecretaris van Onderwijs heeft het SCO-Kohnstamm Instituut een onderzoek gehouden onder thuisonderwijzers in Nederland.

Enkele citaten uit het onderzoeksrapport:

‘Hoe komt het dat met thuisonderwijs goede resultaten behaald kunnen worden? Op deze vraag zijn enkele antwoorden te geven die aannemelijk maken, dat de goede resultaten in feite niet eens onverwacht zijn. Uiteenlopende onderwijskundigen hebben vastgesteld dat één-op-één instructie, de vorm waarbij voor elke leerling een leraar beschikbaar is, de effectiefste onderwijsvorm is […].’

‘[…] Praktisch alle ouders [zijn] van nature uitstekende coaches voor hun kinderen, bijvoorbeeld als het gaat om het leren lopen, zindelijk maken en de vroege taalontwikkeling. Van belang daarbij is dat ouders flexibel kunnen reageren op wensen en behoeften die kinderen uiten, bijvoorbeeld ten aanzien van de onderwerpen waarvoor ze belangstelling hebben of de activiteiten waar hun voorkeur naar uitgaat.’

‘Medlin (2000) wijst op de onnatuurlijke scheiding naar leeftijd die de meeste schoolklassen kenmerkt. Dat maakt schoolklassen in sociaal opzicht een arme leeromgeving. Ze bieden kinderen nauwelijks mogelijkheden om zich op te trekken of te spiegelen aan het gedrag van oudere of rijpere leerlingen.’

Verder omvat het eindrapport de volgende vijf onderzoeksvragen.

  1. Ontvangen alle leerplichtigen die op grond van artikel 5 onder b zijn vrijgesteld een vorm van onderwijs? Zo ja, welke vorm (particulier onderwijs, thuisonderwijs, een mengvorm, anders)?
  2. Wat houdt het onderwijs in en waarop is het gericht?
  3. Hoe wordt het onderwijs vormgegeven?
  4. Hoe denken ouders over toezicht?
  5. Wat zijn de belangrijkste knelpunten die ouders ervaren (bijv. bij de doelenkeuze, de vormgeving van het onderwijs, financiële problemen)? Hoe lost men deze op en welke hulp heeft men hierbij nodig?

Ik zou zeggen: ga er even lekker voor zitten. Wij hebben er ook aan meegewerkt. Dit is de link naar het hele rapport:
Vervangend onderwijs aan kinderen van ouders met een richtingbezwaar (pdf)

De Vraag

22 januari 2009

Varen met thuisonderwijsgroep ~ mei 2008

Daar is ie dan, De Vraag. Waarschijnlijk de eerste die bij iedereen opkomt als thuisonderwijs ter sprake komt. Dat cognitieve geloven we wel. Dat je een-op-een sneller leert, is logisch. Maar:

‘Missen thuisonderwijskinderen niet het sociale aspect?’

Als ik verder vraag, weten mensen vaak niet wat ze precies met dat sociale bedoelen. Iets met vriendjes. Maar wát dan met vriendjes? Zes uur per dag naast een vriendje zitten, zonder met dat vriendje te mogen praten of spelen – twee pauzes uitgezonderd?

De sociale pikorde op het schoolplein? Met een leider, wat meelopers en toeschouwers, waarbij meestal het recht van de sterkste geldt, omdat juf geen ogen in haar achterhoofd heeft? Als je één keer hebt gezien hoe jouw kind het slachtoffer is geworden van die rangorde, van een groter kind dat haar van haar fietsje trok, weet je dat dit sociale aspect geen reden is om je kind eraan bloot te stellen.

Kinderen worden niet sociaal van bij elkaar zijn. Iemand moet het ze leren. Iemand moet ze erop wijzen dat je anderen moet behandelen zoals je zelf behandeld wilt worden. Telkens weer.

Ik krijg regelmatig het argument dat kinderen die op school gepest werden, daar later sterker uit kwamen. Maar je wordt niet sterk van uitlachen, slaan, buitensluiten. Je wordt sterk van een veilige omgeving, waarin je fouten mag maken en kunt zijn wie je bent, zodat je een massa zelfvertrouwen opdoet. Pesten toelaten om een kind sterk te laten worden is zoiets als weerstand opdoen door onder tbc-lijders te verkeren. Daar krijg je geen weerstand van, daar word je ziek van.

Er is in Amerika wetenschappelijk onderzoek gedaan naar het verschil in sociaal gedrag tussen thuisonderwijskinderen en schoolkinderen. Henk Blok gebruikt het in zijn artikel over sociaal-emotionele ontwikkeling, dat rechts bovenaan dit blog in de sidebar staat. Omdat veel mensen niet het hele artikel willen lezen, heb ik hier een korte, Nederlandstalige samenvatting gezet van dat socialisatie-onderzoek tussen schoolkinderen en thuisgeschoolde kinderen.

Maar thuisonderwijskinderen krijgen toch geen goede afspiegeling van de samenleving?’

Hoe fijn een schoolklas ook kan zijn, het is geen afspiegeling de samenleving. Het is een afspiegeling van jouw leeftijd en de buurt waarin je woont. Als je in een goede buurt woont, zie je iedere dag jouw soort kinderen in de klas. Dat soort kinderen zit niet op school in de achterstandswijk – en omgekeerd.

Thuisgeschoolde kinderen krijgen een andere afspiegeling van de samenleving. Ze zien de hele dag door mensen van verschillende leeftijden en sociale achtergronden. Als ze meegaan naar het stadhuis als ik mijn rijbewijs moet verlengen, als we boodschappen doen, als ze spelen met hun vrienden uit de buurt, van de kerk of sportvereniging, als we met thuisonderwijsgezinnen uit andere plaatsen afspreken, waar meer leerstijlen, religies en gezinsvormen vertegenwoordigd zijn dan op welke willekeurige school, of gewoon tijdens een van onze uitstapjes (zie ‘Veldwerk’ voor onze maandelijkse activiteiten).

En wat ‘je latere leven’ betreft: later zit je nooit meer in een werksituatie met dertig mensen van precies dezelfde leeftijd en één leider. Later kun je pesterijen ontvluchten, door een andere baan te zoeken. Later staat er een bataljon therapeuten klaar als je iets naars overkomen is. Ook in gevallen die niet in verhouding staan tot wat sommige kinderen op school meemaken (illustratief: toen onze autoradio gestolen was, werd bij de aangifte gevraagd of wij behoefte hadden aan slachtofferhulp). Later wordt het fysieke geweld zoals dat op scholen voorkomt, resoluut bestraft. Als ik de auto van de buurman wil hebben, mag ik hem niet op zijn gezicht slaan en zijn sleuteltjes afpakken. Als zoiets onder kinderen gebeurt, heet dat ‘er samen uitkomen’.

Ik hoor nog wel eens dat je door thuisonderwijs je kind buiten de groep plaatst. Dat er een soort gemeenschappelijk verleden is waaraan je je kind onttrekt – iedereen is immers naar school geweest. Dat vind ik zelf nooit zo’n hele sterke. Weet je, Studio Sport is ook een gemeenschappelijk verleden. Miljoenen mensen willen met het bord op schoot de zondagavond beginnen. Toch voel ik me in geen enkel opzicht buitengesloten omdat ik dat niet doe.

Onze kinderen maken óók vervelende situaties mee. Als ze buitenspelen, bij vrienden, op hun (sport)clubs. Dat is geen exclusief voordeeltje van school. Maar mijn kinderen hoeven er geen zes uur per dag aan onderworpen te worden. Ik vind het prettig dat ze minder van de sociale druk ervaren die onder leeftijdsgenoten heerst. Ten minste een van mijn kinderen is nog wel eens gevoelig voor wat andere mensen denken – reden temeer om hun originaliteit en inventiviteit te koesteren.

En ja, ze moeten ook rekening houden met elkaar, kennen ook frustraties als ze iets moeten doen, ervaren ook tegenslagen als een som niet lukt. Het zijn net gewone mensen.

Hier meer Veelgestelde Vragen.