Cato schrijft

7 mei 2013

Als je niet zo vaak suikermuisjes op je brood krijgt, ben je er zuinig op. Zeker als je in een huis woont met nog vijf mensen die van suikermuisjes houden. En als je dan halverwege je beschuitje de deur uit moet, naar je club, dan neem je je maatregelen.

(Het heeft gewerkt. Bij thuiskomst lag het er nog. Philip had er zelfs een bordje overheen gezet om te voorkomen dat de jongste het zou zien en zich via blokkendozen en andere opstapjes een weg naar de muisjes zou banen.)

Cato schrijft

26 april 2013

Er is iets waar Cato het meest van houdt en dat is spelletjes spelen. Nee, dat is niet waar. Ze houdt ook erg van barbies aankleden, fietsen, kleuren in haar topmodelboeken, rauzen, films kijken, oogschaduw opsmeren, met transformers spelen, ijpetten, grapjes maken, tikkertje doen en voorgelezen worden. Cato houdt het meest van leven, denk ik.

Opnieuw.

Er zijn veel dingen waar Cato van houdt en op een gedeelde eerste plaats staat spelletjes spelen. Ze kan met gemak vierhonderd keer achter elkaar mens-erger-je-nieten, maar dan zit ze op het laatst wel in haar eentje, want ondanks vijf huisgenoten is er niemand die net zo veel van bordspellen houdt. We hebben onze kaarten ingezet op Victoria – u begrijpt waarom er een vierde kind gekomen is.

Om het voor iedereen een beetje leuk te houden, zorgen we regelmatig voor nieuwe aanwas van spellen. Zo kregen wij op vijf december Wat schets je me nou? in de zak. Onder het motto ‘gedeelde smart is halve smart’ kent Wat schets je me nou? een absoluut minimum van vier spelers. Cato kon haar geluk niet op. Iedere ochtend als ik met dikke ogen uit bed kwam, klonk er vanuit de woonkamer een opgetogen ‘Ha, daar ben je eindelijk’ en werd ik verwelkomd door een speltafel, onberispelijk gedekt voor vier spelers. Het wachten was slechts op twee ontwakende medespelers.

Wat schets je me nou? is een soort telefoonspelletje: je fluistert iets in iemands oor, die fluistert het weer aan een ander en aan het eind van de ketting is het lachen geblazen als de uitkomst heel anders is dan het eerstgefluisterde woord. In het bordspel gaat het met woorden én tekeningen die je aan elkaar doorschuift. Soms een makkelijk woord: poes of boot, soms een lastige: huisgenoot of sciencefictionfilm. Overigens hoef je niet te kunnen tekenen om het spel te spelen – ons hele gezin is daar een levend voorbeeld van. Je moet alleen een beetje kunnen lezen en schrijven.

En dan is zo’n spel met mensen van verschillende leeftijden toch leuk. Ook na een kleine drie miljoen potjes kan Cato me verrassen. Ik moest het woord ‘scheepswrak’ tekenen (geen commentaar graag).

En Cato moest raden wat het was.

Cato schrijft

22 april 2013

Ze kwam thuis van een vriendinnetje dat haar kamer opgeruimd had. Doodzonde om weg te gooien, vond Cato. Aldus ontvingen wij uit de boedel: 17 stuiterballen, 1 wekker, 1 sierkussen, meer kraaltjes dan je in een mensenleven kunt rijgen, 15 viltstiften en 1 nepdrol.

Van de week liep de wc binnen. Cato bleef er bijna in.

Zusterliefde

5 januari 2013

Sinds ze het geschreven woord ontdekt heeft, strooit Cato kwistig met dankbetuigingen, verzoeken, terechtwijzingen, verlanglijsten en uitnodigingen voor een bal waar zij alvast voorbereidingen voor getroffen heeft (feestjurk, stemmige muziek, stoelen aan de kant).

Op last van de brandweer kan ik niet alle pennenvruchten en kunstwerken bewaren, maar zo nu en dan vind ik iets wat ik toch in een mapje stop.

Transcript:

Sgepen vaaren
wolke vergaan
maar onze lifte blijft altijd bestaan
voor jet
van cato

Stemmen op schrift

21 februari 2011

Cato heeft een nieuwe manier van communiceren: het geschreven woord. Sinds ze het alfabet geleerd heeft, is ze voortdurend bezig met het oncijferen van drukletters of het in haar hoofd spellen van woorden. Op onverwachte momenten declameert ze vanaf de achterbank: ‘Jas is eigenlijk heel makkelijk. J-a-s.’

Zo verschillend als Philip en Jet leerden lezen, zo anders is het weer met Cato. Om te beginnen is ze vroeger. Daar kan ik natuurlijk laconiek over doen (‘Lezen? Och, dat kunnen mijn kinderen op hun derde’), maar eigenlijk sta ik paf. De eerste keer dat ze me tijdens het voorlezen onderbrak met: ‘Daar staat bos’, dacht ik dat het een toevalstreffer was. Maar ze kon het echt.

Omdat Cato zich graag in iets onderdompelt, is ze ook meteen gaan schrijven. Soms in spiegelbeeld, soms achterstevoren, maar altijd gedreven. Overal vind ik briefjes: met twintig centimeter plakband op de buitendeur of op mijn beeldscherm, of geschoven onder de deur (die ze daarvoor zorgvuldig dichtgedaan heeft) :

live mama, ik w
il een kus

cato mama papa lief filip jete

Als ik iets niet begrijp, trekt ze zich dat niet persoonlijk aan: dat is gewoon mijn fout. ‘Kijk dan even wat er staat’, zucht ze. Meestal kom ik er met een gul toebedeelde hint dan wel uit. En nu zijn we elkaars penvriendin.