Deze had u nog te goed. Hij is van een paar weken geleden, maar het is de week die ik op foto gezet had voordat mijn computer ontplofte. Die computer is nog niet helemaal gered, maar de foto’s wel. Uit lijfsbehoud heb ik besloten dat het niet uitmaakt voor de reportage; geen week is gelijk. Als ik vorige week had genomen, had u wat meer korte mouwen gezien, twee dansvoorstellingen en Wiplala in plaats van De wind in de wilgen. Ik hoop dat u het me zult vergeven. Hier komt de week van Cato.

Dit is Cato. Cato is zes jaar. Als ze op school had gezeten, zat ze in groep twee. Maar Cato zit niet op school.

Volgens de vastgestelde kerndoelen van het primair onderwijs zou Cato nu horen te weten dat men een boek van voor naar achter leest en een bladzijde van boven naar beneden, niet andersom of willekeurig. Ze zou de begrippen kleinste, middelste, grootste moeten kennen en van 1 tot 10 kunnen tellen.

Ook is groep 2 het moment waarop Cato dient te weten dat er zoiets bestaat als ‘lezen’ en ‘schrijven’ en dat dat twee verschillende dingen zijn. Mocht een zesjarig kind hierin nog geen onderscheid kunnen maken, dan geven de kerndoelen handige tips om een en ander vlot te trekken: ‘Benoem als leerkracht je handelingen: “Ik schrijf eerst even op dat (…) ziek is.” of “Hé op dit briefje lees ik dat we morgenmiddag vrij zijn.”’

Als ik zou willen, zou ik een uitgebreide administratie kunnen bijhouden van alle vorderingen. Er zijn leerlingvolgsystemen met lange, lange lijsten waarop ik kan aanvinken of Cato al weet dat je een bladzijde van boven naar beneden leest. En of haar motoriek wel op schema ligt.

Opdracht uit observatieboekje Leerlingvolgsysteem groep 1-2.
Bron: testen-en-toetsen.blogspot.nl

Sommige mensen kunnen zich nauwelijks voorstellen dat ik het aandurf om Cato zonder leerlingvolgsysteem op te voeden. Maar ach, wat zal ik zeggen? Ik hou ervan om gevaarlijk te leven. Mijn aangeboren leerlingvolgsysteem is erg accuraat. U zult het misschien niet geloven, maar als iemand vraagt of Cato al tot 10 kan tellen, dan hoef ik dat niet in een ordner op te zoeken. Ik weet zelfs uit het blote hoofd of zij een groen vierkant van een rode cirkel kan onderscheiden. Net als vóór 1990 zeg maar, toen het volgsysteem werd ingevoerd.

Cato heeft nog geen vakken die zij dagelijks moet doen. Tot een jaar of zeven, acht vind ik het belangrijk dat de kinderen zo veel mogelijk spelen en voorgelezen worden. Dat hoeft niet per se te gebeuren aan een tafel.

Maar het kan wel.

Die leeftijd van zeven, acht staat niet in marmer gebeiteld. Als blijkt dat Cato volgende week meer leerstructuur nodig heeft, komt die er. Als ze weinig initiatief zou tonen, landerig zou zijn, veel om schermtijd zou vragen, niet zou spelen. Maar zolang haar dagen drukbezet zijn rondom het leef- en leerritme van het gezin, gaat Cato mee zonder rooster. Net als wij allemaal leert ze het meest van het proefondervindelijk leven: de gesprekken aan tafel, in de auto en het dagelijks lezen in de kinderbijbel, boodschappen doen, meehelpen met koken, omgaan met andere mensen, haar plaats ontdekken in de wereld.

Soms heeft ze periodes waarin ze net als Philip en Jet een vakkenpakket wil. Het gaat haar eigenlijk niet om de vakken, maar om het afvinken. Dan maak ik een lijst met dingen als tandenpoetsen, voorlezen, een woordpuzzel, een kaart aan oma schrijven, naar streetdance, een spelletje spelen. Hoe uitgebreider hoe beter. Met een hokje ervoor om af te kruisen. Drie dagen lang is ze dan druk aan het vinken en afwikkelen; activiteiten die ze normaal uit zichzelf doet, maar die op papier ineens officieel zijn. Vervolgens ontdekt ze de keerzijde van het officiële, dat alle dingen die je voorheen met plezier deed, plotseling minder leuk zijn omdat ze moeten in plaats van mogen. En dan speelt ze weer hele dagen met haar poppen of gaat een luisterboek luisteren terwijl ze eigenlijk ingeroosterd stond voor een bordspel. Dat zie ik dan door de vingers.

Want van spelen leer je zo veel. Je leert de wereld om je heen te begrijpen. Je leert jezelf kennen. Je leert verhalen maken, je concentreren, opgaan in een universum waarin jij heer en meester bent – in plaats van leerling.

En als er dan een andere leerling komt kijken, van een afstandje, dan denk je eerst: ‘Nee, hè…’


Maar dan herinner je je hoe jij je voelt in zo’n situatie. Dat het naar is om weggestuurd te worden. Dat het oneerlijk voelt als mensen ervan uitgaan dat jij wel weer alles zult vernachelen, terwijl je alleen maar wilt leren. En dan geef je je zusje het voordeel van de twijfel.

Zo belangrijk is spelen. Daarom stel ik voor dat iedere kabinetsformatie verplicht vergezeld gaat van een sessie speltherapie. Als opfrissertje.

Daarnaast heeft Cato deze week:

  • Scones gebakken (onder leiding van haar broer, die met dit zusje continu onderworpen wordt aan een opfriscursus Inlevingsvermogen Tonen en Creatieve Oplossingen Verzinnen).

  • Geschreven in haar schrijfboekje (2x). Schrijven is een van de weinige dingen waar we schoolboekjes bij gebruiken. Cato kan al wel blokletters, maar ik vind het belangrijk dat ze een vlot en soepel handschrift ontwikkelt en dat gaat beter met een goede methode dan met zelfgeconstrueerde letters. Bovendien is schrijven niet mijn expertise, dus zoals ik een kookboek gebruik bij moeilijke recepten en een wiskundeboek bij algebra, zo gebruik ik ook de kennis van bekwame, behulpzame makers om mijn kinderen goed te leren schrijven.
  • Gefietst naar de kinderboerderij.

fiets kinderboerderij

  • Engels: onder meer Heckedy Peg en King Bidgood van Audrey en Don Wood voorgelezen, meesters van de lichtval in kinderboekenillustraties.
  • Engels (2x): het programma van de online klas van Rosetta Stone.
  • Ze is spion, prinses en Onzichtbare Man geweest met een vriendinnetje dat de hele middag bij ons was.
  • Ik heb voorgelezen uit De wind in de wilgen van Kenneth Grahame terwijl Cato er een tekening bij maakte van Das in zijn burcht.

  • Biologie: boekenleggers en kaarten gemaakt met de bloemen die we vorig jaar geplukt hadden en lang hadden laten drogen.  Zo lang dat we ze eigenlijk een beetje vergeten waren en het dus een verrassing was dat we op een regenachtige lentedag toch iets fleurigs konden doen. Gekleed voor de gelegenheid.

  • Geëxperimenteerd met de doos ‘Kristallen kweken en edelstenen’ die Cato voor haar verjaardag had gekregen. Wederom in gelegenheidskleding.

  • Zelf gelezen in Job en de duif van Eveline De Vlieger en Noëlle Smit en twee prentenboeken van Max Velthuijs.
  • Geschilderd.

  • Het hele luisterboek De schippers van De Kameleon van Hotze de Roos geluisterd terwijl zij in haar TopModel-kleurboek kleurde.

Cato heeft drie vaste clubjes per week. Streetdance, de woensdagmiddagclub (sport, spel en knutsel met kinderen uit de buurt) en zwemles.

Verder hadden we deze week één uithuizige dag, een bijeenkomst van Cato’s thuisonderwijsclub The Home Learners. De organisatoren doen hun best een afwisselend jaarrooster te maken: de ene keer gaan ze naar een museum, dan weer naar zwembad, speeltuin of hortus. Of er worden workshops gegeven door stagiaires.

Nu stond er een museum op het programma, eentje waar ik zelf niet snel opgekomen zou zijn: het Museum voor hedendaagse Aboriginalkunst in Utrecht. Omdat er minstens zes nationaliteiten vertegenwoordigd zijn bij The Home Learners en alle deelnemende gezinnen per seizoen een activiteit moeten organiseren voor de groep, komt de hele wereld vanzelf langs. Deze keer had een Australische moeder een rondleiding en workshop besproken.

Er valt namelijk heel wat te vertellen over de geschiedenis en de kunst van de Aboriginals. Die schilderijen, hè, dat zijn eigenlijk verhalen. Het lijkt een verzameling stipjes, streepjes en vlekjes, maar zoals bij alles: niets is wat het lijkt. Iedere lijn op het doek heeft een betekenis. Er zijn streepjes die mensen uitbeelden, slangen, vogels.

Met al die symbolen en kronkels wordt duizenden jaren Aboriginalgeschiedenis verteld. De mooie dingen en de verdrietige. Aboriginals hebben geen schrift, daarom vertellen ze hun geschiedenis aan elkaar door met woorden en tekeningen.

Na de rondleiding mochten de kinderen hun eigen verhaal vertellen. Met stipjes en vlekjes en streepjes.

Zo eindigde Cato’s week. Ik heb de kerndoelen er nog eens op nageslagen en ik geloof dat we aardig op schema zitten. Alleen het doel ‘laat zien dat hij naar een ander luistert en geeft gepaste feedback, bijvoorbeeld door te knikken of te antwoorden’ is nog in ontwikkeling. Cato’s gepaste feedback bestaat voornamelijk uit luidruchtige repliek in plaats van een volgzame hoofdknik. Ik geloof dat ik daar nog maar wat remedial teaching tegenaan gooi.

—-

Meer ‘Weken uit het leven van…’:

Cato schrijft

23 juni 2013

Ze kwam thuis van kamp. Zonder slapen, want dat durft ze nog niet. Verder is ze gemaakt voor kamp.

Een tas vol vieze kleren, een ongebruikte regenjas, ogen die het hele spellenparcours opnieuw beleefden terwijl zij alle onderdelen stap voor stap navertelde.

En we hadden een stempelkaart, maar bij het derde onderdeel tekenden ze een lachend gezichtje. Een gezíchtje, mam, geen stempel.

Ze moest er weer om schateren.

En bij het vijfde onderdeel kregen we iets te drinken. Maar dat was dus helemaal geen opdracht, dat was iets te drinken!

En bij het zesde onderdeel zouden we eigenlijk met een bal op een lepel lopen, maar daarvoor waaide het te hard, dus toen gingen we zo bij de pionnen, zo achterstevoren en bij de andere pionnen moest je weer een rondje maken, kijk nou mam: zo, en daarna op je snelst achteruit naar de finish.

En toen en toen, toen was er schátgraven, mam. En hij was heel moeilijk te vinden, maar Fee vond hem wel en je raadt nooit wat het was. (‘Oude sokken? Een zak witlof?’) Nee mam, je raadt het echt nooit: koekjes! Koekjes met aan één kant chocolade en een beetje een dierenvorm. Heel lekker.

En er was een soort spel met plaatjes, bijvoorbeeld een tekening van iemand die niest, en dan stond erbij dat het min s was. Dus niest min s. Nou, wat denk je dat dat is? Niet! En zo een hele zin. En ik mocht het antwoord opschrijven in ons groepje.

Cato schrijft

4 juni 2013

‘Ik maak wel een boodschappenlijstje’, zei ze.

Het werd groene risotto, een altijd-goed-recept uit het gezinsrepertoire. En omdat zij het lijstje maakte, kon ze er meteen iets opzetten dat bij grote uitzondering gegeten wordt. Of ik alleen even kon aangeven of ‘rijst’ met een lange of korte ei was, de rest wist ze wel uit haar hoofd. (‘Ik ben toch niet achterlijk.’)

Ik zet het maar neer, anders geloof ik het zelf niet. Kans op nachtvorst. Volgens het KNMI zal de meimaand de boeken ingaan als een ‘frisse en natte maand’.

We hadden de zomerkleren al gepakt natuurlijk. De eerste zonnestraal piepte nog niet tussen de sluierbewolking door of de kinderen vroegen of we alsjeblieft de zomerdozen konden pakken. Nee, het had niks te maken met dat het zo leuk is om een hele dag kleding te passen en ieuw te roepen over kleren die je nu ‘serieus nooit meer’ aan zou trekken.

Het ging echt om de warmte. Ze stikten zowat van de hitte. Als ze nog langer in lange broeken moesten lopen, neigde het naar kindermishandeling.

Ik had voor de zekerheid de winterjassen nog even laten hangen en dat was maar goed ook, met die kans op korrelhagel. Het heeft wel tot gevolg dat ik nu de straat op ga met vier kinderen die erbij lopen als bewoners van een Oegandees vluchtelingenkamp waar net een konvooi afgedragen kleding uit het westen gedumpt is: korte rokjes en mouwloze shirtjes (want de winterkleren zijn opgeborgen) met daaroverheen de duffelse winterjas. Heel fusion gecombineerd met sokken in gevoerde wandelschoenen, want de havaiana’s en birkenstocks liggen onderin de schoenenberg te wachten tot hun voetjes te groot zijn geworden.

Het is toch een beetje verwarrend allemaal. De bezigheden zijn net zo wisselvallig als het weer. Philip had al samen met Cato de aquaplay opgezet, zodat ze bij geval van zonneschijn onmiddellijk met de waterbaan zouden kunnen spelen, maar dat heeft vooralsnog alleen geresulteerd in veel rotzooi. Victoria had namelijk een handdoek gepakt om de (gevulde) waterbaan af te drogen, waarna ze de aarde in de bloembakken wilde schoonmaken en daarna met de handdoek binnen kwam laten zien hoe fijn ze geholpen had. Toen iedereen bibberend terug in huis was met droge kleren en dikke sokken, vroeg Cato of ze Kerst met Linus mocht kijken. Daar was het echt weer voor, vond ze.

En weet u wat ze nu aan het doen is? Ze breit een muts.

Hier, in zomerblouse.

Dat is leuk, trouwens, ze doet het met een breiring. Dat klinkt als een gynaecologische prothese, maar het is een handig ding voor handen die niet ontspannen kunnen breien en dat toch graag willen. En nu een weersadequate sinterklaastip: ze zijn gewoon te koop bij Hema. Als set van vier – soms online uitverkocht, maar dan hangen ze nog volop in de winkel.

Als je op youtube zoekt op ‘breiring’, ‘knitting loom’ of ‘knifty knitter’, krijg je talloze filmpjes met instructies en ideeën. Collega M. heeft ook eens een post over de breiring geschreven, toen het ongeveer net zulk weer was als nu – maar dan in oktober. Nog een knutseltip van haar website, voor als dit weekend de nachtvorst doorzet: sneeuwvlokken knippen!

Ondertussen is Cato gestopt met haar breiwerk en springt ze ongecontroleerd op een skippybal door het huis. Ik geloof dat ik een opklaring zie, tijd om naar buiten te gaan.

Cato schrijft

7 mei 2013

Als je niet zo vaak suikermuisjes op je brood krijgt, ben je er zuinig op. Zeker als je in een huis woont met nog vijf mensen die van suikermuisjes houden. En als je dan halverwege je beschuitje de deur uit moet, naar je club, dan neem je je maatregelen.

(Het heeft gewerkt. Bij thuiskomst lag het er nog. Philip had er zelfs een bordje overheen gezet om te voorkomen dat de jongste het zou zien en zich via blokkendozen en andere opstapjes een weg naar de muisjes zou banen.)

Cato schrijft

26 april 2013

Er is iets waar Cato het meest van houdt en dat is spelletjes spelen. Nee, dat is niet waar. Ze houdt ook erg van barbies aankleden, fietsen, kleuren in haar topmodelboeken, rauzen, films kijken, oogschaduw opsmeren, met transformers spelen, ijpetten, grapjes maken, tikkertje doen en voorgelezen worden. Cato houdt het meest van leven, denk ik.

Opnieuw.

Er zijn veel dingen waar Cato van houdt en op een gedeelde eerste plaats staat spelletjes spelen. Ze kan met gemak vierhonderd keer achter elkaar mens-erger-je-nieten, maar dan zit ze op het laatst wel in haar eentje, want ondanks vijf huisgenoten is er niemand die net zo veel van bordspellen houdt. We hebben onze kaarten ingezet op Victoria – u begrijpt waarom er een vierde kind gekomen is.

Om het voor iedereen een beetje leuk te houden, zorgen we regelmatig voor nieuwe aanwas van spellen. Zo kregen wij op vijf december Wat schets je me nou? in de zak. Onder het motto ‘gedeelde smart is halve smart’ kent Wat schets je me nou? een absoluut minimum van vier spelers. Cato kon haar geluk niet op. Iedere ochtend als ik met dikke ogen uit bed kwam, klonk er vanuit de woonkamer een opgetogen ‘Ha, daar ben je eindelijk’ en werd ik verwelkomd door een speltafel, onberispelijk gedekt voor vier spelers. Het wachten was slechts op twee ontwakende medespelers.

Wat schets je me nou? is een soort telefoonspelletje: je fluistert iets in iemands oor, die fluistert het weer aan een ander en aan het eind van de ketting is het lachen geblazen als de uitkomst heel anders is dan het eerstgefluisterde woord. In het bordspel gaat het met woorden én tekeningen die je aan elkaar doorschuift. Soms een makkelijk woord: poes of boot, soms een lastige: huisgenoot of sciencefictionfilm. Overigens hoef je niet te kunnen tekenen om het spel te spelen – ons hele gezin is daar een levend voorbeeld van. Je moet alleen een beetje kunnen lezen en schrijven.

En dan is zo’n spel met mensen van verschillende leeftijden toch leuk. Ook na een kleine drie miljoen potjes kan Cato me verrassen. Ik moest het woord ‘scheepswrak’ tekenen (geen commentaar graag).

En Cato moest raden wat het was.

Cato schrijft

22 april 2013

Ze kwam thuis van een vriendinnetje dat haar kamer opgeruimd had. Doodzonde om weg te gooien, vond Cato. Aldus ontvingen wij uit de boedel: 17 stuiterballen, 1 wekker, 1 sierkussen, meer kraaltjes dan je in een mensenleven kunt rijgen, 15 viltstiften en 1 nepdrol.

Van de week liep de wc binnen. Cato bleef er bijna in.