Sneeuwboeken

23 februari 2011

Nou hoor ik u denken. Sneeuw.

U kijkt eens naar buiten, herinnert zich dat het gisteravond om 18.05 uur nog licht was en vraagt zich af: heb ik iets gemist? Of is het een van haar spitsvondige titels? Iets met een dubbele bodem, misschien de Noordse mythologie?

Niets van dat al. Het punt is, ik loop een beetje achter. Deze stond al voor te garen vanaf begin december, toen er nog twintig centimeter sneeuw lag en ik een énige ingeving kreeg om mijn favoriete sneeuwboeken met de wereld te delen. Het is exemplarisch voor de rest van mijn leven; ik loop momenteel met veel dingen achter. Met mijn e-mail, met de was, met uren slaap.

Gelukkig wordt het vanzelf weer winter. Kom dan gerust nog eens terug. U moet maar zo denken: als de klimaatverandering doorzet en er in oktober al sneeuw valt, dan zit u geramd met zo’n anticiperende, up-to-date informatiebron als deze.

Niks fijners dan binnenkomen met rode wangen, de sneeuw nog aan je wanten, warme chocomel en een trommel speculaas en met je rug tegen de verwarming een stapel boekjes lezen.

Zoals Mijnheer Eekhoorn en de eerste sneeuw van Sebastian Meschenmoser.

Op afstand het leukste sneeuwboek dat ik de afgelopen maanden las. De tekeningen zijn zo goed, die wil ik wel ingelijst hebben.

De tekst is kort, mooi gedoseerd en vult de illustraties aan. Eigenlijk moet hij zijn winterslaap houden, maar mijnheer Eekhoorn wil dit jaar eens wachten tot hij sneeuw heeft gezien. Van bok weet hij dat sneeuwvlokken nat, wit, koud en zacht zijn, maar ja, dat zijn wel meer dingen. De dieren wachten gespannen wat erop hun hoofden zal vallen.

Dan natuurlijk Wat een kou, Vos en Haas van Sylvia Vanden Heede en Thé Tjong-Khing, twee van onze geliefde duo’s.

Er valt niet zoveel over te zeggen: Vos, Haas, een pop van sneeuw en hete thee van Uil; weer een schot in de roos.

En zoals er voor iedere gelegenheid een Vos en Haas is, zo is er ook voor iedere gelegenheid een Kikker. Kikker in de kou van Max Velthuijs.

Die sneeuw, Kikker heeft het er niet zo op. Hij heeft natuurlijk ook geen laagje spek, zoals Varkentje. Of een warme vacht als Haas. Maar juist als het helemaal mis lijkt te gaan, is daar de warmte van zijn vrienden, van een lekker soepje en een gezellig haardvuur.

Deze is bijzonder: Sneeuw! van Komako Sakai.

Stille, rustige schilderijtjes die perfect weergeven hoe de wereld er uitziet als de sneeuw valt. Het verhaal is uiterst eenvoudig, de platen en kleuren zeggen alles.

Een oude hit bij alledrie mijn kinderen vanaf hun eerste jaar: Grote Beer en Kleine Beer. De sneeuwversie heet Ga je mee, Kleine Beer? van Martin Waddell en Barbara Firth. Als los prentenboek of in bundel De verhalen van Kleine Beer.

Ze gaan zo ontzettend lief met elkaar om. Grote Beer wordt nooit boos als Kleine Beer bang is of fouten maakt en Kleine Beer wil altijd helpen met klussen die gedaan moeten worden. Wanneer ze samen een wandeling door het besneeuwde bos maken, vraagt Kleine Beer bezorgd wat al die geluiden toch zijn. Grote Beer stelt hem zoals altijd gerust.

En deze dan. Meisje alleen van Christopher Wormell.

Eindeloos winterprentenboek. Ook al komt er in het begin een beetje lente, zomer en herfst voorbij, zeker pakken als het sneeuwt. De tekeningen zijn heel mooi en geven de emoties en het verhaal goed weer. Het doet me in de verte altijd een beetje denken aan Ronja de roversdochter. Zo’n nuchter bosmeisje dat één is met de elementen. Maar dan zonder vader, moeder of rovers. Dit meisje leeft met dieren.

De volgende titels zijn voor een beetje groter. Die lees je niet per stapel, maar per boek. Wel weer met je rug tegen de verwarming.

Boris van Jaap ter Haar.

Prachtig en ontroerend. Telt mee voor geschiedenis (Tweede Wereldoorlog), aardrijkskunde (Rusland) en gewoon voor de mooite. Het luisterboek wordt heerlijk voorgelezen door Bram van der Vlugt – ook al zo’n winterstem bij uitstek.

De lange winter van Laura Ingalls Wilder en Garth Williams (ill.).

Voor wie bij Het kleine huis nog steeds denkt aan de niet aflatende EO-serie (zoals ik tot vijf jaar geleden), laat het gáán. Zet het van je af. Het verhaal lijkt in niets op de tv-serie en het is prachtig geschiedenismateriaal over 19e-eeuws Amerika.

Wat sneeuw betreft: eigenlijk zijn alle boeken van het Kleine Huis goed. Overal komt wel een winter in voor. Maar dit deel 6 is wel héél fijn als het sneeuwt. Het is afzien, snijdende kou, een dorpsgemeenschap die elkaar helpt en er samen doorheen komt. Zalig.

Deze is voor nog iets groter, een jaar of twaalf, schat ik. Lucas in de sneeuw van Koos Meinderts en Annette Fienieg (ill.).

Sneeuw is hier het decor van de emoties van een tienjarig jongetje. Het is een dromerig, verdrietig jongetje. Hij heeft zijn vader verloren. Eigenlijk wil hij terug naar de zomer, toen zijn vader nog leefde. Maar de sneeuw lijkt alles weer nieuw te maken. Terwijl hij wandelt, denkt hij na over wat er is gebeurd. Tegelijk ontroerend en bemoedigend.

Ten slotte De kinderen van de Grote Fjeld van Laura Fittinghoff.

Je krijgt het al koud als je naar het omslag kijkt, maar het verhaal is hartverwarmend. Zeven broers en zussen van één tot dertien jaar zwerven met een geit door Zweden. Hun ouders zijn gestorven in het hongerjaar 1860 en om te voorkomen dat ze naar het armenhuis moeten, trekken ze erop uit en zorgen voor elkaar. Geschreven in 1907, voor het eerst in het Nederlands verschenen in 1931. Ik hou van boeken die al zo lang bestaan dat mijn oma ze als kind gelezen zou kunnen hebben. Als ze na al die jaren nog herdrukt worden, wil dat wel wat zeggen.

Terwijl ik dit lijstje halfafgemaakt op de achtergrond had bewaard, bleek Pjotr op zijn blog een enquête te houden naar het ultieme kerstvakantieboek. Wat een hysterisch toeval, niet? Hij had een paar andere criteria: het mocht Kerstig zijn (dat wilde ik niet) en er hoefde geen sneeuw in voor te komen (wilde ik juist wel), maar het is een echte winterboekenlijst: hier staan ze bij de lezerscommentaren.

Net als bij Dickens

23 december 2010

Jet wilde zo vreselijk, vreselijk graag eens naar het Dickensfestijn in Deventer. Ze zag het voor zich: de vuurkorven, de dames met kap en mof, de kerstkoren, de dandy’s met hoge hoeden.

Ik zag het ook voor me. Maar dan zo:

en zo:

Beelden die op mijn netvlies gegrift stonden, iedere keer als ik overwoog om misschien toch… Maar nee, hoeveel ik ook van Jet houd.

En toen gebeurde het ondenkbare: er kwam een Dickensfestijn naar ons toe. Op nog geen kilometer afstand; er lag een foldertje in de bibliotheek.

Om goed voorbereid te zijn, wilde Jet het levensverhaal van Charles Dickens nog een lezen uit Helden!  Haar kleinehuiskleren had ze een week vantevoren al klaargelegd. Gelukkig heeft ze twee setjes, dus de secondant kon ook aangekleed worden.

Kijk nog even naar buiten, hoe Victoriaans wil je het hebben? Zo Victoriaans was het dus. Een volmaakte kerstkaart waarin alles stiller is, vrediger lijkt.

Jet stond erop dat we met toepasselijk vervoer zouden gaan. Uit de boeken van het Kleine Huis op de prairie kenden we het klappen van de zweep: de bittere koude, getrotseerd op majestueuze arresleden, de lichamen bedekt met vele lagen dekens en dierenhuiden, een hete aardappel in de jaszak om de handen te warmen, een heet strijkijzer als kruik aan de voeten. Wij hadden het bij wijze van spreken zelf al meegemaakt.

Zo gingen we in gepaste entourage op weg. Goed, het was niet helemaal je reinste arreslee, maar John was toch een heel verdienstelijk rendier.

Het festijn was zoals Jet gehoopt had. Ongetwijfeld wat minder uitgebreid dan Deventer, maar daar stond tegenover dat je tenminste kon rondlopen zonder claustrofobisch te worden. En sneeuw maakt zelfs een winkelplein sprookjesachtig. 

Er was een levende kerststal,

er was een kerstkoor,

er was blaosmuziek om kippenvel van te krijgen.

En er waren natuurlijk verklede mensen. Jet had gehoopt dat ze er als wethouder Hekking gewoon een beetje bij mocht staan, maar het werd nog veel mooier. Iedereen dacht dat ze erbij hoorde. Allemaal wilden ze foto’s van haar maken, samen met Cato. En de mensen van het Dickensfestijn vroegen of ze hen mochten houden als dochters.

Zelfs Ebenezer Scrooge wilde Jet meenemen, terwijl toch algemeen bekend is dat hij niet van kinderen houdt.

Maar daar kwam niks van in. Jet hoort bij ons. Cato stond inmiddels op een veilige afstand, ze was een beetje bang voor Scrooge (‘Hij lijkt op een heks’).

Toen iedereen tot op het bot verkleumd was, ondanks de warme chocolademelk en de appelflap, ondanks de zes lagen wollen ondergoed en de winterlaarzen, bestegen Jet en Cato hun arreslee om zich waardig naar huis te laten trekken. Daar hebben ze de Muppet Christmas Carol nog maar eens gekeken.

Spoorwegmuseum revisited

4 september 2010

Deze keer met vier andere thuisonderwijskinderen, hun moeders én een camera. Sommigen van ons waren er nu op gekleed.

We werden net als vorige week in stijl ontvangen.

En net als vorige keer bezochten we de vaste attracties.

Maar de hoogheden stalen weer de show. En onze harten. Vooral Koning Lodewijk II van Beieren. Hij was deze keer aanvankelijk wel wat argwanend.

Het is natuurlijk ook een timide man. Treedt niet graag in het voetlicht. 

Hij zag er trouwens opmerkelijk gebronsd uit voor een vorst die alleen bij maanlicht zijn paleis verlaat. Gelukkig kwam hij al gauw los met zijn verhalen.

Der Märchenkönig. Koning van verhalen en suikerpaleizen. Koning Swarovski. Toen ik vroeg of ik een foto van zijn ring mocht maken, zei hij: ‘Alleen van mijn ring?’

Bij dezen. Naast de elegante Jet komt hij extra stoer en mannelijk uit, vond hij zelf ook.

We hadden nog een vluchtige ontmoeting met de koning van Pruisen.

En we verbaasden ons over het contrast tussen de rijtuigen van het Nederlandse en Belgische koningshuis. Waar de treinen van Juliana en Beatrix uitblinken in eenvoud, met formica meubels en een kampeerkeuken met tweepits elektrisch kookstelletje, daar glimmen de wagens van koning Leopold en Albert je tegemoet. Koperen pannen op een echt fornuis, porselein en kristal op de tafel. Ik weet wel met wie ik naar de Oost had willen reizen.

We namen voorgoed afscheid van de fraaie tentoonstelling met al haar pracht en luister. Het was weer een mooie dag. 

Theevisite aan het hof

28 augustus 2010

Als je deze week tijd hebt, moet je toch nog even langs het Spoorwegmuseum gaan. Buiten dat het een van de plezantste musea van Nederland is, is daar tot 5 september de tentoonstelling Royal Class.

Wij gingen vorige week, met de trein helemaal tot in het museum, dat blijft een feestelijke gewaarwording. Ik had geen camera mee, dus u moet mij op mijn woord geloven en genoegen nemen met de sfeerfoto’s die ik van internet geratst heb.

Het museum is momenteel op z’n deftigst. We werden met een rode loper door de koninklijke wachtkamer geleid, waar de prinsessen Dagmar en Alexandra van Denemarken klaarstonden om ons bekend te maken met de beginselen van de hofetiquette: een reverence, de juiste aanspreektitel –  alles voor het geval wij andere monarchen tegen het lijf zouden lopen; het museum scheen er vol mee te zitten.

Tijdens deze inwijding bleek algauw dat Jet waarschijnlijk bij de geboorte verwisseld is en als enige van ons gezin vorstenbloed door de aderen heeft stromen. Voor Jet zelf kwam dat niet als een verrassing, maar het werd nog eens pijnlijk duidelijk toen Philip, Cato en ik (en vriend D, die ook mee was) ons door de stoomcursus heen stuntelden, terwijl Jet de toets met glans doorstond. 

We liepen door naar het hoofdgebouw, waar tot volgende week zondag de koninklijke rijtuigen tentoongesteld staan, het een nog mooier dan het ander. Bij de meeste kun je met een trapje naar binnen kijken, maar in sommige mag je zelf op het pluche plaatsnemen, zoals deze. 

Het museum is ook zonder Royal Class een geweldige plek. We zijn deze keer viermaal in de ‘spookrit’ geweest, een karretje dat je in het donker over een rails meeneemt naar de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. En dan is er het theater, waar nu helaas geen vertelling over de Orient Express werd gehouden, maar normaal wel. En het kindertreintje buiten, waar Cato nog even machinist mocht zijn.

Zelf vind ik ‘de grote ontdekking’ altijd weer mooi. Daar stap je met audiotour in een lift die je 150 meter onder de grond brengt, en 200 jaar terug in de tijd. Aan alles is gedacht: de geurtjes in de mijnschacht, de singing hinnies (scones die op een bakplaat sissen) in de pub, het straatje van kasseien, de werkplaats met de stoommachine. En op het laatst wandel je de Arend tegemoet, de eerste locomotief van Nederland, waarover je ook kunt lezen in het prentenboek De vuurdraak.

  

Maar de koninklijke sfeer maakte het wel erg speciaal deze keer. Jet dacht in iedere vreemdgeklede voorbijganger een majesteit te zien en hoewel ze een paar keer mis zat, hebben we dankzij haar toch wat vorstelijk werk verzet. We hielpen een lakei bij het verplaatsen van de rode loper en dronken echte thee uit porseleinen kopjes met Dagmar en Alexandra, die we eerder in de wachtkamer hadden gesproken.

Ten slotte ontmoetten we Lodewijk II van Beieren. Zijn trein was een van de mooiste van de tentoonstelling.

Aan een klein tafeltje middenin het museum vertelde Lodewijk hoe hij aan zijn bijnaam de Sprookjeskoning was gekomen. Hij vertrouwde ons toe dat het vreselijk was om koning te zijn. Om het voor zichzelf een beetje leuk te maken, trok hij zich terug in mythen en sagen. Hij zorgde ervoor dat Richard Wagner muziek kon componeren en bouwde droomkastelen waar filmmakers later inspiratie uit haalden. Het was trouwens bijzonder dat we hem midden op de dag tegenkwamen, want hij is nogal mensenschuw. Het liefst gaat hij ’s avonds naar buiten, omdat alles in het maanlicht zoveel mooier is. 

Vriend D. moest de volgende dag weer naar school en vond dit een heel fijne afsluiting van de vakantie. Jet zat in de trein nog wat na te denken over koning Lodewijk. Hij had verteld dat hij een nicht had die Sissi genoemd werd – wij zouden haar wel kennen. Jet vroeg wie Sissi eigenlijk was. Ik voel een Romy Schneiderperiode aankomen.

Adieu Sweet Bahnhof

5 augustus 2010

Om Jettes tijdreis extra cachet te geven, hebben we ons ook 19e-eeuws laten vervoeren. De stoomtram van Hoorn naar Medemblik rijdt nog steeds over het spoor dat in 1887 werd aangelegd, en zelfs de originele tussenstations zijn bewaard gebleven.

Er zijn verschillende mogelijkheden om de reis te maken en wij ‘deden’ de Historische Driehoek: van Enkhuizen naar Medemblik met de boot en van Medemblik naar Hoorn met de stoomtram.

Foto van weblog Onderweg

De veerhaven ligt naast treinstation Enkhuizen. Vandaar vertrekt de Friesland over het IJsselmeer naar Medemblik. Jet dacht nog wat ziltigs te ruiken toen ze de wal nakeek.

De bootreis duurt vijf kwartier. Vijf kwartier ontspannen met je neus in de wind. En benedendeks, want daar is een mooi ingericht zitgedeelte met pluchen stoelen, jugendstillampjes en een barretje voor ijsjes en koffie. Als het regent kun je je er ook vermaken met de sjoelbak of een van de andere spelletjes die er liggen.  

In Medemblik werd de locomotief al op stoom gebracht. We konden direct instappen. Een paar jaar geleden hadden we de route andersom gedaan – van Hoorn naar Enkhuizen, eerst de tram, daarna de boot. Dan heb je een langere overstaptijd en kun je een uurtje stukslaan in het Bakkerijmuseum van Medemblik. Dat bleek destijds verbazingwekkend weinig voor te stellen; met de hele lichting trampassagiers schoof je het piepkleine museumpje binnen waar je met z’n allen mocht toekijken hoe iemand krentenbollen stond te rollen. Dat sloegen we deze keer maar over, we namen meteen plaats in de derde klasse.

Jet had uit haar ooghoek al een mevrouw in klederdracht gezien, die hoorde  bij tram. Ze zat een treinstel verder, maar na de eerste halte kwam ze in onze coupé zitten om, net als in het Zuiderzeemuseum, te vertellen over toen. Ze tilde wuft haar jurk op om de zelfgebreide kousen te laten zien en de zeven onderrokken die gemaakt waren van stoffen-met-een-verhaal: de eerste rok was van een jurk van haar moeder geweest, de tweede had een randje van het kussensloop van haar grootouders.  

Tijdens de tussenstops op de stations mocht je meehelpen, als onderdeel van het kinderprogramma Stoomsafari*)

De goederenwagon moest gelost worden.

En op het station van Wognum stonden koffers klaar met een speciale inhoud. Als je een koffer gekozen had, mocht je hem openen en bedenken of hij toebehoorde aan een man, vrouw, jongen of meisje. In de ene koffer zat een lange jaeger onderbroek, in de andere een tol of porseleinen pop. Het waren dus geen echte hersenbrekers, maar het ging de kinderen meer om het bijzondere – het idee dat je op reis bent met een oude leren koffer die aan je is toevertrouwd. Het laatste deel van de reis werd de koffer jouw verantwoordelijkheid, en op het station van Hoorn moest je de koffer op de juiste plek afleveren.



En zo boemelden we vrijwillig vijf kwartier over een afstand die je met de auto in twintig minuten aflegt. Het deed me denken aan C.S. Lewis’ aversie tegen auto’s, waar hij over schrijft in zijn prachtige autobiografie Surprised by Joy (1955). Daar noemt hij de automobiel een ‘inflatie van de ruimte’. **)  Voor je het weet zit je honderden kilometers verderop, zonder besef van de afstand die je hebt afgelegd, zonder gevoel voor de uitgestrektheid van het landschap.

Hoewel Lewis het honderd jaar na onze tijdreis schreef, moet dat wel de ervaring geweest zijn die de mensen gehad hebben, denk ik. Doet je des te meer beseffen hoeveel er veranderd is in de afgelopen eeuw.

—–


*) Mocht je ook van plan zijn te gaan, houd er dan rekening mee dat niet alle programmaonderdelen bij iedere tramrit beschikbaar zijn. Het ‘verkleden als Ot en Sien’ is bijvoorbeeld alleen mogelijk bij de rit van 11.00 uur vanuit Hoorn, omdat daar een ander soort tramstel rijdt. Handig om te weten: ook hier is de museumjaarkaart weer geldig!

Terug


**) Het hele citaat is eigenlijk te mooi om te laten schieten (hier gevonden, lang leve internet) : 

I number it among my blessings that my father had no car, while yet most of my friends had. […] The deadly power of rushing about wherever I pleased had not been given me. I measured distances by the standard of man, man walking on his two feet, not by the standard of the internal combustion engine. I had not been allowed to deflower the very idea of distance; in return I possessed “infinite riches” in what would have been to motorists “a little room.”

The truest and most horrible claim made for modern transport is that it “annihilates space.” It does. It annihilates one of the most glorious gifts we have been given. It is a vile inflation which lowers the value of distance, so that a modern boy travels a hundred miles with less sense of liberation and pilgrimage and adventure than his grandfather got from traveling ten. Of course if a man hates space and wants it to be annihilated, that is another matter. Why not creep into his coffin at once? There is little enough space there.

Terug

De dagen van Afke

30 juli 2010

Dit vind ik een van de mooiste dingen van thuisonderwijs: dat je je helemaal kunt begraven in een onderwerp. Net zolang onderzoeken en beleven totdat je alles weet wat je wilde weten. Honderd keer naar Naturalis als je geen genoeg krijgt van fossielen, honderd keer naar de dierentuin als je gebiologeerd bent door tijgers. Lezen, films kijken, tekenen, naspelen, ongestoord, de tijd vergetend en voor toeschouwers schijnbaar onuitputtelijk.

Jet zit met haar hoofd een dikke eeuw geleden. Na dertien delen van Het kleine huis is ze via De kinderkaravaan tien breedtegraden opgeschoven naar de 19e eeuw in Nederland: Afkes tiental. Maandenlang speelt ze, leeft ze, in die tijd.

Dus gingen we ook weer naar het Zuiderzeemuseum. Twee keer deze maand. De eerste keer was Jet haar kleinehuis-kleren vergeten, maar daar had het museum iets op gevonden.

Het was snikheet die dag en zó consequent is Jet ook weer niet, dus na een halfuur gewatteerde klederdracht maakte ze comfortabel gebruik van haar 21e-eeuwse natuur en dartelde verder in een hemdje.

Tot haar verrukking had de museumwinkel griffels en leien te koop. Bovendien werd er op de zuiderzeeschool lesgegeven in schoonschrijven, inclusief strenge juf. Jet moest nog rennen voor de bel.

 

Omdat de schrijfles met kroontjespen was, mocht Jet na afloop nog even in de bank blijven zitten en op haar eigen lei schrijven, voor het ultieme kleinehuisgevoel.

Nep of niet, Jet genoot. Ze wist van de vorige keer dat er bij een van de huisjes ook een tobbe met wasbord stond en herinnerde zich ineens dat ze nog een flinke was moest doen. Primeurtje, dames en heren, want deze 16 seconden zijn mét geluid (geleende camera).

Nou ja, en dinsdag gingen we nog eens, want we hadden de tijd en iedereen vindt het er fijn en Jet wilde zo graag weer. In haar eigen dracht deze keer.

Dus we gingen weer op de boot.

En Jet had weer een was klaarliggen.

Maar daarna werd het toch anders dan de vorige keren. Want we gingen nu naar Urk. Het museum bestaat uit huisjes van alle delen in het voormalig Zuiderzeegebied, en in het Urker deel zijn een paar huisjes ‘bewoond’. Volwassenen die zich net als Jet honderd jaar geleden wanen – ze sloot naadloos aan.

De buurvrouwen Marretje en Jannetje vroegen over school, luisterden graag naar Jettes uitleg over thuisonderwijs en lieten haar binnenkijken in de huiskamers. De andere bezoekers dachten dat ze erbij hoorde, met haar schort en omslagdoek. ‘Is je vader turfsteker?’ vroeg deze meneer.

Terwijl Jet de halve middag bij de dames doorbracht, hoorde ze over de verschillende soorten klederdracht, de zondagse en de daagse. Over oorijzers die dienden als hypotheek en over de rouwdracht: een zwart lijfje geeft aan dat je man ‘op zee gebleven’ is. Na 1 jaar en 6 weken (om onduidelijkheden over nageslacht uit te sluiten) konden de grijze mouwtjes vervangen worden door bloemetjesstof. Zo zag iedereen dat je weer huwbaar was.

We bezochten ook weer de snoepwinkel, het kerkje en de visrokerij. Cato scharrelde over de keien door de autoloze straatjes, beklom de schelpenheuvels bij de kalkovens en Philip en Jet maakten hun eigen touwen.

Aan het eind van de dag wilde Jet toch nog even terug naar de buurvrouwen. Die zaten net aan de maaltijd – vaste prik in het museum. Soms bakken ze ook havermoutkoekjes of pudding. Jet werd uitgenodigd voor een kopje thee en een kaakje.

—–

Handig

Gouwe ouwe

22 april 2010

Weer eens wat gouwe ouwe. Twee van de vier worden allang niet meer uitgegeven, maar dat is een schande en moet alsnog gebeuren. Tot die tijd kun je ze krijgen bij het antiquariaat en sites als veilingkijker en boekwinkeltjes.

Eerst een boek dat nog wél in de winkel te krijgen is, Het oneindige verhaal van Michael Ende.

We zijn pas halverwege het verhaal, maar ik weet nu al dat Philip en Jet het zich zullen blijven herinneren, zoals vaak met goede boeken. Ik had het zelf niet eerder gelezen. De enige associatie die ik had, was het jarentachtignummer van Limahl met de videoclip van een jongetje op een vliegende witte hond. Na de eerste paar hoofdstukken weet ik nu dat die hond niet helemaal adequaat gecast is. De film wil ik voorlopig in ieder geval nog niet zien.

Het is een prachtig boek. De taal is poëtisch, het verhaal verrast, ontroert, zuigt je mee. Ik zie sommige wendingen uiteraard wat eerder aankomen dan de kinderen, maar het is een genot om voor te lezen. Philip (10)  en Jet (8) houden afwisselend hun adem in en veren op als ze ineens iets begrijpen. We weten dus nog niet hoe het afloopt, maar ik wilde alvast een aanbeveling doen bij de Commissie ter Bevordering van de Vergeten Klassieker. Als je het niet erg vindt om de clou van het verhaal te weten, kun je op wikipedia kijken, anders staan hier voorbeeldpagina’s van het eerste hoofdstuk.

Het volgende boek hebben we een poos geleden al gelezen, maar heeft genoeg indruk gemaakt om het alsnog te noemen: 100 jaar geleden van Het schrijverscollectief met olieverfschilderijen van Fiel van der Veen.

Het geeft een mooi en verdrietig beeld van het leven van een arbeidersmeisje in de negentiende eeuw. Naast het verhaal zijn het ook de illustraties van Fiel van der Veen en de foto’s die het ‘em doen. In tegenstelling tot de Gouden Eeuw of de Middeleeuwen spreekt de negentiende eeuw meestal niet erg tot de verbeelding. Daar brengt 100 jaar geleden verandering in.

Hoofdpersoon Claartje is een doorsnee negentiende-eeuws meisje. Geboren in de armoede van de veenkoloniën vertrekt ze naar het westen om in leven te blijven. Via de textielindustrie, een scheepswerf, de eerste arbeidersstakingen en het leven van arm en rijk in Amsterdam, vindt zij uiteindelijk haar plaats in de maatschappij. We werden al snel het verhaal ingezogen en hebben uren achter elkaar gelezen om te weten hoe het verder ging. Jet kan nog steeds geen stroopwafelkruimels eten zonder aan Claartje uit het boek te denken.

Voorbeeldpagina’s waren nergens te vinden, maar sinds kort heb ik een scanner. Wat is dat een enig ding, zeg. Ik hoop dat het auteursrechtelijk gezien mag, maar ik heb hier het eerste hoofdstuk gezet, zodat je kunt beoordelen of je het de moeite waard vindt om tweedehands te kopen. Mocht ik in overtreding zijn, dan hoor ik het graag van de erven Wilmink, Hans Dorrestijn of een van de andere leden van Het schrijverscollectief.

Nummer drie: Erik of het klein insectenboek van Godfried Bomans.

Ja, ik weet het, de titel is genoegzaam bekend, maar deze post is voor mensen die hem nog niet gelezen hebben. Doe het maar. Erik is sprookjesachtig en toch echt, grappig en ernstig, nature en nurture. Overal op internet zijn samenvattingen te vinden en hier staat de wikipagina van het boek. Een dezer dagen zal ik er nog iets meer over posten.

Ten slotte een schrijver die ik alleen kende van zijn grote-mensenboeken: Isaac Bashevis Singer. Voor wie zijn naam niet direct kan thuisbrengen: Singer is ook de schrijver van het korte verhaal ‘Yentl, the Yeshiva Boy’ dat beroemd werd door de film van Barbra Streisand. In het voorwoord van Kinderverhalen vertelt Singer over zijn aanvankelijke weerzin om voor kinderen te schrijven en zijn besluit daar verandering in te brengen. Gelukkig maar.

Het zijn heerlijke sproken en fabels. Bijzonder aan de verhalen vind ik dat ze vertrouwd aandoen, alsof je er al eens van gehoord had bij Grimm, Andersen of Perrault. En toch zijn ze in alle opzichten eigenzinnig en origineel, van de natuurbeschrijvingen tot de wijsheden.

Ook van dit boek was geen inkijkje te vinden op internet. Maar onder het motto ‘as ge maar leut het met d’n scanner’ heb ik een verhaal online gezet. Hier staat ‘Lepe Todie en Lyzer de vrek’.