Eindelijk

1 juli 2010

De Kings High Scent bloeit.

Een van de experimentele zaadjes die ik dit jaar plantte. Nooit eerder gezien, nooit eerder geplant, gekocht op vertrouwen. Maar terwijl alle andere erwten allang bloeiden en vrucht droegen, bleef de Kings High Scent akelig stil. Tot vandaag.

O, die geur. Friszoet, bloemig, subtiel maar alomtegenwoordig. Ik had geen fototoestel mee naar het tuintje, dus ik heb het tuintje meegenomen naar het fototoestel.

En wat ze je niet vertellen op de site van De Nieuwe Tuin, maar waar je pas achter komt als je de zaden plant: een bloeiende Kings High Scent betekent zomer.

Op weg van het tuintje passeerde ik een groep hardlopende mannen, type jonge marinier, overeenkomstige borstomvang en sixpack, ontbloot torso.

Normaal ben ik erg voor het discreet bedekken van lijven, maar nu dacht ik: ach, die jongens hebben het óók warm. Bovendien is er vast een heel belangrijke reden waarom ze zich zo met onbedekte, bronskleurige bovenlijven moeten inspannen. Eigenlijk kun je daar alleen maar mededogen mee hebben.

Dus wat deed ik? Ik heb ze voorrang verleend en vol mededogen nagekeken. Zo vol ontferming was ik, dat ik bijna op een langsrijdende auto botste. Allemaal door de Kings High Scent. Het is zomer.

Tussentijdse evaluatie

19 juni 2010

Op de vijftiende dag van de derde maand in het tweede jaar van het gelukkige bezit van een volkstuintje, kon het tuinierende thuisonderwijzergezin een voorzichtige balans opmaken. 

Wij stellen vast

  • dat 30 vierkante meter inderdaad twee keer zoveel werk is als 15 vierkante meter
  • dat alle erwtengewassen prachtig bloeien en lekker ruiken
  • dat het echt bijzonder is om de erwtenbloesem te zien transformeren in een heuse peul, zoals de kapucijner

  • dat vier erwtenplanten echter te veel van goede is, zeker als het vier klimmende gewassen zijn, aangezien het buitengewoon veel werk is om de ranken telkens op te binden en te zorgen dat ze niet verstrikt raken in de netten – als je ze niet opbindt, waaien ze stuk, als je er geen net overheen doet, worden ze opgegeten door de ganzen
  • dat er volgend jaar dus gekozen gaat worden uit óf kapucijners, óf doperwten, óf sugar snaps, óf lathyrussen
  • dat het zonnebloemenhuis het goed lijkt te doen, getuige deze fundamenten 

  • dat naast kropsla, pluksla, radijsjes en snijbiet, ook paksoi en rucola succesvolle, gemakkelijke en snelle gewassen blijken te zijn – mits onder net, want ook ganzen houden van een gemakkelijke en snelle maaltijd
  • dat je niet perse een gieter hoeft te gebruiken om planten (en andere organismen) water te geven

  • dat het concept vierkantemetertuin leuk is, maar dat het ook een hoop werk is voor iets wat je gewoon in rijtjes kunt zaaien
  • dat het niet handig is om je briefje kwijt te raken waarop je gezet hebt welke plant je in welke tegel gezaaid hebt, omdat je dan niet meer weet wat onkruid is

  • dat het belangrijk is om twee keer per week naar je tuin te gaan om te wieden, zodat alle opzettelijk geplante dingen ook echt kunnen groeien 

  • dat je ook in volkstuinen moet uitkijken voor sluipschutters

omdat zij zich op de gekste plaatsen schuilhouden.

Flora

26 mei 2010

Zo’n tuintje boort sluimerende interesses aan. Als je bezig bent met iets dat daadwerkelijke inspanning vergt, ga je je dingen afvragen. Hoe eten planten eigenlijk? Ja, door hun wortels. Maar hoe dan? En waarom zegt iedereen dat bomen en planten belangrijk zijn voor het milieu? Hoe maken ze dan zuurstof?

Hups, aan de fotosynthese. En dan blijkt het lastig om daar iets over te vinden voor niet-volwassenen. Het enige jeugdboek in onze extensieve stadsbibliotheek dat ook maar iets over het effect van zonlicht op blaadjes beloofde, heette Planten voeden zich met zonlicht en nog veel meer over planten. De titel klonk veelbelovend, maar daarmee was eigenlijk ook alles gezegd. De enige zin in het boek die in de buurt kwam, was: ‘Planten maken voedsel van zonlicht met behulp van de groene kleur uit hun bladeren.’

Op goed geluk haalde ik Bio-Bits in huis, schooltelevisie voor de eerste klassen van het voortgezet onderwijs. In de reeks ‘Planten’ bleek botanie aantrekkelijk gemaakt voor leerlingen in de hormonaal piekende leeftijd. Jongen wil meisje versieren, vader van meisje heeft rozenkwekerij, jongen wil ‘alles over planten’ leren zodat hij indruk kan maken op meisje. En ja hoor, ook fotosynthese kwam langs. Uitgelegd in vet coole frasen uiteraard, zodat Philip en Jet en passant nog wat streetwiseheid meekregen.

Als tegenhanger hadden we David Attenborough, die met zijn deftigste Engels alles weer goedmaakte.

En zo rolden we van het een in het ander. Jet kwam in haar Kleine Huis-boeken planten tegen die ze uit onze minimoestuin kende. Als de familie Wilder in Het kleine huis op de heuvel (twaalfde boek van de serie, soort epiloog) naar de staat Missouri verhuist en daar allemaal nieuwe gewassen tegenkomt, mogen de kinderen in het boek niet zomaar alles eten waar ze in het bos tegen aanlopen. Om uit te vinden of iets eetbaar is, moeten ze het eerst aan de paarden voorhouden. Als die het lusten, is het goed en mogen de kinderen het ook eten.

We lazen natuurlijk weer in Ruik eens wat ik zeg. Over struiken die met elkaar praten via hun wortels, bloemen die de hulp van insecten inroepen of sos-signalen sturen naar soortgenoten. Over bomen en planten die zichzelf giftig maken als er te veel van hun bladeren gesnoept wordt: versgemaaid gras dat zo lekker ruikt voor ons, terwijl het eigenlijk naar planteneters roept: ‘Ik ben niet gezond voor je.’

Maar er gaat niks boven het echte werk.

Onze bloemkoolplanten zijn niet zo goed in communiceren, hebben we gemerkt. Niks geen sos-signalen, ze hebben zich gewoon kaal laten vreten door de ganzen.

Daarom hebben we ze een handje geholpen. Net als de paksoi en de rucola, die ook ondekt waren door de ganz locker rondwandelende vogels.

(Het idee voor de vogelverschrikker annex windorgel kwam uit het Tuinwerkboekje voor kinderen – zie hieronder.)

Maar de tuinbonen doen het goed, man. Nooit geweten dat tuinbonenbloesem zo heerlijk ruikt. Dat is vast bedoeld om mensenneuzen te behagen, zodat ze extra goed voor de planten zorgen. Hier, geniet er nog maar eens even van.


Handig

Waar ik normaal met een haakwerkje in het schemerdonker voor het raam zit, neerkijkend op mijn kinderen die in smoezelige kleren tussen het straatvuil spelen, een varkensblaas als voetbal, daar heb ik de laatste dagen de pennen neergelegd en mijn kiekens bijeen vergaard om ons te begeven in ons eigen stukje natuur. Voorwaar een rijk bezit.

Groeizaam

31 maart 2010

Nou niet narrig lopen doen over die regen.

Het is groeizaam weer. Dat hebben we nodig. Vorige week hebben wel al een begin gemaakt met het tuintje, moet je weten.

Een beetje anders dan vorig jaar, want al doende leert men. Om te beginnen hebben we nu een riante 30 vierkante meter in plaats van 15. Ik weet van gekkigheid haast niet wat ik moet zaaien.

Naast alles van vorig jaar hebben we nu ook rijsgewassen: planten die de hoogte in gaan. Kapucijners, sugar snaps. Die moeten ‘op gaas’ zoals dat onder tuinders heet; maar hoe ga je op gaas in een volkstuintje zonder muur of steun om het gaas aan vast te maken?

Ik vroeg het aan de mensen van De Nieuwe Tuin en kreeg een fijne, simpele oplossing. Neem een stuk tuingaas van 1 bij 2 meter en bind dat tot een kolom aan elkaar. Weef bamboestokken (of wilgentakken) door het gaas en graaf het een beetje in de grond. Daarna plant je de zaden er omheen, zoals de lathyrussen hieronder. Aan de andere kant van de kolom hebben we suzanne-met-de-mooie-ogen gezaaid. Alleen al om de naam.

Verder gaan we experimenteren met de vierkantemetertuin, waarbij een stuk tuin wordt opgedeeld in handzame vakjes van 30 bij 30 cm. Het originele idee gaat uit van getimmerde bakken die je vult met tuinaarde, maar wij hebben alleen een raster gemaakt dat je op de tuin zelf legt.

Omdat bamboe in de prijzen kan lopen, heb ik bij de onvolprezen Action een bos zogenaamde ‘sierwilgentakken’ gekocht. Zeggen en schrijven 1,98 euro en je maakt er al gauw drie vierkantemetertuintjes van.

We hebben een vierkant van 1,20 bij 1,20 gemeten en om de 30 cm een stukje wilgentak in de grond gezet – zowel horizontaal als verticaal. Daarna vlochten we een wilgentak tussen de stokjes door, ook weer horizontaal én verticaal, en maakten alle verbindingspunten vast met touw.

Dan krijg je een mooi raamwerk van 16 vierkanten ter grootte van een stoeptegel.

In iedere stoeptegel kun je iets anders zaaien, zodat je geen 12 kroppen sla tegelijk oogst en een goed overzicht houdt van wat je kunt verwachten. Sommige gewassen waar we veel van gebruiken, zoals radijzen en wortels, hebben we in twee tegels tegelijk gezaaid.

Tot nu toe hebben we twee vierkante meterstukjes, één eetbaar stukje en één stukje met geurige bloemen. Met daarnaast dus gaaskolommen van klimplanten en een paar rijen tuinbonen. En courgette, maar die moet opnieuw; daarvoor kwam het groeizame weer te laat.

Cato verwachtte ook goed weer. Zij had zichzelf geplant, onze eigen rijsdoperwt. We rekenen op een rijke oogst.

Zie je nou hoe fijn die regen is? Als je geen tuintje hebt, dan moet je het Dagboek 1974 van Wolkers lezen, om de smaak te proeven. En dans anders nog even met me mee, met je ogen dicht op de muziek van vorige week, dan wordt het vanzelf lente in je hoofd. 

——————

Handig:

Kraamkamer

12 februari 2010

Serieus, vanmiddag dacht ik al een snufje lente te ruiken. En dat met de laatste resten sneeuw nog op de straten.

Er kan natuurlijk wat wensdenken aan te pas zijn gekomen, maar deze kreeg ik van thuisonderwijscollega J, dus het zit wel in de lucht. Hier, een van de liefste tuinliedjes die ik gehoord heb.

Prediker 3

5 februari 2010

Als je de desolate toestand hier bekijkt, zou je niet zeggen dat er over vier maanden weer volop geoogst kan worden. Toch is het zo.

Ik zie de overvloed al voor me: doperwtjes, snijbiet, venkel, plukbloemen, courgette, kropsla. En tuinboontjes, ja ook weer tuinboontjes. Die kun je nu al binnen zaaien, hè? Dan heb je straks minder last van de luis die onvermijdelijk toeslaat.

Als je tuinbonen nu voorzaait, zijn de peulen straks al ontwikkeld voordat de luis kans heeft om ze op te vreten. Wij hebben dat vorig seizoen gedaan, op voorspraak van meester Ydema in het boek dat we toen uit de bibliotheek haalden. En het was waar: terwijl in de overige tuinen de bonenstaken zwart zagen van de luis, konden wij flink oogsten.

Wat nu ook heel leuk is: beginnen met cherrytomaatjes van eigen kweek. Een bak van de mooiste cherrytomaten kopen (roma-kerstomaatjes zijn lekker) en bij één tomaatje de pitjes eruit peuteren. Probeer zoveel mogelijk van het glibberige vliesje eraf te friemelen en plant de zaadjes in potjes. Vanaf mei kun je ze buiten in de grond zetten of gewoon in een grote pot laten staan. Daar hebben we vorig jaar uiteindelijk acht planten met rijkelijke trossen aan overgehouden.

En vlak nadat we deze week ons tuintje reserveerden, kreeg ik deze tip binnen: een nieuwsbrief voor kindertuintjes.

Alles heeft zijn tijd, zei koning Salomo al. Pete Seeger zette het op muziek. En The Byrds zongen het. Het zaaiseizoen is weer begonnen.