wiskunde is belangrijk

Wiskunde aan het werk bij NASA (1961),
Omslagfoto LIFE magazine

Je zou het bijna vergeten onder de allesverhullende platte bekisting van je laptop, maar wiskunde heb je overal voor nodig.  Zonder wiskunde geen computers, geen internet, geen iPad, geen mp3-speler, geen MRI-scan, geen brug over onstuimig water.

Je kunt natuurlijk denken: dat hebben andere mensen al voor me bedacht. Net zoals andere mensen De gebroeders Karamazov al geschreven hebben, of de liefde al hebben bezongen. Maar dat wil niet zeggen dat je het kunt afwimpelen als iets waar je toch niks van snapt, waar andere mensen zich maar mee bezig moeten houden. Ook als je eigen kwaliteiten er niet liggen, dien je op z’n minst belangstelling te tonen, te luisteren, er met grote ogen naar te kijken.

En dan kijk je de zomeravond van Ionica Smeets terug. (Dezelfde Ionica Smeets die speciaal voor dit blog een gaststukje schreef, way back in 2010? Jazeker, die Ionica Smeets.)

En dan vergeet je de tijd en kijk je met blijdschap en verwondering drie uur lang naar wiskunde, wetenschap en passie. Naar Ionica die, over het troebele water van onbegrip en dedain, met een stralende lach een brug slaat tussen alfa en bèta.

Ponte Vecchio, Florence

—-

Maartens moestuin

13 mei 2014

Wij zitten er klaar voor, hoor, iedere maandagavond. Het blijft toch een beetje collegaatjes onder elkaar. Hij last van slakken, wij last van slakken. Hij knolvoet, wij knolvoet. Ik knik begripvol als hij vertelt over de houtduiven die in één vlucht je pas opgeschoten kapucijnerplantjes wegkapen of zegt dat broccoli nauwelijks in een moestuin te telen valt. Vertel mij wat. En ik hou ook van J.C. Bloem.

Toch kun je ons niet helemáál naadloos op elkaar leggen. Voor een buitenstaander is het niet altijd waarneembaar, maar: er zijn verschillen. Om te beginnen heeft Maarten dertig bunder vruchtbare klei tot zijn beschikking.

En ik vijftien vierkante meter zandgrond met mest van de plaatselijke kinderboerderij.

Bij calamiteiten als onwillige kinderen of een griepestafette binnen het gezin kan het voorkomen dat onkruid wieden wat lager op de prioriteitenladder staat. Heeft Maarten geen last van, want zijn tuintje ligt op het belendende perceel.

Daar staat tegenover dat ik veel hulp heb.

Maarten moet alles alleen doen.

Maar hij heeft dan weer zestig jaar tuinervaring. En hij heeft een kas. Ter grootte van mijn huis. En een boomgaard. En een bladblazer op wieltjes, een eigen kruiwagen die hij niet met veertig andere tuinders hoeft te delen en een rolschoffel.

Alles tegen elkaar afwegende denk ik toch dat wij het beter doen. Zeker gezien onze beperkte materialen. Ik bedoel, ik heb bij Maarten nog geen courgette voorbij zien komen. En ik wil niet veel zeggen, maar mijn spinazie staat al duimhoog boven de aarde.

Nee, dan Maarten met zijn fokking kleine rode kolen en z’n mislukte uien en z’n appels van superieure oude rassen. O, o, wat was de sperziebonenoogst weer groot dit jaar. En met die spitskool kan hij drie weken doen, ja, maar dat komt ook omdat hij porties eet waar wij doorgaans vier borden van wegblaffen. Met z’n hoedjes. Komediant.

Maar kom, geen nijd onder moestuincollega’s. We dienen allemaal hetzelfde doel. En het blijft heerlijke televisie. Via uitzending gemist kun je de afleveringen terugkijken.

Flashmob

4 december 2013

Alsof u er zelf bij was.

Ondertussen

25 november 2013

Voor je het weet ben je zomaar drie weken en tien jaar verder. Wat is er allemaal gebeurd?

Best veel. Jette is twee hoofdstukken opgeschoten in haar wiskundeboek, Victoria heeft vijftig nieuwe woorden geleerd, waaronder ‘Sinterklaasjournaal’ en ‘flashmob’ (uitspraak nog niet helemaal vlekkeloos), Philip heeft de nominativus en accusativus tot zich genomen en Cato heeft alle boekjes uit de thrillerserie van Juf Fiep gelezen (waarmee we naast Sylvia Vanden Heede officieel Corien Oranje aan de ultrakorte whitelist van leuke AVI-schrijvers hebben kunnen toevoegen).

O ja, en dan was er nog de Toestand. Eigenlijk ben ik er wel klaar mee. Maar ja, je kunt geen blog over thuisonderwijs in stand houden zonder thuisonderwijs. En als je een klein groepje bent (250 gezinnen met zo’n 400 kinderen in totaal) dan zul je het voor jezelf moeten opnemen. Dat is geen zieligdoenerij, dat is gewoon de consequentie van een minderheid zijn; een onbekende, niet al te sexy minderheid. Als je jezelf niet verdedigt, zal niemand anders het doen.

Dus hebben we het de afgelopen weken wat luider voor onszelf opgenomen (als ooit nog iemand zegt dat ik met thuisonderwijs te veel in mijn comfortzone blijf zitten, bijt ik hem in zijn oor).

We brachten bezoekjes aan politieke partijen, praatten mee in radioprogramma’s en ontvingen journalisten en fotografen thuis.

Foto: Werry Crone

Een werkgroep thuisonderwijzers besloot een flashmob te organiseren. Actievoeren is niet mijn ding, maar als er gedanst wordt, heb ik gezinsleden die daar geen weerstand aan kunnen bieden.

Klappen met een sjaal in je hand vergt oefening. Jet blauwe sjaal, Cato rechtsonder met roze. Foto: ikkrijgthuisonderwijs.nl

Dus werd er gerepeteerd. Nog eens en nog eens en nog eens.

Foto: ikkrijgthuisonderwijs.nl

Totdat de choreografe zag dat het goed was. Toen mochten ze dansen. Eerst bij het Binnenhof en later op station Den Haag Centraal.

Foto: Cathelijne X

Hier een filmpje van de flashmob in vijf minuten. Wat ik verbazingwekkend vond, was dat zo’n kleine groep thuisonderwijzers zo’n verscheidenheid aan beroepen in zich herbergt. Ik kende al psychiaters, biologen, pedagogen, pabo’ers, economen, scheikundigen, jeugdwelzijnswerkers, een raketgeleerde van ESA en een cassière van Albert Heijn, maar ik wist niet dat er ook professionele dansers bij zaten, en grafisch vormgevers. En beveiligingsagenten in spe.

Samen met jongens uit zijn thuisonderwijsgroep maakte Philip deel uit van de security tijdens de flashmob.
Foto: Michelle vdB

Ik zei dan wel dat wij onszelf alleen verdedigen, maar dat is niet helemaal waar. De laatste weken waren er veel mensen die niets met thuisonderwijs hebben en zich toch belangeloos inzetten, omdat zij vonden dat het onderwerp dit piepkleine groepje overstijgt en de algemene vrijheid van onderwijs en opvoeding raakt. Mensen die brieven stuurden naar kranten en politici, vrije dagen namen om te helpen bij de flashmob, mensen zoals jullie, die de moeite namen om de petitie voor ons in te vullen. Die petitie werd trouwens op 14 november overhandigd. 3501 handtekeningen waarvoor, om met de Wilde Ganzen te spreken, onze hartelijke dank.

Ten slotte was er nog een bijzonder gezelschap dat het voor ons opnam. Het waren zes Nederlandse wetenschappers, onder wie hoogleraren Opvoedkunde, Onderwijsrecht en Onderwijskunde die een verklaring opstelden tegen het voornemen van de staatssecretaris om thuisonderwijs af te schaffen. Een soort brandbrief: ‘Thuisonderwijs heeft ook in Nederland recht van bestaan’.

Klik voor pdf

In de brief weerleggen zij punt voor punt alle bezwaren van de staatssecretaris en leggen zij, ook aan sceptici, uit waarom thuisonderwijs niet verkeerd is en waarom het nooit om grote aantallen zal gaan.

Bijzonder hè? Het is een beetje alsof de Bond van Slagers het opneemt voor een groepje vegetariërs dat gedwongen gaat worden vlees te eten. Zes deskundigen die er niets bij te winnen hebben om hun nek uit te steken, die niet betaald worden door lobbyisten of multinationals en zich zomaar uitspreken voor een onderwijsgroep waar nogal wat misverstanden over bestaan. Niet iets waar je als wetenschapper aanzien mee verwerft. Dat zullen zij alleen doen als zij ervan overtuigd zijn dat er echt iets verloren gaat met het verbieden van thuisonderwijs.

  • De Tweede Kamer gaat zich in januari buigen over het onderwerp en zal dan beslissen of thuisonderwijs mag blijven bestaan in Nederland. Het ziet er slecht uit: een meerderheid in zowel Tweede als Eerste Kamer wil een verbod – een wetswijziging kan er dus snel doorheen zijn. Dit komt doordat de VVD, die twee jaar geleden uitgesproken vóór thuisonderwijs was en de vrijheid van onderwijs hoog in het vaandel droeg, zonder opgaaf van reden van mening veranderd is.

‘Ieder kind het beste uit zichzelf laten halen. Dat is de kern van het onderwijs,’ schreef staatssecretaris Dekker vorige maand in de Volkskrant. Het onderwijs moet flexibeler, meer aan het kind aangepast. Daar zal geen juf of meester het mee oneens zijn. Maar als je de touwtjes aan elkaar moet knopen met rugzakbandjes en je kostbare tijd moet verdelen tussen 32 kinderen én mijnheer Cito die van dag tot dag wil weten of je de leerlijn er al ingemasseerd hebt, dan is het soms lastig om flexibel te zijn.

Zelf vind ik thuisonderwijs bij uitstek geschikt voor kinderen die moeite hebben met de reguliere lesstof. Maar voor kinderen die veel méér kunnen, kan het ook een goede optie zijn. Deze brief kreeg ik van twee veertienjarige, Nederlandse meisjes die in het buitenland wonen. Ze hebben hem al aan staatssecretaris Dekker en Karin Straus van de VVD gestuurd, maar ik mocht hem hier ook plaatsen. Dank jullie wel, Anne-Sophie en Rosamond!

Geachte staatssecretaris Dekker,

Wij zijn twee leerlingen in de zesde klas van het gymnasium en krijgen al bijna vier jaar thuisonderwijs. Hier hebben wij en onze ouders om verschillende redenen voor gekozen. Ten eerste hebben wij op onze openbare basisschool allebei twee groepen overgeslagen, omdat we voor liepen op onze leeftijdsgenoten. Op de middelbare school begon het werk alweer minder uitdagend te worden, maar we wilden niet nogmaals versnellen om in de klas te komen bij leerlingen van drie à vier jaar ouder dan wij. Thuisonderwijs was hiervoor de perfecte oplossing. Daarnaast zijn wij meerdere malen internationaal verhuisd sinds we op de middelbare school zitten. Omdat we uiteindelijk een Nederlands diploma wilden behalen, kozen we er toen voor om Nederlands onderwijs te blijven volgen via de Wereldschool. We volgden met de Wereldschool afstandsonderwijs voor een aantal vakken, maar voor andere vakken kozen we voor thuisonderwijs. Zo hadden we voor Latijn en Frans privéleraren en kregen we voor wiskunde, Engels en Duits les van onze moeder. Deze combinatie van afstands- en thuisonderwijs gebruiken wij nog steeds.

Thuisonderwijs heeft het voor ons mogelijk gemaakt om meer te doen en beter te presteren dan wanneer we op school zouden zitten. Zo hebben we op dertienjarige leeftijd met goede resultaat het staatsexamen biologie kunnen maken en het jaar daarna de examens Engels, ANW, scheikunde en geschiedenis. Als we aan het eind van dit schooljaar onze diploma behalen, zullen we vijftien zijn. Verder hebben we allebei een driedubbel profiel kunnen kiezen, terwijl dit op de meeste scholen niet kan in verband met roosters en lestijden. Doordat we niet aan een schoolrooster gebonden zijn, maar onze tijd zelf kunnen indelen, hebben we bovendien tijd om op wedstrijdniveau te roeien, ieder twee muziekinstrumenten te beoefenen en in twee verschillende koren te zingen. Het zou niet mogelijk zijn om dit allemaal te doen als we op school zaten.

Het recht op thuisonderwijs is in Nederland al zeer beperkt vergeleken met andere landen. Sinds 1969 is het geven van thuisonderwijs alleen mogelijk bij een vrijstelling van de leerplicht op grond van richtingsbezwaren tegen scholen in de omgeving. Nu zijn er plannen om dit recht nog sterker in te perken en thuisonderwijs zelfs illegaal te maken. In uw brief aan de Tweede Kamer van 13 juli 2013 schrijft u dat u de vrijstelling op grond van richtingsbezwaren wil laten vervallen en hiertoe een wetsvoorstel zal voorbereiden. Wij vinden dat het recht op thuisonderwijs een belangrijk aspect van de onderwijsvrijheid is dat niet afgenomen mag worden.

Helaas heeft de ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geen waardering voor deze vorm van onderwijs. In uw brief voert u twee hoofdbezwaren ertegen aan. Ten eerste zou het nadelig zijn voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van een kind en ten tweede zou er geen duidelijkheid zijn over de kwaliteit van het onderwijs. Toezicht van de overheid op het thuisonderwijs vindt u geen goede oplossing voor dit tweede bezwaar.

U bent naar eigen zeggen ervan overtuigd dat ‘de dagelijkse gang naar school essentieel is voor de brede sociaal-emotionele ontwikkeling van ieder kind’. U meent dat kinderen op school leren omgaan met anderen en leren dat zij onderdeel uitmaken van een brede maatschappij. Bij thuisonderwijs zou het kind ‘de kans op een brede sociaal-emotionele ontwikkeling die kenmerkend is voor het schoolonderwijs [worden] onthouden’. Schoolgang is echter lang niet de enige of de beste manier om zich sociaal-emotioneel te ontwikkelen. Contact met anderen kan ook buiten school plaatsvinden, bijvoorbeeld bij sportverenigingen of koor- of orkestrepetities. Een kind kan zich sociaal-emotioneel ontwikkelen en ontplooien zonder de invloed van een school. Bovendien is de klas geen weerspiegeling van de maatschappij. Op school zit een kind elke dag samen met dezelfde groep van 25 leeftijdsgenoten en dezelfde volwassenen. Op de middelbare school bestaat deze groep ook nog uitsluitend uit mensen die een ongeveer gelijke academische capaciteit hebben. Op school hebben kinderen dus vooral contact met een beperkte groep, die op henzelf lijkt wat betreft leeftijd en schoolniveau. Een thuis onderwezen kind dat dagelijks omgaat met buren, teamgenoten, vrienden en anderen in zijn omgeving zal niet minder sociaal-emotionele stimulatie krijgen dan een leeftijdsgenoot die naar school gaat. Uit een onderzoek uit 1997 naar thuis onderwezen kinderen in de Verenigde Staten is gebleken dat deze kinderen regelmatig deelnemen aan gemiddeld 5,2 activiteiten die buitenshuis plaatsvinden, zoals sport of vrijwilligerswerk1). 98% van thuis onderwezen kinderen nam regelmatig deel aan twee of meer activiteiten. Wij hebben zelf dagelijks contact met vrienden en anderen door onze muzikale en sportieve activiteiten.

Verder heeft u bezwaar tegen de onduidelijkheid omtrent de kwaliteit van het onderwijs bij vrijstelling van de leerplicht. U wijst erop dat ouders bij vrijstelling niet verplicht zijn om voor vervangend onderwijs te zorgen. Ook als zij dat wel doen, is er geen toezicht op de kwaliteit van dit onderwijs. De Onderwijsraad adviseert de overheid om kwaliteitseisen aan en inspectietoezicht op het thuisonderwijs in te voeren. U vindt dit voorstel onwenselijk, omdat de overheid in dat geval verantwoordelijkheid zou moeten nemen voor de kwaliteit van thuisonderwijs en omdat u verwacht dat overheidstoezicht op thuisonderwijs moeilijk uitvoerbaar zou zijn.

Onzekerheid over de kwaliteit van het thuisonderwijs is geheel onnodig. Keer op keer blijkt dat thuis onderwezen kinderen bovengemiddeld presteren vergeleken met kinderen die naar school gaan. In het eerder genoemd onderzoek uit 1997 scoorden kinderen die thuisonderwijs kregen gemiddeld tussen het 80e en het 87e percentiel op nationale toetsen, terwijl het 50e percentiel de norm is op scholen. Volgens een onderzoek uit 2009 haalden thuis onderwezen kinderen scores van het 84e tot het 89e percentiel2). Factoren zoals het inkomen of opleidingsniveau van de ouders hadden weinig invloed op deze hoge scores. De kwaliteit van thuisonderwijs is over het algemeen dus juist beter dan die van schoolonderwijs.

Bovendien blijkt overheidstoezicht op het thuisonderwijs helemaal geen invloed te hebben op de kwaliteit. In het hierboven genoemd onderzoek uit 2009 vergeleken onderzoekers testresultaten van thuis onderwezen kinderen uit deelstaten die veel of juist weinig toezicht houden op thuisonderwijs. De scores bleken onafhankelijk te zijn van de mate van overheidstoezicht. Het is dus niet nodig om toezicht te houden op de kwaliteit van het onderwijs. Als toezicht op thuisonderwijs toch gewenst is, dan hoeft dit niet zo moeilijk uitvoerbaar te zijn als u verwacht. Alle thuisonderwijzers van Nederland zijn al bekend bij de overheid. Het is niet moeilijk om te eisen dat alle kinderen vóór hun negentiende een diploma moeten behalen door het staatsexamen af te leggen. Een andere oplossing zou zijn om gezinnen die voor thuisonderwijs kiezen te verplichten tot een jaarlijks gesprek met een leerplichtambtenaar, waarbij de ouders een portfolio met het recente werk van de kinderen laten zien en overleggen over een planning voor het komend jaar.

Het is duidelijk dat thuisonderwijs een succesvolle onderwijsvorm is die past in een samenleving waar de kwaliteit van het onderwijs een prioriteit is. Wij vinden dat het recht op thuisonderwijs niet alleen behouden, maar zelfs uitgebreid moet worden. Iedereen zou moeten kunnen kiezen voor een vorm van onderwijs die goede academische resultaten oplevert en zoveel mogelijk ruimte laat voor het ontplooien van eigen talenten. Wij hopen dan ook dat de VVD het recht op thuisonderwijs zal steunen.

Hoogachtend,
Anne-Sophie en Rosamond

———————-

1) Strengths of Their Own—Home Schoolers Across America: Academic Achievement, Family Characteristics, and Longitudinal Traits, Dr. Brian D. Ray, 1997

Terug

2) Progress Report 2009: Homeschool Academic Achievement and Demographics, Dr. Brian D. Ray, 2009.

Terug

De kracht van lezen

18 oktober 2013

Hij leest! Dat mag voor u geen spectaculair nieuws zijn, ik vind het iedere keer weer fantastisch. Mijn kinderen zijn namelijk geen geboren lezers. Ze hebben altijd van vóórlezen gehouden, luisterboeken en realtime voorlezen. Maar echt boeken zelf lezen, dat was harder werken.

Ik begreep er niks van. Wie wil er nou niet wegkruipen met een dik boek? Dat heb ik al gewild zolang ik me kan herinneren. Maar mijn kinderen wilden helemaal geen dik boek. Wel strips. Tijdschriften. Van die grote informatieve boeken met veel foto’s en een ruime bladspiegel. Op zich geen probleem: lezen is lezen. Het wordt overal bevestigd; als je er maar plezier aan beleeft, is het goed. Toch zat het me dwars. Ik geloofde in plezier als voorwaarde, maar wist ook dat dat niet automatisch betekent dat een kind op eigen initiatief overstapt op leesboeken. Zeker niet in een tijd en omgeving met zo veel makkelijker te verteren alternatieve media.

Nou en? zou je zeggen. Dan lezen ze geen omvangrijkere boeken voor hun plezier. Dan houden ze het bij tijdschriften. Nou en?

Het punt is dat ik ervan overtuigd ben dat het lezen van boeken, van romans en non-fictie, boeken met alleen letters, waarin de tekst het woord doet, onmiskenbare voordelen heeft. Het sterkt je concentratievermogen (met drie uur lezen gebeuren er andere dingen in je hersenen dan wanneer je drie uur naar de televisie kijkt), het vergroot je woordenschat meer dan welke gesproken conversatie ook en door de zinnen te zien krijg je de hele Nederlandse grammatica met alle uitzonderingen en rariteiten op een presenteerblaadje – zonder dat je er een werkboekje voor hoeft in te vullen. Bovendien, niet onbelangrijk: het kan zalig zijn om op te gaan in een verhaal.

Om te weten hoe het is om je zo in een boek te verliezen dat je een heerlijk gevoel krijgt, moet je het wel eerst meemaken. Mijn zoon heeft een poosje gedacht dat hij optimaal gelukkig kon zijn als hij een computerspel speelde. Ik wist zeker dat dat niet waar was; al was het alleen maar omdat hij na lang gamen een allesbehalve gelukkige indruk maakte. Tijdens het gamen trouwens ook niet. Ik vind gamen niet slecht of verkeerd, maar je hoeft geen gave van opmerkzaamheid te bezitten om te zien dat mijn kind echt minder gelukkig is als hij zijn voornaamste levensdoelen laat afhangen van een computerspel.

Ik wilde dat mijn kinderen aan den lijve zouden ervaren dat je optimaal geluk ook uit andere dingen kan halen. Uit muziek luisteren, muziek maken, lange gesprekken voeren, sporten, lezen, koken. In plaats van alleen te verbieden, wilde ik dat ze alternatieven leerden kennen. Echt kennen; niet van horen zeggen. In de hoop dat ze, als ze straks alleen op die studentenkamer zitten, niet hun heil zoeken in urenlange gamesessies of televisiemarathons -omdat ze het dan lekker zelf mogen uitmaken- maar dat ze ergens in hun hoofd, in hun hart en lijf wéten dat er een andere manier is om je lekker te voelen.

Ik heb mijn kinderen dus overgehaald te lezen. Gedwongen is het woord niet, maar ik heb wel alle media-alternatieven op gezette tijden geëlimineerd. Verder was ik heel coulant. Ze mochten net zo vaak van boek wisselen als ze wilden, ze hoefden het nooit uit te lezen, we gingen samen op zoek naar het genre of de schrijver die ze het mooist vonden. Maar ze moesten wel lezen.

Dat was niet altijd makkelijk. Er waren genoeg momenten dat ik het handiger had gevonden om ze achter een schermpje te laten zitten. Dat zeg ik niet om te laten zien hoe voorbeeldig consequent ik ben in de opvoeding (want dat ben ik niet), maar om te laten zien dat het bij ons tijd kostte. Veel mensen denken dat mijn kinderen van nature vaatwassers uitruimen, geschiedenis leuk vinden, helpen in het huishouden, boeken lezen.

Dat is niet zo. Het ging niet vanzelf. Zoals veel dingen bij ons niet vanzelf gaan: een hand geven als je je voorstelt. Pas beginnen met eten als iedereen aan tafel zit. Handen wassen nadat je naar de wc geweest bent. Ruzies vreedzaam oplossen. Verschillende smaken lekker vinden door van alles één hapje te proeven, ook al denk je dat je het niet lust. Rekening houden met andere mensen. Je afgeknipte teennagels in de vuilnisbak gooien. Boeken lezen.

Het een kost meer moeite dan het ander, maar om bij lezen te blijven: na een paar jaar gebeurde er zoiets moois. Toen kwam er vanzelf een boek dat ze niet meer wilden neerleggen. Dat ze per se uit moesten lezen. Waarvoor ze zelfs hun schermtijd vergaten.

Nu hoorde ik laatst iets waarvan ik bijna van mijn stoel viel: door vijftien minuten te lezen, leren kinderen duizend nieuwe woorden per jaar.

Door iedere dag 15 minuten echt te lezen, komen er zo’n 1.146.000 woorden per jaar voorbij. En van die 1,1 miljoen woorden leer je ongeveer 1000 nieuwe woorden, ieder jaar opnieuw.

Het is natuurlijk geen nieuws dat lezen goed is, maar ik bedoel: duizend nieuwe woorden, dat is veel. En het opbouwen van een woordenschat is cumulatief, hè, hoe meer woorden je kent, hoe makkelijker je nieuwe woorden leert. En als je veel woorden kent, neem je informatie beter op. Onthoud je dus beter wat je gelezen hebt.

Als kers op de taart kreeg ik deze link. Een lezing van Stephen Krashen, emeritus taalprofessor en autoriteit op het gebied van tweedetaalverwerving. Krashen pleit voor vrij lezen op iedere school (Sustained Silent Reading) en presenteert hier onderzoeksresultaten die laten zien dat kinderen die lezen beter worden op ieder gebied van taal: ze zijn beter in grammatica dan kinderen die grammatica-instructies krijgen, ze hebben een grotere woordenschat dan kinderen die woordenschatoefeningen doen. Dat is nog eens goed nieuws voor mijn kinderen, bij wie ook spelling en grammatica niet vanzelf gaan.

Ik heb het filmpje in twee keer bekeken, maar als je geen tijd hebt voor alle 56 minuten, kijk dan in ieder geval minuut 2:45 tot 12:45 en minuut 15:26 tot 21:36. Krashen heeft een keuvelende en duidelijke manier van vertellen. Na afloop zou je denken dat het bijna vanzelf gaat.

—-

  • In deze brochure staan de voordelen van lezen nog eens op een rij, inclusief bronvermelding (opent als pdf).
  • De informatie over die duizend nieuwe woorden per jaar komt uit verschillende onderzoeken, waaronder Cunningham & Stanovich (2001),’What reading does for the mind’, Journal of Direct Instruction, 1/2, 137-149 en Suzanne Mol (2010), To read or not to read.

Cato en Freek

6 september 2013

Varaan. Door Cato, 6 jaar.

Na het avondeten, tijdens het afruimen, stond Cato hard met een tafelmes tegen de tweezitsbank te slaan. Ik ben gewend aan jachtpartijen door het huis, pijltjesgeweren die plotseling om een hoek van de deur steken en gebakkelei na het eten, maar dit was nieuw. Ik vroeg wat ze aan het doen was. ‘Met een kapmes moet je altijd schuin en ván je af slaan’, zei ze. ‘De meeste gewonden in de jungle vallen door lompheid met dit ding.’

Ach, natuurlijk. Freek. Cato heeft sinds enige tijd een nieuwe liefde. Met Stoere Bink is het allemaal wat bekoeld, want Cato bezoekt de laatste tijd veel minder gala’s en haar baljurk heeft ze verruild voor comfortabele kleding. Zo gaat ze op safari, of op avontuur in het oerwoud. Met Freek.

Freek is Stoere Bink in het kwadraat. Hij durft dingen waarvan zelfs Cato soms haar handen voor haar gezicht moet houden en hij weet verschrikkelijk veel. Ik noem maar wat, hij weet gewoon dat de varaan een hard rugpantser heeft, maar een zachte buik die hij te allen tijde wil beschermen. En dat de Surinaamse zwerfspin vet gevaarlijk is, maar tóch gaat Freek op een meter afstand op zijn buik liggen om de spin aan Cato te laten zien. Van die dingen.

Cato zit aan de buis gekluisterd en brengt ons op gezette tijden op de hoogte van de ins en outs van het dierenrijk. ‘Zal ik wat vertellen over de witte haai?’, vroeg ze van achterop de fiets terwijl we naar het strand reden. ‘Graag’, zei ik. ‘De witte haai heet zo’, ging ze verder. ‘omdat hij een witte buik heeft. En hij maakt een belangrijk stofje aan, squalamine, waar we medicijnen van kunnen maken.’

Philip en Jet krijgen er op even gezette tijden een punthoofd van. ‘Mam’, zei Philip, ‘weet je wat Cato zei toen ik haar iets wilde uitleggen over de lama? Ik vertelde dat een lama soms spuugt, en toen zei ze: “Ja, hij brengt zijn maaginhoud naar boven.” Dat is toch niet normaal?’

Boze tongen beweren dat Freek in zee is gegaan met iemand met een laag decolleté en een veel te goed kapsel, maar Cato weet beter. Het is een kwestie van tijd, dan gaan ze samen de hort op. Onbekende verten ontdekken. Ze bereidt zich al goed voor, want Cato speelt regelmatig Freekje door het hele huis. In alle kamers zet ze knuffeldieren neer die op een of andere wijze door Freek bezocht zijn en in haar meest camouflagekleurige outfit loopt ze rond om het publiek te onderwijzen. Toen ik twee plastic girafjes aan haar gaf en zei dat die misschien als moeder en kind konden dienen, wees ze me erop dat deze specifieke figuren nooit bij elkaar konden horen. ‘Kijk maar naar dat vlekkenpatroon.’

Vorige week waren we in de dierentuin, Jet, Cato, Victoria en ik. We stonden lang bij de giraffen te kijken, die telkens hun kop omhoog staken tot vlak voor ons gezicht. Naast me stond een jongetje van een jaar of zes, met een bril en een pleister op zijn oog. Hij tikte me op mijn schouder. ‘Kijk’, zei hij, ‘dat is een mannetjesgiraf. Dat kun je zien, want hij heeft geen pluimpjes op zijn kop. Die zijn afgesleten omdat hij met andere mannetjes om een vrouwtje heeft gevochten.’ Cato boog langs me heen en keek het jongetje aan. ‘Dat heb je van Freek’, zei ze.

  • Freek heeft twee dvd’s: Freek op safari en Freek in het wild. Hij wordt ook nog steeds uitgezonden op Zapp, op werkdagen rond 17.00 uur.