Jakob

10 juni 2015

Zo dobber je rond in een zachte zee, behaaglijk schommelend in gedempte geluiden. En zo lig je hulpeloos met uitgespreide armen en samengeknepen vuistjes aan de andere kant van het warme water.

Dan trek je alles uit de kast om vastgehouden en gerustgesteld te worden.

Je bent op je allerzachtst, maakt de liefste piepgeluidjes en ruikt op je aller-, allerlekkerst. Zodra je iets tegen je wang voelt, span je je met al je krachten in om je opengesperde mond zo ver mogelijk naar goede kant te krijgen. Want je weet dat er dan, ergens tussen die wang en het luchtledige, zoete melk en een warme buik liggen te wachten.

Als je dan gerustgesteld bent, durf je zelfs je ogen open te doen. Eventjes maar, om te kijken of het veilig is.

En dan zie je dat er zes mensen op je staan te wachten die voor je willen zorgen. Niet omdat jij zo je best hebt gedaan, maar omdat ze al van je hielden voordat ze je ooit gezien hadden.

Krak, zegt de ruit

12 augustus 2014

Als ik een schatting moet geven, dan denk ik dat ik dit versje een kleine 382.511 keer heb voorgelezen. Het staat ergens tussen ‘Kaatje, katje, kattenspul / in je haar een krul’ en ‘Eén twee, hop / de roltrap op’.

Het mooie van de rijmpjes uit Wiele wiele stap is dat ze zo gezellig alledaags zijn. Het is allemaal zo herkenbaar. Behalve deze met dat fietsje. Ik bedoel: hoe vaak komt dat nou voor? Ik weet niet in welke achterbuurt Miep Diekmann woonde toen ze dit schreef, maar ons soort kinderen rijdt doorgaans niet door ruiten.

Mag ik u trouwens voorstellen aan Cato?

Cato reed gisteren met haar fiets door een bushokje heen. Zij heeft een veel grotere fiets dan het jongetje in Wiele wiele stap natuurlijk, want Cato is al zeven. En het waren ook geen scherven met van die punten. De hele ruit was er gewoon in een keer uit, van boven naar beneden, in een miljoen brokjes.

Zelf had Cato geen noemenswaardig letsel. Ze mocht gelukkig wel op de brancard. Het ambulancepersoneel was heel aardig en de politieagenten ook, maar de sneeën vielen mee, ondanks het bloed. Meer dan een paar grote pleisters en zwaluwstaarten waren er eigenlijk niet nodig. Haar zus had veel harder moeten huilen, want die had het zien gebeuren: ‘Ik dacht dat ze dood zou gaan, met al dat bloed.’

Terwijl Jet nog zat bij te komen van de schrik, wilde Cato graag een kommetje soep. En of we haar broer even konden appen; die zit in de Ardennen. Het zou zonde zijn als hij niet zou weten wat er gebeurd was.

Vanochtend belde de exploitant van het bushokje op, want we hadden ons telefoonnummer achtergelaten. Hij was er een beetje beduusd van en hij vroeg zich af wat hij precies moest doen. ‘We maken eerlijk gezegd nooit mee dat we weten wie de dader is.’ Dat begrepen we wel. Cato vond dat háár naam doorgegeven moest worden, niet die van haar ouders. Ere wie ere toekomt.

Zomeren

22 juli 2014

Zomerroutine.

Zomereten.

Zomerbillen.

Zomerpluk bij Pluk!

Zomersms van kamperende dochter op telefoon uit het pleistoceen.

Zomerzoon.

Zomerselfie met driekwart nageslacht.

Cato schrijft

15 mei 2014

Als je het moeilijk vindt om dingen uit te spreken
of je weet niet precies hoe je het moet zeggen;
als je genoeg begrijpt om je beperkingen te zien,
maar net te weinig om je volwaardig deelgenoot te voelen;
als de tranen hoog zitten
en je die liever niet wilt laten zien,
dan is het fijn dat je kunt schrijven.

Cato schrijft

15 april 2014

Bofweek

30 december 2013

Kijk eens. Ziet u iets bijzonders?

Ja, nee, ze ligt stil, ja.

Dat klopt, zo vind je haar niet vaak.

Maar wat ziet u nog meer? Kom even dichterbij anders.

Nou? Wat flonkert daar?

Zelf zei ze er dit over: ‘Weet je mam, ik stond vanochtend op en dacht: “Ik heb het gewoon gedaan!” Ik heb gedaan wat ik echt wilde, ook al wist ik dat het een beetje pijn zou doen.’

Het is exemplarisch voor de gemoedstoestand waarin ze zich op het moment bevindt. Het groeisprongetje. De fragiele periode die zich nu en dan verheft boven andere periodes. Momenten waarop je heel veel wilt, maar ineens bijna niks meer durft. Je hoofd wil nou eindelijk eens groot zijn, maar je lijf wil eigenlijk alleen maar op schoot zitten. Daar kun je woedend van worden en soms verdrietig. Af en toe vier je een triomf waar je zeker vijf minuten op kunt teren – totdat de volgende frustratie zich aandient.

In zo’n toestand helpt één ding: aandacht. Omhelzingen, stil naast elkaar zitten, praten, laten praten, op schoot. En een beetje meer geduld hebben. Oefening baart kunst. Bij Cato heb ik het privilege veel te mogen oefenen. Mijn Jekyll & Hyde, mijn wervelwind, mijn brekebeen, mijn derde, mijn doorzetter.

Het resulteerde in een reeks onverwachte mazzeltjes deze week. Die oorbellen dus. En een hele dag spelen bij opa en oma, in haar eentje. Cato had zorgvuldig een grote boodschappentas gevuld met gezelschapspellen, zodat er niet een, niet twee, maar drie potjes mens-erger-je-niet achter elkaar gespeeld konden worden, plus Uno, plus kwartet, plus alle zevenhonderd vragen van het Wereld Natuur Fonds-dierenkaartenspel.

Mazzeltje drie was Kerstmis, dat weer verscheidene andere mazzeltjes in zich droeg. Feestjurken, zingen, neefjes, nichtjes, meehelpen met de voorbereiding van het kerstdiner en vervolgens uitgebreid geëerd worden voor je kookkunsten. Onverwachte kerstpakketten met zoetigheden en tijdschriften en toilettassen met crèmepjes.

Naar de bioscoop. Met cola en een lolly en zingende prinsessen.

Alsof dat allemaal niet genoeg was, diende zich nog een extra bof aan. Omdat het de mooiste film was die Cato ooit van haar leven gezien had, waren er twee mensen die haar nóg een keer meenamen naar dezelfde film. Philip had van Sinterklaas een bioscoopabonnement gekregen en vriend D. bezat er al eentje, zodat de mannen de smaak van zingende prinsessen konden wegspoelen met een aansluitende film vol samoeraikrijgers, zwaarden en harakiri. Maar eerlijk gezegd hadden ze Disney ook erg leuk gevonden.

Cato kon haar geluk niet op. Toen ik ’s avonds vroeg of ze een fijne dag had gehad, kroop ze stralend op schoot. ‘Soms heb je wel eens een bofdag,’ zei ze, ‘met je verjaardag bijvoorbeeld. Maar ik had gewoon een bofwéék.’ Ze draaide aan haar nieuwe oorbelletjes, want dat moest, had de mevrouw van de winkel gezegd. Draaien met alcohol. Zo bleven we samen zitten. Zonder iets te zeggen, totdat het tijd was om te gaan slapen.

Poortwachter

16 december 2013

Ze had al de deur naar menig hart ontsloten, maar sinds kort kan ze ook aardse deuren openen. Op haar tenen, soms nog iets verder, op één been balancerend en met de armen hoog uitgestrekt kan ze haar vingers net om de klink haken en hem naar beneden trekken. Zelden iemand zo trots gezien.

We worden de hele dag uitgenodigd om van haar nieuwe zelfbeschikking te profiteren. Ze kiest een willekeurig vertrek uit, gaat aan de andere kant van de deur staan en roept net zolang onze namen totdat er iemand komt opdagen. Als we vragen: ‘Wat is er, Victoria?’, klinkt er een gesmoord stemmetje van de andere kant: ‘Jij binnen?’

Als we vervolgens aangeven dat we graag naar binnen zouden willen (wel met enig enthousiasme, anders vraagt ze het nog drie keer), opent ze triomfantelijk de deur. Met de egards van een butler uit een Brits kostuumdrama laat zij één persoon binnen, sluit de deur en roept opnieuw een naam. Als het momentum te snel voorbij is naar haar zin, opent ze de deur slechts op een kiertje. Dan doet ze hem gauw dicht, voordat iemand er door kan. Maar omdat ze niet helemaal zeker weet of we er nog wel staan, roept ze van gene zijde nog eens onze namen en begint het spel opnieuw. Keer op keer op keer.

En wij doen mee. Want we snappen dat het machtig is om een nieuw verworven vaardigheid net zo vaak te oefenen totdat je zeker weet dat je het kunt. Om je enthousiasme te delen en even soeverein te zijn. Het is net als bij dat leren schaatsen of programmeren: deuren open je door op je tenen te gaan staan. Telkens weer.